Obe Postma en Lebensanschauung van Georg Simmel

Een belangrijke, zo niet de belangrijkste gedachte bij Postma is zijn idee dat het denken de werkelijkheid begrijpt als een combinatie van duur en moment, van algemeen begrip en heel concreet verschijnsel. Er is bijna geen gedicht van hem of het is op de spanning tussen die twee gebouwd. Maar het idee is hem als natuurwetenschapper die zoekt naar wetten om de verschijnselen te verklaren, uiteraard ook heel eigen. Zo eigen zelfs, dat hij in 1913 tegen Heinrich Rickert in betoogt dat het historische, dat is het eenmalige, altijd deel van de natuurwetenschap is. Zelfs de laatste natuurwetenschap, zoals hij die – zo zegt hij – opvat, bevat wel degelijk het werkelijke (zie op deze site onder Wittenskipsfilosofy de lezing Natuurwetenschap en Historische wetenschap).

Het behoeft dan ook geen betoog dat Postma veel als eigen herkende in de ideeën van Georg Simmel, zoals deze ze in zijn Lebensanschauung (1918) ontvouwde. In dat werk definieerde Simmel het leven zoals hij dat als objectieve, transcendente werkelijkheid zag, zo (ik haal hem hier aan met Gregor Fitzi, Soziale Erfahrung und Lebensphilosophie: Georg Simmels Beziehung zu Henri Bergson (Konstanz 2002) 278): “Dass das Leben absatzloses Fliessen ist und zugleich ein in seinen Trägern und Inhalten Geschlossenes, um Mittelpunkte Geformtes, Individualisiertes, und deshalb, in der anderen Richtung gesehen, eine immer begrenzte Gestaltung, die ihre Begrenztheit dauernd ünberschreitet, – das ist seine wesenbildende Konstitution.”

Op een moment dat hij zijn filosofische studiën al had afgesloten en al zijn vrije tijd besteedde aan historische archiefstudie, maakte hij nog een uittreksel van delen van juist dat boek. Het zou het laatste zijn, alleen nog gevolgd door aantekeningen uit Het absoluut idealisme van J.A. dèr Mouw rond 1950. Hij las Lebensanschauung in de ongewijzigde herdruk van 1922, wanneer precies is moeilijk te zeggen. Men zou uit het in 1922 weer opvatten van het beeld van de levensstroom dat hij in jaren niet gebruikt had, kunnen denken dat hij het boek nog in het jaar van verschijnen las. 1 In eerste instantie had hij het beeld mogelijk ontleend aan Wilhelm Ostwald bij wie het ook voorkomt en die hij in 1902 las. 2 Het gaat terug op de levenswil van Schopenhauer, de transcendente kracht die wereld en mensen voortbrengt. 3

Het woord levensstroom komt herhaalde malen in zijn aantekeningen uit Simmel voor. Het leven is als combinatie van continue levensstroom en individuele vorm objectief gezien één. Ze vormen met een onbedoelde variant op Simmel voor Postma het Wertplan des Daseinsganzes. 4 Meer dan bij Simmel echter is er bij Postma tussen die twee een spanning. Ook met Simmel in verband lijkt te staan een tweede centrale gedachte bij Postma, het idee namelijk dat niets verloren kan gaan. Ook dat komt voor het eerst pregnant geformuleerd in zijn poëzie van de eerste helft van de jaren twintig voor. Simmel vond op dat punt herkenning bij Postma doordat die uit zijn pas begonnen historische archiefstudie het hem als dichter zo eigen leven van alledag nu ook uit ver vervlogen tijden leerde kennen. Een mooie combinatie van levensstroom en bewaard blijven van wat geweest is, geeft dan het gedicht It libben dat fergong (1925; SF 161).

Er zijn uiteraard ook verschillen met Simmel. Simmel kwam langs filosofische weg (en in confrontatie met Bergson) tot zijn ideeën omtrent het leven, Postma had zijn natuurwetenschappelijke visie verdiept niet allen met filosofische studie, maar vooral ook met zijn historische kennis omtrent het concrete, alledaagse leven. En terwijl Simmel aan genieën dacht toen hij schreef dat niets verloren kon gaan, was voor Postma juist het heel elementaire, eenvoudige bestaan het blijvende.

