Wis- en natuurkundige bibliotheek van Obe Postma

Inleiding
De twee grote dozen met boeken uit het bezit van Obe Postma, die vandaag worden overgedragen aan Tresoar bevatten 56 titels (uitgegeven tussen 1858 en 1919), alle samenhangend met Postma’s studierichting, wis- en natuurkunde. Een deel betreft studieboeken die hij in de loop van zijn studie zal hebben aangeschaft. Postma studeerde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij kwam daar aan in 1886, deed in 1892 zijn doctoraal examen en promoveerde in begin 1895.Daarna heeft hij zijn verzameling nog regelmatig uitgebreid. Door elkaar vinden we enkele boeken, die hij zal hebben gebruikt voor zijn beroep als leraar en andere, de grote meerderheid, die zijn werkelijke belangstelling weerspiegelen. Die vinden hun neerslag in één monografie Het meten (Groningen,1903) en in tien tijdschriftartikelen tussen 1906 en 1918.Van alle boeken is door drs. Jelle Krol van Tresoar inmiddels nagegaan of ze voorkomen in andere Nederlandse (universiteits)bibliotheken. Alleen van de Einleitung in die analytische Theorie der Wärmeverbreitung van Adolf Dronke (Leipzig, 1882) is Postma’s exemplaar voorzover bekend het enige in Nederland. Het is overigens mogelijk dat hij onder andere uit dit boek inspiratie heeft geput voor de eerste hoofdstukken van zijn proefschrift.De oudste twee, beide populaire sterrenkundeboekjes dateren uit 1858 en waarschijnlijk 1867, respectievelijk tien en één jaar voor Obe’s geboorte. Het lijkt aannemelijk dat die door zijn vader, Pieter Obes zijn aangeschaft. Van de meeste andere is het niet zeker, maar wel waarschijnlijk dat P. ze heeft gekocht. Eén heeft hij, zo blijkt uit een handgeschreven opdracht, gekregen van een dankbare bijlesleerling. Vier zijn dissertaties van studievrienden. Helaas vinden we in de boeken geen verdere aanwijzingen over herkomst of datum van aanschaf. Het jaar van verschijnen biedt dan het enige houvast. Het is dan uiteraard heel goed mogelijk dat het boek pas vele jaren later door Postma is verworven. In een enkel geval, Sur la Probabilité du Tir des Bouches à feu et la Méthode des moindres carrés door E. Jouffret (Paris, 1875) is dat haast wel met zekerheid vast te stellen. Toen het boek verscheen was Obe 7 jaar oud. De periode dat hij duidelijk belang stelde in het onderwerp ligt tussen 1910 en 1920.Uit de nalatenschap van Postma zijn al eerder bij Tresoar terechtgekomen: zijn proefschrift Iets over uitstraling en opslorping, (Groningen, 1895) en in overdruk de tijdschriftartikelen. Het meten ontbreekt. Dankzij volhardend speurwerk van prof. dr. Philippus Breuker is er één exemplaar bekend en toegankelijk voor onderzoek. Maar waarom het niet uit Postma’s eigen bezit is tevoorschijn gekomen blijft enigszins raadselachtig. Hetzelfde geldt voor de schoolmethode voor wiskunde van Postma’s oudere Groninger collega J. Kors waarvan Postma een aantal titels heeft bewerkt.

Het is wel zeker dat Obe Postma voor zijn wetenschappelijke werk veel meer heeft geraadpleegd dan alleen de inhoud van de boekendozen. Dat blijkt uit zijn publicaties. Als voorbeeld kan dienen Het meten waar hij in de noten verwijst naar 25 boeken of artikelen. Daarvan zitten er vijf in de dozen.

Bij een aantal boeken heeft Postma aantoonbaar intensief kennisgenomen van de inhoud. We vinden dan in de kantlijn deelberekeningen, uitgevoerd met een niet al te scherp potloodje op een veel te kleine ruimte. Ter verduidelijking voor hemzelf als de schrijver een iets te grote stap in zijn berekeningen heeft gemaakt, iets wat in wiskundige verhandelingen nu eenmaal vaak voorkomt.

Aan de andere kant zijn sommige boeken nauwelijks opengesneden, wat gemakkelijk tot een verkeerde conclusie kan leiden. E.G. Husserl’s Philosophie der Arithmetik. Psychologie und logische Untersuchungen I (Leipzig, 1891) is weliswaar niet verder opengesneden dan alleen Capitel I maar Postma verwijst wel naar het werk in Het meten.

Ik heb een poging gewaagd om de boeken te rubriceren naar vakgebieden en kom dan op 21 titels natuurkunde, 18 wiskunde, 4 sterrenkunde, 1 zeevaartkunde en 12 wetenschapsfilosofie. Maar een dergelijke indeling is niet mogelijk zonder het maken van enigszins arbitraire keuzen. Zo gaat Leerboek der zeevaartkunde van W. Noorduyn (Gorinchem 1901) vrijwel uitsluitend over navigatie met behulp van zon, maan en sterren en zou dus ook in de rubriek sterrenkunde passen. Das Anwendungsproblem. Ein philosopischer Versuch über das Gesetz der grossen Zahlen und die Induktion van Edgar Zilsel (Leipzig, 1916) is alleen al op grond van de titel een twijfelgeval: wiskunde of wetenschapsfilosofie? Mijn aanvankelijke keuze voor het eerste heb ik na (gedeeltelijke) lezing laten vallen. Zilsel maakt weinig berekeningen maar een voor het boek typische vraag is: waarom beschouwen wij de uitkomst van de worp met een dobbelsteen als “toevallig” terwijl het alleen maar gebrek aan kennis is over de mechanica van de werpende hand en een wentelend kubusje waardoor we de uitkomst niet kunnen voorspellen? Het is niet meer dan een voorbeeld van de twijfels die een indeling in categorieën met zich meebrengt.

Toch heeft het maken van deze indeling nut.

Boeken aangeschaft door Obe Postma

De titels uit de boekendozen, gerangschikt naar natuurkunde (boven), wiskunde (midden) en wetenschapsfilosofie (onder) en vervolgens naar jaar van uitgave. Ieder blokje stelt één titel voor. Het balkje bij natuurkunde betreft de studiejaren, P de promotie, M de verschijning van Het meten. De A’s geven de tijdschriftartikelen weer.

De zeer oplettende beschouwer telt geen 56 blokjes, maar slechts 48. Het zijn de boeken, waarvan kan worden aangenomen dat Obe Postma ze zelf heeft aangeschaft. Zonder sterrenkunde en zeevaartkunde en één typisch op wiskundedidactiek gericht boek.

Om het verloop van zijn belangstelling te peilen zou natuurlijk het moment van verwerven interessant zijn en dat ligt in deze tekening op of rechts van het getekende blokje. Hoever? We weten het niet. Ondanks deze onzekerheid maakt deze tekening iets zichtbaar, namelijk hoe Postma langzaamaan zijn belangstelling verlegt. De natuurkunde als middel om door te dringen tot “het wezen der dingen” wordt, zo men wil via de wiskunde, ingeruild voor de filosofie. Een ontwikkeling die voorbij deze grafiek (Postma is dan rond de vijftig) geenszins een einde neemt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *