Obe Postma, Oude boerenwoorden

Postma heeft in de loop van vele jaren naast talloze andere archivalia ook duizenden boedelbeschrijvingen uit de zestiende tot de achttiende eeuw in Friesland doorgenomen en vastgelegd in honderden schriften vol aantekeningen. De schriften zijn sinds kort opgenomen in de Obe Postma Samling in de verzameling OPS van Tresoar te Leeuwarden [noot 1].

Postma’s aandacht ging niet vanaf het begin naar deze bronnen uit. Eerst bepaalde hij zich vooral tot de proclamatieboeken, waarin hij gegevens over grondbezit en gebouwen vond, maar in de loop van de jaren kwamen daar de boedelbeschrijvingen bij. Die leverden hem aanvankelijk vooral de stof voor zijn kennis van het boerenhuis. Pas later kwam daar ook de belangstelling voor zaken als gereedschappen, huishoudelijke artikelen, kleding en interieur bij.

 

Over het boerenhuis liet hij zich voor het eerst uitvoerig uit in een lezing van 1928 en meer definitief in een opstel in De vrije Fries van 1937 [noot 2]. De geschiedenis van het grondbezit rondde hij af in het pionierswerk De Friesche kleihoeve, dat van 1934 is. Daarin ontvouwt hij stap voor stap terug in de tijd de geschiedenis van de veldindeling en van het grondbezit in relatie tot boerderijen. Het was het voorlopige sluitstuk van ruim twaalf jaar intensief archiefonderzoek. De veldindeling zou hem daarna nog lang bezig houden.

Maar nu, zo rond 1934, vond hij een nieuw werkterrein in de geschiedenis van het dagelijks leven van de boeren. Ook die kon hij vinden in de boedelinventarisaties. Daarin trof hij naar eigen zeggen nogal eens een woord aan waarvan hij de betekenis niet wist en ook niet in een woordenboek kon vinden. Toen hij in hetzelfde jaar 1934 in Leeuwarden kwam wonen en al zijn tijd aan archiefonderzoek en studie kon wijden, was er wel eens iemand die hem kon helpen. Zo vinden we al spoedig ophelderingen van mensen als S.J. Hoogland en D.D. Osinga, die hij bij hun onderzoek op het Rijksarchief ontmoette  [noot 3]. Het gaat dan om woorden uit de Bouwhoek, zoals raapzaad (schrift F117), ploegpars (F139) en scheckjoele (F155), waar Postma minder bekend was en zij juist vandaan kwamen. In Groningen had Toxopeus hem overigens ook wel eens een woord verklaard. Maar veel woorden zijn het er toch niet.

Niettemin zal hij hoop hebben gevat dat er meer kenners waren die hem konden helpen en zo deed hij in het tijdschrift It Heitelân van 1936 een verzoek om hulp. Als voorbeelden van zulke moeilijke woorden uit wat hij oude boeren-inventarissen noemt, geeft hij ater, reykles of raekles, garter, jaut, boterjalter en cophoed of coophoed. Ze staan in de schriften F138 tot F153. Kennelijk heeft Postma kort na het aanleggen van F153 de behoefte gevoeld om die hulp te vragen bij het al maar in aantal toenemende onbekende woorden. Het is niet bekend of er reacties zijn geweest. In It Heitelân staan ze in ieder geval niet.

Eerste bladzijde van het schrift  WoordverklaringMogelijk heeft hij toen besloten zijn woordverklaringen in een afzonderlijk schrift bijeen te brengen. Het omslag van dat schrift is niet meer bewaard, maar waarschijnlijk heeft het “Woordverklaring” geheten.  Dat staat namelijk boven de eerste aantekening op bladzijde één. De aantekeningen, inclusief de verklaringen, zijn gehaald uit wat men de bronschriften zou kunnen noemen, dat zijn de schriften waarin hij rechtstreeks uit de bronnen aantekeningen maakte.

De woorden zijn geordend per bronschrift. Eerst verwerkte hij de schriften met aantekeningen uit Groningen. Hij haalde de woorden uit Gr42 tot en met Gr50. Vervolgens deed hij de schriften Friesland, waarvan hij de eerste woorden aantekende uit F116 en de laatste uit F290. Gr42 is van mei 1934, F111 ook, dus F116 moet van iets later zijn [noot 4].

Het schrift “Woordverklaring” is waarschijnlijk niet in één keer samengesteld. Er zou een tweede ronde begonnen kunnen zijn na F188 of daaromtrent. Onder toevoeging van het nummer van het schrift alfabetiseerde hij de woorden uit “Woordverklaring” namelijk in twee schriften, “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II,” waarvan I globaal genomen de woorden uit Gr en uit F die tot en met F188 bevat en II die uit de rest van F. Niet alle verklarende aantekeningen uit “Woordverklaring” zijn steeds bij elk woord in de schriften “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II” overgenomen. Die schriften bevatten ook woorden die in “Woordverklaring” ontbreken.

Eerste bladzijde van het schrift Woorden  alfabetisch I“Woorden II” laat zich goed dateren. Na de letter A volgt namelijk een uittreksel uit een recensie van literair werk uit het Handelsblad van 7 februari 1947. “Woorden alfabetisch I” is duidelijk van eerder datum. Ik houd het er voorlopig op dat hij eerst zijn boekje over de Friese boerderij en het boerenleven in de zestiende en de zeventiende eeuw heeft geschreven (dat in 1937 uitkwam) en toen “Woorden alfabetisch I” heeft aangelegd. Dat zou dan omstreeks 1938 of iets later kunnen zijn geweest. Er zijn nog enkele aanvullingen uit later jaren.

De beide schriften “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II” verwerkte hij op hun beurt weer in een vierde schrift, “Woordenlijst” geheten. Daar staan trouwens ook een aantal woorden in die in die beide schriften niet voorkomen. Dat schrift “Woordenlijst” geeft de woorden ook in alfabetische volgorde, maar nu ineen geschoven en zonder vermelding van het bronschrift. Het is een eigengemaakt schrift, bestaande uit omslagen van karton en dubbel gevouwen bladzijden foliopapier. Over een dergelijk schrift lezen we in een brief van hem aan J.H. Brouwer van 8 april 1948 dat hij het maakte omdat de papierkwaliteit beter was dan die van de schriften uit de winkel.

Het kan niet voor 1947 zijn aangelegd, omdat “Woorden II” van dat jaar is, maar het zal ook niet van veel later zijn. Als het dat immers wel zou zijn, dan valt niet in te zien waarom de woorden uit F290 nog in de lopende lijst zijn meegenomen, maar die uit de latere schriften (het laatste zou F365 worden) niet meer. Woorden daaruit zijn duidelijk herkenbaar als latere tussenvoegingen. F290 valt rond 1948 te dateren. Ik ga er daarom van uit dat “Woorden II” gemaakt is met het oog op het samenstellen van die “Woordenlijst.”

De latere toevoegingen zijn niet talrijk, maar ze werden nog lange tijd gemaakt, Zo komt een heel enkele keer nog een woord in balpen voor, dat op grond daarvan rond 1960 gedateerd kan worden. De aanvulling “Ook volgend stuk land.” bij “folger” is er zo een. Rond diezelfde tijd moet Postma in F347 ook nog woorden uit Gaasterland bijeengezet hebben.

Het valt niet goed na te gaan of Postma een bepaalde reden had om rond 1948 zijn “Woordenlijst” samen te stellen.schriften-3-kleinMogelijk is hij ertoe geïnspireerd door de grote belangstelling voor lexicografisch werk toen in de Frisistiek. Vanaf de late jaren dertig werden oudfriese rechtsteksten met woordenlijsten uitgegeven en de Fryske Akademy was spoedig na haar oprichting in 1938 druk bezig met excerperen van allerlei teksten voor de samenstelling van een veelomvattend woordenboek. Ook zou de toen sterk toenemende belangstelling voor veld- en waternamen een rol hebben kunnen spelen. Die komen ook nogal eens in de “Woordenlijst” voor, ook meer uitgewerkt in de ‘Nadere bijzonderheden.’ De Akademy richtte allerlei werkverbanden op, waarvan hij (al over de tachtig) nog een werkzaam lid werd. Hij zal genoten hebben van de institutionalisering van onderzoek waarin hij was voorgegaan, ook al dichtte hij dan in 1950 fier: “En haw ik net jimmer de wittenskip foar my om myn wurk te siikjen (mei of sûnder wurkferbân?).” [noot 5]. Voorop bleef staan de eigen belangstelling voor het boerenleven.

De “Woordenlijst” is nooit uitgegeven, zelfs voorzover ik kan overzien niet door iemand anders dan Postma zelf ooit gebruikt. Toch is hij om meer dan één reden van belang. Ik noem er een aantal. Het onderzochte materiaal is zeer omvangrijk. Het omvat naast enkele oudere stukken uit de Middeleeuwen duizenden stukken uit de tijd tussen het midden van de zestiende eeuw en 1800. Postma heeft het zorgvuldig bewerkt door het combineren van vermeldingen en het raadplegen van woordenboeken. Het gaat hier om woorden uit een type bronnen dat nauwelijks doorgedrongen is tot het materiaal waaruit woordenboeken worden samengesteld. Woordenboekmakers kunnen er dan ook veel van hun gading in vinden, niet alleen voor Friese woordenboeken, en voor wat die Friese boeken betreft, zelfs voor een woordenboek van het Oudfries. Het bronnenmateriaal dat Postma onder ogen heeft gehad is überhaupt trouwens nog nauwelijks benut. Ook op het gebied van de materiële cultuur is er nog weinig mee gedaan, al heeft hij zelf er wel het nodige uit gehaald en zijn in recente tijd elders ook vergelijkbare studies op boedelinventarisaties gebaseerd. Zo kunnen met name onderzoekers van de materiële cultuur in Friesland er een schat aan gegevens in vinden. Het materiaal is vaak moeilijk leesbaar en dus zeer tijdrovend om te raadplegen. In deze “Woordenlijst” van Postma wordt in een eenvoudig overzicht een wereld ontsloten. Wie geïnteresseerd is in een woord, kan met de verwijzingen in “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II” bovendien het betreffende archiefstuk eenvoudig vinden.

Om al die redenen wordt die “Woordenlijst” onder toevoeging van de verwijzingen naar de bronschriften hier nu uitgegeven. Maar daar komt nog iets bij. Voor de kennis van Postma zelf is zo’n uitgave ook van groot belang. Er rijst een beeld uit op van een man die heel het Friese leven wilde omvatten. Dat was voor hem het leven van de mensen op het land, met name van de boeren. Hij kon noch wilde er zich als boerenzoon los van maken. Zijn bronnen zijn vooral de archieven van de grietenijen geweest en dat zijn vooral stukken die betrekking hebben op boeren. Daarom kunnen deze woorden dan ook boerenwoorden heten, al omvatten ze meer dan alleen leven en bedrijf van boeren.

In de hier volgende editie wordt het schrift “Woordenlijst” integraal uitgegeven. De woorden verschijnen er in de vorm waarin Postma ze in de bronnen aantrof. Van standaardisatie is dus geen sprake en dat betekent dat de gebruiker wel eens even moeite zal moeten doen om het woord te vinden dat hij zoekt. Toegevoegd uit de schriften “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II” zijn de signaturen van de schriften in welke ze uit de bronnen zijn aangetekend. Dat zijn op enkele uitzonderingen na de schriften Groningen en vooral Friesland. Die signatuur is achter het lemma in de eerste kolom gezet. Wil iemand weten uit welk archiefstuk een bepaald woord komt, dan zal hij het desbetreffende bronschrift moeten raadplegen. Een heel enkele keer heeft Postma verzuimd zijn bron te vermelden.

De verklaringen in de tweede kolom zijn aangevuld met bijzonderheden uit de schriften “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II” die in de “Woordenlijst” ontbreken. Dat kunnen nadere verklaringen, vindplaatsen en bronnen van de woordverklaring zoals woordenboeken of zegslieden (namelijk collega onderzoekers op het archief) zijn. Een vrij groot aantal woorden uit “Woorden alfabetisch I” en “Woorden II” nam Postma niet over in zijn “Woordenlijst.” Bij veel ervan staat geen betekenis. Een aantal heb ik in de volgende uitgave toegevoegd. Ze zijn te herkennen aan een *. Achter sommige rijen woorden in de “Woordenlijst” liet Postma in een rubriek ‘Nadere bijzonderheden’ meer uitvoerige beschouwingen over de betekenis van een woord volgen, die hij op de plaats van het woord in de rij kennelijk te uitvoerig vond. Die ‘Nadere bijzonderheden’ zijn in deze uitgave samengebracht aan het eind van de letter Z.


Noten

1 Een beschrijving van de schriften met een globale datering van hun ontstaan is te vinden in Ph.H. Breuker, ‘Oer wittenskip en poëzy by Obe Postma,’ De vrije Fries 62 (1983) 69-83.

2 Zie over de geschiedenis van het onderzoek naar het Friese boerenhuis en Postma’s plaats daarin: S.J. van der Molen, ‘Aandacht voor het Friese boerenhuis’ in: De vrije Fries 62 (1982) 81-101.

3 Andere informanten op het Leeuwarder Rijksarchief blijken de historicus G. Kramer en de archiefambtenaar A. Corée te zijn geweest.

4 In het schrift “Woorden alfabetisch I” wordt een keer OF28 als bron opgegeven; dat is een schrift Oost-Friesland.

5 Samle fersen (ed. 2005) 304 (‘Nee, ik haw net safolle winsken mear;’ S304). Het jaar van ontstaan van het gedicht is niet toevallig. In 1950 hield hij namelijk tot twee keer toe een lezing voor het Toponymysk Wurkforbân van de Fryske Akademy over bepaalde woorden uit deze lijst. Het gaat om hemrik c.s. (op 11 januari) en waar-weer (op 11 oktober) (archief Top. Wurkforbân, Fryske Akademy, Leeuwarden).

 


 

Woordenlijst

Klik op de beginletter van het woord: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A
Aech zich uit water verheffend land, eiland
Aecker, aker, akker (F157, F161, F163) bolletje, zaadbol, kwastje
Aedeel, aydeel, adeel (F214, F221 en verder plaatsen in RvA 1511, Ben.boek 1543, Sipma OFO) wettelijk of verplicht deel, maar ook wel waterig land zie ook Nadere bijzonderheden
Aeland (Sipma OFO I, 363; Ben.b.211a) waterig land
Aelest (Sipma OFO I, 341) wettelijke last
Aelschoeier, -schoger (F142, F143, F160), -teek (Gr42) aalschaar, tang met metalen tanden, waarmee men alen vangt
Aemswerts (F213) Amersfoortsch
Aercken, arcken, ercken (F163, F164) ark, zeemans kist, bedstoof
Aewar (Sipma OFO I, 161) wettelijk bezit
Amadijs (F282) violetkleurige steen (M.N.W.)
Ameren (teykenen aan gitten paternoster) (F163) van barnsteen
Anijswater (F141) een sterke drank, waarbij anijs gebruikt is
Antipendium (F 199) voorhangsel voor het altaar
Aposteltje (aan zilveren lepel; F214) Apostelbeeldje
Appeltoytster (F215)
Armesijn (F214)
Arten (F148), zie erten Beweiden
Ater (F143) ploegketting (zo zegt Lex. Fris.; echter in Smallingerland naast “een ploegh ketten.” Volgens Hijszeler Termen en gebruiken van het boerenbedrijf in Drente is het “een omgekeerd u-vormige ijzeren beugel met naar buiten ringvormig verdunde uiteinden.” Het dient met ketting enz. om het voor en achterdeel van de ploeg te verbinden (raploeg n.l.)
Avent (calcks) (Gr 50) Oven (M.N.W.)
B
Baardslede (F141)
Backemmer (Gr46) Emmer beneden wijdst, gebruikt om water aan de koeien te geven (TL, Groningen)
Backschapert (F161) Haak voor emmer van regenbak
Balie (Gr46) Groote platte tobbe (Groningen)
Banckwerck (kussens) (F117, F282) Kussen om op banken te leggen; ook fijnere kussens (M.N.D.; Wümken bl. 68)
Bandt (F94) Buitendijks land? waarvan bandtbrief (Civ. Sts 2, Hof)
Bantholten (Gr47)
Barckemeijer (F134-1360 Drinkbeker uit een stuk berkenhout gemaakt met de bast er om heen en met hars gevernist (Br.W.)
Bardesaen (F155, F180) Soort van hellebaard (G.W.)
Becrodigen Aan zich trekken en zich aantrekken
Bedmes (F131, F135) Scherp stokje, gebruikt om het bed op zijn plaats te houden door er voor (meest 2) in het stro te steken (F151)
Bedrijf (F244) Rechtsgebied (van Harich en Bakhuizen)
Bedstove (F132) Beddepan
Beecken (F302) Varkens (M.N.W.)
Bef Losse kraag (M.N.W.)
Beheefd (B.B. 444 en F244) Daarvoor bekend staande en daarnaar aangeslagen
Bercoen (F132, F194) Steunbalk (bracon); paal
Berge (F146) Berrie
Berger goet (F165) Aardewerk (steengoed) van Bergen op Zoom
Berijden (Boeles, Ameland; F187, F199) Het dak langs gaan om met riet of lei te dekken
Beschot (of beschut) (F239) Gebied van een bepaalde plaats
Beschut (b.n) (F208) Afgescheiden of met een schutting omringd; berg met schotten er omheen (1680)
Beun Zolder of hooge vloer
Beunsouw (F150)
Beware (F128, Sipma II p. 318) Waarnemer of bewaarder
Biemsters (F226) Velden in oostelijke polders te Holwerd
Bierbeschoyer (Osinga)
Bierstelling (Gr46) Stelling om vaten bier op te leggen
Bijemes (F206) Mes, waarmee men en zwerm bijen in korf doet
Beheefd (van land) Daarvoor bekend staande en daarnaar aangeslagen (zie boven)
Bijntlijff (F121)
Bijsetten (F199) In orde brengen
Blaffertkan
Blanck (F184) Muntstuk van kleine waarde, soms minder, soms meer dan een stuiver. In 1590 = ¾ st. (F187); ook omstreeks 1600 (F72)
Blinckkalk (F199) Witkalk
Blind(e sloot) (F181) Drooge sloot
Block Breed stuk land (zoo S2 Gaaterland: een breed stuck ofte block saedlant)
Blockwagen (F285) Timmermanswagen voor zware lasten (v. D.)
Blomsterafenne (S. II p. 320) Fenne te Franeker buiten de Noorderpoort
Boe (of boedt) (F62, Gr36, Gr46) Schuurtje
Boedemers brief (F212) Hypotheekbrief op schip
Boegelde stoelen (F129, F214) Stoelen met beugelleun
Boenhaar (Gr48) Beunhaas = klein ambachtsman, die op zolder werkt
Boickt (F153) Buik (fr. boaits), ook voor wei of graan
Bolckevanger Dikke, korte pij door visscher gedragen (bolk = golf) (Gr.W.) Bergsma: soms “mollefanger”
Bolle (F185, B.B. 380a,b) Bol stuk land?; ook wel een stuk boter
Bollinck (Gr47) Een vischsoort
Bolpacht (B.B. Z. 3a) Pacht bestaande in bollen (tarwebrood)
Bombazijn (Gr96) Grof weefsel. In later tijd half linnen, half katoen. Misschien vroeger half linnen, half wol.
Bon (of bun) Mand of bak voor visch
Bond (Gr43) Bundel (TL)
*Bonhuis (F199) Huis waar de bonmeesters vergaderen. Bon = aandeel aan dijk die onderhouden moet worden.
Boosiet (F117, F163) Koffertje
Borat Kleedingstof (brat)
Botsriep (F284) Botnetten
Bott (F295) Boat = uiteinde van dijk dat is blijven staan als er een gat in geslagen is. Heet ook nol. De boat van de zijl te Hindeloopen is de stukken dijk, waartusschen de zijl gemaakt wordt.
Bouwen of boude Kleedingstuk van goede stof (overrok)
Braenbanck (te Makkum) (F14)
Brandsteen (F211) Barnsteen
Brattemie (F211) Kleedingstof
Brekefeller
Briede (F288) Groote vork voor hooioppers
Brink (F176; Kramer vond het te Hoornsterzwaag en (of?) Jubbega-Schurega) Het perceel van de boerderij, daar het huis op staat. Plein te Veenklooster (v.d.M yn Noorderland)
Broutschip (F26, F213, Ch. III 53b, S. II p. 39) Een schip waarmee een “brout” bier vervoerd wordt of ook gewoonlijk = brouwersschuit; 2 x 105 mand turf (F26); 1 schouw is 40 mand
Bruijtobbe (F206) Tob om te broeien
Buckkussens (F129) Buikkussens, waarbij ook buik = het lichaam zonder het hoofd (M.N.W.)
Budde (of bodde) (Gr43) Slee met bak er op (Groningen). In Fr. ook gewoon “slede.” (F.W.)
Buefspinne (F148) Buffet of buffetspinde
Bunhús Uitspraak van binhús in de Dongeradeelen
Burg In den Z.W. hoek een woord als waar; schijnt allerlei soort van landbezit te kunnen zijn.
Bussen Zakken
Butehuijs (F202) Bûthús reeds vóór 1520 [in “Woorden II”: 1550]
Buur Huis
C: zie K
D
Dackblessen (F142)
Daalder (dorps- of stads-) (F187, F209) Belasting op wijn, bier en gedestilleerd; heet zoo, omdat het 30 st. is voor de ton bier, buiten Fr. gebrouwen; en 20 st. voor inlandsch bier. De Staten stonden nog al eens toe deze belasting ten voordeele van de kerk te heffen (Zie o.a. F225 en 226, F187, Ts. IV 424).
Dare (of eest) (F164) Oven als drooginrichting