Hun wegen verschilden en ook de uitkomst was niet identiek, maar Postma en Simmel hebben in hun denken veel gemeenschappelijks. Onder hun kijk op het leven zit vast heel wat van wat de tijd meebracht waarin ze leefden. Het neo-kantianisme met zijn optimistische vooruitgangsgeloof èn voor wat Simmel betreft ook de desillusie van de Eerste Wereldoorlog, die hem deed zoeken naar een zin voor het bestaan, bepaalde hun denken. Lebensanschauung was het laatste werk van Simmel. Pas hierin kwam hij na een jarenlange plaatsbepaling ten opzichte van Bergson tot een eigen opvatting van het leven.

Omdat de kennismaking met Lebensanschauung veel voor Postma moet hebben betekend, geven we hier zijn uittreksel van het boek. Het kan dienen tot een nader onderzoek van zijn betekenis voor zijn poëzie. Meer dan de talloze andere filosofische studies waarvan hij uittreksels maakte, heeft dit boek hem de “schok der herkenning” gegeven. Die andere studies hadden hem gebracht tot wat hij hier vond. In een binnenkort te verschijnen studie, “Obe Postma, dichter van de sublieme ervaring,” heb ik zijn weg er naar toe geschetst. 5

Niet het hele boek las hij. Het heeft vier hoofdstukken: Die Transzendenz des Lebens, Die Wendung zur Idee, Tod und Unsterblichkeit en Das individuelle Gesetz. Postma maakte alleen een uittreksel van het eerste en het derde. En daarvan schreef hij dat hij ze ‘vluchtig gelezen’ had.


Uittreksel Postma van Georg Simmel, Lebensanschauung. Vier metaphysische Kapitel. (München und Leipzig 1922) in OPS tg. 200-03, nr. 51; Tresoar.

I. Transzendenz des Lebens

Wij zijn als schaakspelers; schaken alleen mogelijk doordat wij eenige zetten vooruit kunnen zien, maar toch niet volledig. Zo ook met het leven. Plato: Philosoof = die tusschen den wetende en niet-wetende staat. De grenzen zijn niet definitief. Maar door deze verschuifbaarheid weten we ook dat er grenzen zijn. Waren zij niet verschuifbaar (als [bij] gevangene) of konden wij niet met zekere functie er buiten komen, wij wisten er niets van. Wij kunnen grenzen voor zichtb. golflengte aangeven; maar dan hebben wij ze in zekeren zin overschreden. Begrip, speculatie, constructie en berekening voeren ons buiten onze zinlijk-reeele wereld. Het bewustzijn gaat buiten het concrete onmiddellijke leven en bekijkt het van buiten.

[Bioloog: Door verrekijker en microscoop is doorbroken de harmonie van ons organisme en omgeving. Een wezen dat oogen als telescoop had, zou heel ander organisme en uiterlijk hebben dan wij, b.v. veel langer levensduur en andere tijdsopvatting. Wij hebben harmonie verbroken evenals iemand die op hooge stelten loopt] Wij hebben een wereld die niet meer de onze is. Wij zien van buiten onze grenzen nu klein.Er is geen waarborg dat het gegevene ook werkelijk geheel door de apriorische kategorien in de vormen van ons erkennen gaat. Niet alles van de wereld kan in vormen van de kunst; niet alles in religie; zo min alle gegevens in vormen of kategorien van erkennen.

Dat wij deze mogelijkheid kunnen denken, is weer een gaan van geestelijk leven buiten zich zelf. Dat wij de eenzijdigheid (b.v. der groote filosofen) weten, als principieele noodzakelijkheid, stelt ons boven hen. “Das wir unser Wissen und Nichtwissen selbst wissen und auch dieses umgreifende Wissen wiederum wissen und so fort in dat potentiell Endlose – dies ist die eigentliche Unendlichkeit der Lebensbewegung auf der Stufe des Geistes.” “Mit dieser Bewegung in die Transzendenz seiner selbst erst zeigt sich der Geist als das schlechthin Lebendige.” “Das der Mensch sich selbst überwindet, bedeutet dass er über die Grenzen hinausgreift, die der Augenblick im steckt.”

Tegenwoordige = tezamenstooten van verleden en toekomst. Realiteit haftet aan het tegenwoordige; is dus niets tijdelijks. Oppervlakkig beschouwd neemt [men] voor Gegenwart een stuk verleden met een klein stukje toekomst. Hier niet als bij een mechanisme allerlei verleden mogelijk, maar slechts één. Er zit veel individueels in. Hineinleben in verleden alleen mogelijk in het stadium des geestes. Daarvoor 2 vormen beschikbaar: a.objectivering in begrippen en Gebilden, die het bezit van vele nakomelingen worden; b.geheugen waardoor verleden zich in het nieuwe subjectieve leven overdraagt. “Freilich ersteht damit nicht das Vergangene als solches aus seinem Grabe; aber da wir das Erlebnis nicht als ein gegenwärtiges sondern als ein dem damaligen Moment verhaftetes wissen, so ist unsere Gegenwart eben keine punktuelle wie die einer mechanischen Existenz, sondern sozusagen nach rückwärts ausgedehnt.”

Zoo ook leeft ons willen, voelen, denken in toekomst: “es transzendiert die Gegenwart.” Wij leven steeds in Grenzbezirk. “Das Leben ist wirklich Vergangenheit und Zukunft; diese werden nicht nur, wie zu der unorganischen, bloss punktuellen Wirklichkeit, ihm hinzugedacht.” Ook bij Zeugung und Wachstum van org. leven heeft men dit. Nur für das Leben ist die Zeit real. Dit hinausgreifen van het aktuelle leven “ist das Wesen des Lebens selbst.” Dus Leven = existenzart, “die ihre Realität nicht auf den Gegenwartsmoment beschränkt” [toevoeging Postma (PHB)]: [mech. ook niet door tegenw. coord. bepaald, maar ook f(t) noodig] Het leven is continuiteitsstroom, maar tegelijk in individuen geconcentreerd. Het zelfbewustzijn = buiten zich treden van bewustzijn = subject en object tegelijk zijn = Urphänomen des Lebens.

Evenals bewustzijn buiten zich zelf uit gaat, zoo gaat ook de wil buiten zich zelf uit. Wij kunnen ons dit slechts zoo voorstellen: een mehrheit wilsbestrevingen zijn levend in ons, waartusschen een hoogere definitieve wil besluit. De eerste duiken in ons op zonder verantwoordelijkheid, slechts voor de laatste voelen wij ons verantwoordelijk. Zelfs hebben wij vaak het gevoel dat wij daar ook nog boven uit kunnen stijgen, zoodat het is alsof wij dit weer van buiten bekijken. We voelen het dus weer niet als onze laatste wil.

Tusschen continuiteit en vorm, de laatste “weltgestaltende” principes bestaat diepe “Widerspruch.” De individualiteit als “geprägte form” scheint sich der Kontuität des Lebensstromes, die keine geschlossene Prägung zulässt entziehen zu müssen. Empirisch: groote genie gewoonlijk geen of weinig geslaagde nakomelingschap. Bij sterk geindividualiseerde menschen van hoogere cultuur tegenzin tegen functie: golf van levensstroom te zijn = instinct voor die onverzoenlijke tegenstelling: leven – vorm of continuiteit – individualiteit. Op de grens vormt zich een derde: de overwinning der twee. Het grondwezen van het leven is weer deze functie van transzendieren en die als één leven actualiseert wat door gevoelen, begriplijkheid in dualisme van continue levensstrooming en individueel gesloten vorm gesplitst wordt.

In de richting der concrete Erfüllung dieser Idee vom Leben ligt Schopenhauers Wille zum Leben en Nietzsches Wille zur Macht, waarbij S. meer grenzenvrije continuiteit en N. meer individualiteit in “formumschriebenheit” als het voornaamste in het oog vat. Leven = leven verwekken (zelfs physiolog. selbsterhaltung hoort daar toe); leven = buiten leven gaan. Het strekt zich 1. naar ander leven uit, 2. naar niets uit.