Dauwerck (F176) Dagwerk, waarin turf of veen werd uitgedrukt. In Haskerland lengte 1 d = 5 r; 1 r = 10 v; opp. 1 d = 25 vierk. r, 1 r = 10 vierk. v of = 100 vierk. V Zie ook Nadere bijzonderheden
Decken; deecken (F202; echter in het Stadsrecht Bolsward “deker”, ook in F232) Tiental, in het bijzonder huiden
Deespae (F129) Spade om deeën (diden of dompen) te steken (cf. dij)
Deisvork (F198) Vork om het spek mee van de deizen te nemen
Deminge In gebreke stelling
Deursclippen (F132) Klipp wisselt af met klapp (Br.W.)
Dij (F282) Mest om te branden (deeën of diden) in Gaasterland (cf. deespae)
Dilakker (F[niet ingevuld]; cf. B.B.131a) Straat en gracht te Bolsward en Franeker (van “dillen” = graven) (“dilte ofte gravinge”)
Dilarck (F288) Graafgereedschap in het veen
Dingel (F186, F194) Tengel = groote spijker of klepel
Doeits (F175)
Dompmatten (F232) Matten om de dompen op te leggen; worden wel met hekken en hekstokken overgenomen
Donggriet (F130) Donggrijp (vork)
Dongrangens (F174) Krauwel?
Dootskop (Gr43) IJzeroxijd voor verf (K.)
Dorpland (Gr34) Terpland
Dracht (F175) Zijdzilver (bras)
Dredel (F116) Kan of vat met inhoud van 3 deelen
Drieling (Gr36, F206) 1. deel van vol-erf; waarschijnlijk ¾;
2. deel van mengel (3/4 of 1/3)
Driestok (Gr45) 3 staken, boven aan elkaar bevestigd, waar de zeef aan hangt (T.L.)
Drijlle (of trille) (F146) Klos bij het spinnen gebruikt (T.L.)
Droge leeuw (F170) Naam van plaats te Ternaard
Drogeldoek (F220) Doek om af te droogen
Droom/ dromen hoed (F221) De einden der draden van een weefsel (M.N.W.)
Duerslagh (Gr43) 1. stift om gaten mee te maken
2. zeef, waarop iets gelegd wordt om uit te lekken (O.F.W.)
Duif of doef Mijt (in de Stellingwerven)
Duiker (F123) Spijker, met kop in het hout
Duelincksvlas, dulksvlas (F152)
Dwaal (F117) Handdoek of tafellaken
E
Ealijff (of oelijff) (F205) Overlijfje, te Hindeloopen
Edelschabel (F219) Eetbankje
Eebert (F219) Eeburen (in Gaasterland)
Eelop of eenlop (F150) Enkele zijl
Eerdlatten (F283) Daklatten (worden in verband met roop genoemd)
Eernde schapen (F204) Bevruchte schapen
Ees Bijeen gelegen bouwlanden van verschillende personen, haast als Drentsche esch Zie ook Nadere bijzonderheden.
Eeslok (F131, F149) Klamp hooi
Eester (F193) Melkplaats, maar ook wel afgescheiden hoek tuingrond of bouwland Zie ook Nadere bijzonderheden.
Eetholten (F144- F147, F282-284) Planken, waarop het voedsel voor de koeien gelegd wordt Zie ook Nadere bijzonderheden.
Eijem (B.B.340b) Hiem? Of jemme (zie daar)
Ellemeinesland Almende (land van de gemeenschap)
Entlingen (F219)
Enckel golden Fl. van 28 st.
Ercke (F283) Ark
Ertland (F214, F215) Weideland (in tegenstelling met maadland) (“ertburgen” te Scharl staat tegenover “miedburgen”; zal ook wel weideland beteekenen).
Etting (F92) Naam voor stukken land te Workum; meest maadland, maar ook een enkele maal fenland
F
Faan Een biermaat
Fal (zaadland) Stuk grond van zekere grootte. Niet steeds bepaalde grootte. Zal meer betrekking hebben op den vorm: is een breed stuk land; breeder dan gewone akkers. Oorspr. beteekenis = breed stuk, bijna vierkant. (1/2 lopen of ¾ in B.B. 210a)
Falder (Gr81) Schaapskooi; mesthoop (eigenlijk afgeschoten plaats)
Fanne (F189) Biermaat
Federstok Spies
Feerjager (of ferjager) (F142) Lange stok om vogels mee te verjagen; maar misschien ook wel eens: roer
Feildoek (Gr43) Doek om mee te dweilen (Groningen)
Feinsterrijsen (F132) Horren (waarschijnlijk meest buiten)
Feijtel (Gr97) Kinderslabbe
Fenegriek of semigriek (F133, F134)

Filemort (= feuille morte) (F132)

Kleedingstof van die kleur
Filense (hoeden) (F211) Van Florence
Fileringe (F131)
Fijme (F174) 100 schoven = 10 gaesten
Fioel (F155) Flesch
Firndelstal (vernstal) (B.B. 210e) Bouwland voor ¼ lopen zaad
Fitsen Bijeenhalen en opsteken (fits forcke, F161)
Fitsgerecht (F200) Malefeitsgerecht
Flab (F132) 3 kant hoofddoekje (K.)
Flagger (F199) Hekkel of houwe
Flappen (F132, OF28) Hoofdband
Flax (Schot. Tabl. 131) Een maat
Flijger (F212) Wijde mantel voor mannen en vrouwen (M.N.W.)
Flipp(i)e (F184) Pl.m. 7/8 stuiver
Flijser (F214; lees: flijger? PHB) Een geldstuk
Fljochte (F145, F146) Vlechtwerk (M.N.W.); ook fljochter, vljochter, vljochte
Flotdeel (F129)
Flotpraam (F145, F175) Grootere praam (F.W.)
*Floreenbelasting (F214) Vermoedelijk vast in 1571; jaartax op stadshamrik begonnen in 1560 ongeveer; omstreeks 1571 meer dan één gewoonlijk
Foerlaken (F154) Laken om ook als voer te gebruiken; ook servet
Folger (F131) plankje op kaas en kool, waarop gewicht. Heet ook zetter. T.L. Ook volgend stuk land.
Fook (F283) Focus = bozem
Friese muts (F132) Muts van wol of linnen
Fuerharstee (F218) Haardstede (vertegenwoordigt lasten en rechten van huis)
Fuijle (bargen) (F218) Drachtig (van varkens en paarden)
Fullinge Toegemaakt land in het veen (waar de er afgegraven bovengrond weer over heen gestrooid is?)
Futselje Snuffelen, zoeken
G
Gaart (gart) (F174) 10 schoven. Ook naam voor “hok.”
Gadde (F174, F175) Smalle schop met beugel (zie Botke Dantumadiel)
Gadden (F145, in F175 iets anders) Vischsoort
Gaere Mannetjes gans
Gaerslag (F143, F185) Stok met plat blad om mee te roeren (Osinga, Corée)
Gamen keesen (F163)
Gansoog (F134) Soort weefwerk
Garsvellen (F206) Vellen van graskalveren
Garter (F153, F167, Ch. I 558a) Botermaat; misschien garte (m.h.d.) = emmer
Gatten (F206) Smidswerktuigen
Geent (F220) Achterste kamer van huis
Geers (F206) Fijn buitenlandsch gras of zeewier (M.N.W.)
Gepikeerde (schoenen) (F162) Bestikt
Gepijpt (F152) Op pijpen gewonden (van garen)
*Gerdt (F61) Roede
Geribbelt vlas (F162) Vlas, na het braken gehaald over een door botheid gekarteld mes (M.N.W.)
Ges of gies (F196, F292) Vaart als grens gebruikt. Waar?
Getrilt (garen) (F162) Op klos gewonden
Gevarst (F231) Ongewenscht (verl. deelwoord van wearsgje) (van bijzitter)
Gewers (? PHB) vlas (F162)
Gijoele, giola, guele (F116, F151) 1. kooi
2. gaffel
Gijolde, gijelt (F145) onbevrucht (geld)
Gijsten (Gr42) Botermaat (Groningen)
Gijteling (F204)
Glu(i)pe (F141, F142, F154, F158, F159, F198) 1. wieg of ook, met rollen, = kinderloopstoel of misschien: kinderwagen
2. latwerk in eendenkooi (Molema)
Gluipestoel (F131) Vrijwel hetzelfde als gluipe, 1.
Gollen (F29, F230, F244) Laag land
Gooserij (F123) Geuzentijd
Grand, granje (F223, F224) Fijne kiezel of schelpen of ander fijn goed
Granddijk (F227) Dijk met schelpen, aliekruiken en derg. verhard (Holwerd)
Grauwert (F151, F206) Steenen kan
Greeter (F164) Zeemanskist
Grein (F206) Bepaalde pepersoort; verder ook allerlei soort van korrels (M.N.W.)
Grensboom (F145, F186) Stok door 2 mannen gebruikt om een vat bier aan te dragen (F.W.)
Griemang Erwten en boonen dooreen
Groede Aangewassen grond; maar ook wel = greide. In Z.W. hoek speciaal grasland bij het huis (F305)
Groeve (F287) Begrafenis
Grude Heete asch
Grudelschop (F145) Schop, waarmeede grude geschept wordt
H
Hacke (F185) Ploegijzer
Hae (S. I p. 322) Hooi
Haed (F198; F215: hoofd) 1. paalwerk in zee; onderdeel van stalt
2. grasland voor een koe
Haegschoppe (F145)
Haektouw (F138) Touw met haak (voor een katrol in de plaats) bij efterbine
Haer (F198, F206) Haardoek = weefsel voor het zuiveren van vloeistoffen gebruikt; ook om vochtig graan te droogen (M.N.W.)
Hagelsprake (Gr98) Hagesprake; buurschapsbijeenkomst
Halsboog (Gr43) Deel van het tuig, waar het paard aan trekt
Halsen (F206) Deelen van huid van beest
Hamerslaan (F59) Kleine ruimte buiten staket
Hand (van wijzer) (F213) Wijzer van wijzerplaat
Harger (F154)
Harlinger netwerk (F214)
Harnasch (F152) Allerlei tuig; ook wapenrusting
Harring (F198) Hartuig
Harthoewer (Gr49) Steenhouwer
Hartshoofd (F160, F206) Beeldje, hert voorstellend?
Haveloos (Gr36) Zonder slooten of greppels
Heelhoesen (F145) Kousen tot boven de knie
*Heeren domeynen (F192) Staat naast tax en floreen, dus misschien heerendiensten
Heers (Gr47) Een graansoort
Heete wateren (F229) Sterke drank
Heylich flas (F167)
Helde Voetboei
Helmroop (F212) Roop om dakstroo of riet te binden van de helmplant
Hem (F176) Begrensd gebied Zie ook Nadere bijzonderheden.
Hempen linnen (F210) Doek van hennip
Hemrik (F233) 1. het gebied van een dorp of buurschap
2. deel van dat gebied op eenige afstand gelegen
3. dijkvak
Zie ook Nadere bijzonderheden.
Hever Lichter in de bedstee
Hiede (Gr43) Korte eindjes vlas, die er uitgehekeld worden (Botke p. 140)
Hijnsel (F213) Bord boven preekstoel
Hisen (Gr43) Bovenstukken van poot van koe, schaap en geit. Bij een varken heeten het schinken.
Hobbekees (Gr46, F221) Kanter kaas (Kiliaan); maar waarschijnlijk meest “ljurreman.”
Hocht (F194, F239) Hoogte?
Hoeftbeest (Gr61) Koe (en paard?)
Hoffenen (F233) De beesten verzorgen
Hoijhaek (F145) Haak, waarmee hooi gehaakt of geplukt wordt
Hoijschoer Paal, waarmee blok hooi gesteund wordt
Hondschoten (F148) Stof, waarvan gordijnen gemaakt worden
Hooijschoffel (Gr43) Hooispa (healep)
Horologium (F150) Uurwerk
Horse (F108) Verschillende waters (vooral in Z.W. hoek van Friesland)
Horspil (F154) Hoarnspil (ketting en touw)
Horst Kleine verheffing
Horwese (F26) Weide waar hoor (aarde) op ligt
Hreil (F221) Linnen stoffen
Huijf (F130, F163) Hoofdsieraad; kap; wolvedak (als zodanig ook “schild”).
Huijlkorf (F156, F158)
Huisdoek (F204)
I en IJ
Ierdewaels (in Achtkarspelen) Roeden wals = aantal roeden wal, dat moet onderhouden worden (zie R3 en R7).
Imme (Gr40) Bij of bijenzwerm
Inderst (F177) Hoofdkussen
Indertoog Hoofdkussen
Instabel (F141) Stijgbeugel
Inwegen (F233) Binnenwegen
Iole (F169) Gaffel
Is Wat elders ees heet. Te Workum zoo “de groote Is.”
Iseren koe (B.B. 377b, F209) Het voortdurende vruchtgebruik van een koe
Iseren melckledder (Gr43, Gr46, later ook temsen