Zeugung en Tod transzendieren het leven naar boven en naar onderen. Het leven is zonder hen echter niet denkbaar. Beide zijn geen toevoegsels aan het leven, sondern solche Aufhebung, Überspülung der Begrenztheit [er staat: Umgrenztheit, PHB] is het leven zelf. “Vielleicht bedeutet die ganze Idee von der Unsterblichkeit des Menschen nur das akkumulierte, in ein einmaliges ungeheures Symbol hineingesteigerte Gefühl für dieses Hinausgehen des Lebens über sich selbst.” Leven produceert zelfstandige levens, maar in de wereld van den geest een zelfstandig zinvolle inhoud. Dit is het wezen van het geestelijke leven zelf. Transcendent: “Heer, uw wil geschiede, niet de mijne”. Men wil dus eigenlijk, wat buiten wil staat.

III. Tod und Unsterblichkeit

Het anorganische krijgt grenzen door uitwendige oorzaken, organische door inwendige. Door het sterven krijgt het levende een vorm. Men moet zich bevrijden van de parcenvoorstelling. Echter al van begin af worden sommige cellen oudsch. Zoo min wij geheel in eens geboren worden, zoo min sterven wij geheel in eens. De begrensdheid van het levensgeheel door den dood van vormgevende betekenis. Meeste natuurvolken hebben voorstelling dat men om te sterven gedood moet zijn. Bij Shakespeare sterven de hoofdfiguren noodzakelijk, maar de bijfiguren toevallig: zij worden omgebracht onverschillig voor wann of ob. Kant heeft ons misschien overtuigd, dat er apriorische elementen van erkennen zijn. Maar niet zeker welke precies.Wat zeker schijnt, wordt weer onzeker. Misschien later weer onze algemeene wetten weer uiteen gevallen in individueele gevallen en als bijgeloof beschouwd.

Christendom: dood kan slechts vernietigen wat niet eigenlijk leven is. Maar daar past niet belangrijkheid van stervensmoment en bekeering. Beter past: dat door heele leven toekomst bepaald wordt. Er voor is echter dat men ook in ouderdom nog tot iets goeds in staat is. [Leeft God? Is leven hoogste? Beter Spinoza: God oneindige attributen, waarvan alleen denken en aanschouwing vatbaar.] [haken hier gebruikt omdat passage uit noot komt; PHB]

Dus dood vormend element van leven. Hegelsche formuleering nergens dieper dan bij dood: Het leven vordert het andere: de dood. Dus these en antithese. Hierboven hooger: “Werte und Spannungen unseres Daseins, die über Leben und Tod hinaus sind.” Leefden wij eeuwig dan zou het leven met zijn waarden en inhouden ongedifferentieerd versmolten blijven. Door sterven ervaren wij leven als iets toevalligs, zoo opmerkzaam gemaakt op waarden van dood en leven onafhankelijk. Maar zoo echt leven tot volle beteekenis. Tot vorming van continu ik moet ook gediend hebben de Unzulänglichkeit tusschen triebe [en] vermogens en reale vervulling. Een bevredigende verhouding tusschen wil en werkelijkheid zou ik minder doen opkomen. Zo menschen, die veel teleurstellingen ondervonden meestal ausgeprägter en onveranderlijker ik dan zij, die alles glad is afgegaan. Men ziet het ook aan gelaatsuitdrukking. Hoe meer wij beleefd hebben, hoe meer het ik zich markeert als het continue.

Onsterfelijkheid – Sehnsucht om het ik ganschelijk los te maken van toevallige aparte inhouden. Het object valt dan weg. Dit behoeft geen leven van de ziel te zijn, kan andere vorm zijn. De ziel kan niet zonder lichaam leven, maar misschien wel bestaan. Naif: onsterfelijkheid = eeuwig leven. Uit niet vervuld zijn van levensproces door zijn inhouden.

Ook nog: algemeen gevoel van oneindigheid der ziel, die zich niet met sterfelijkheid verdraagt. In iedere mensch sluimeren mogelijkheden anders te zijn dan hij geworden is. Op een andere plaats geboren zou hij heel anders geworden zijn. Dus onafzienbare spankracht en energie. Dus toevalligheid in het resultaat; dus gevoel van vaderlandsloosheid en zoo mystisch gevoel van ik dat al die toevalligheden overleeft.

De individualiseering, die vooruitgang beteekent, is ook drager der vergankelijkheid (eencel – veelcellig). Het onindividueele wezen leeft een leven, dat niet geheel zijn eigen is. Met de laatste gaat minder verloren dan met de individueele. Zij zijn meer onsterfelijk dan de individueele. De dood is de prijs, waarvoor wij de individualiteit krijgen. Stof en vorm zijn beide onvernietigbaar, maar vormen vernietigbare enkeldingen. Maar sommige combinaties lichter te herstellen dan andere (standbeeld, bloemruiker). Individueel = moeilijk weer te krijgen (def.). Zoo dus ongehoorde spanning tusschen leven en dood. Dus hartstochtelijk verweer. Onsterfelijke leistungen = niet van geslacht tot geslacht. Maar de wereld is nu als geheel zooveel rijker geworden; mogen haar existenz formen morgen breken, dit werkelijke is niet meer ongedaan te maken. “bleibt ein überzeitlich unwiderrufliches Wertplus des Daseinsganzen” 6 Het rijk der ideeën is rijker geworden (al of niet door bewustzijn gedacht); zooals een kunstlerische vorm door alle tijden gereproduceerd kan worden als een eeuwig model, als materie-origineel weg is. Hiermee antinomie weg tusschen eenmaal ontstaan en eeuwig voortduren.

Maar men kan ook zeggen: ideeen hebben eeuwig bestaan; het is weererkennen. Het is alsof wij het al wisten. Zoo ook met leven, getracht naar beneden te verlengen. Zielewandeling. Zoo gemodificeerd: Kontinuiteit der elkaar aflossende individuen samengehouden door Wesensgesetz. Zooals door een menschelijk leven een ziel wandelt, die eigenlijk telkens een andere is, zoo kan ook de ziel door vele lichamen en levens wandelen in het groot. In het eerste geval stroomt een levensstroom; in het tweede ook.

[vluchtig gelezen]


Noten

1 (Levens)stroom in De apelbeam (als eeuwige stroom; SF 26, 1903); Ik dreamde my (als machtige stroom; SF 138, 1920); De lêste dei (als levens warme bloedstroom; SF 140, 1921); Romantyk (als stroom; SF 144, 1922); Sneintemiddei (levensstroom; SF 145, 1922); Printeboek foar rein’ge dei (levensstroom; SF 339, 1922); It libben dat fergong (verre stroom; SF 161, 1925) en meer daarna.

2 Postma las in 1902, dat is nog in het jaar van verschijnen, van Wilhelm Ostwald, Vorlesungen über Naturphilosophie. In zijn uittreksel van het boek (in de schriften Filosofie 5 en 6) noteerde hij: “leven = energiestroom in een beeld”. Hij gebruikte het beeld voor het eerst in het gedicht De apelbeam van 1903.

3 Wilhelm Wundt, Einleitung in die Philosophie; uittreksel in schrift Filosofie 6, ca. 1902.

4 Van het Wertplus bij Simmel maakte hij Wertplan: zie hierna.

5 Zie ook Breuker, Oer wittenskip en poëzy by Obe Postma op grûn fan syn oantekenskriften, De Vrije Fries 62 (1983) 69-83.

6 Simmel is bijna het laatste boek waarvan Postma in zijn schriften Filosofie een uittreksel heeft gemaakt. Er volgen alleen nog een uittreksel uit J.A. dèr Mouw, Verzamelde werken IV, Het absoluut idealisme [1948] en uit een artikel van Sjoerd Leiker in Het Vrije Volk van zaterdag 14 febr. 1953, “de Friezen hawwe net genôch eigens mear”. Maar dan volgt nog als toevoeging : “Het verleden blijft een boventijdelijk altijd onherroepelijk iets in het Wertplan des Daseinganses. Het geheel is de gehele geschiedenis van het bestaande. Er komt dus steeds iets bij, maar het latere is niet belangrijker dan het eerdere. Belangrijk is wat het meeste gevolgen heeft.” Het Wertplus van Simmel is dus Wertplan geworden. Postma kon zijn eigen schrift niet lezen, maar dat is niet erg, want met dat Wertplan drukt hij precies het bestaan uit zoals hij dat begreep en voelde. Voor hem was het voorbije leven dat bewaard zou blijven alle leven, voor Simmel alleen de prestaties van genieën.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *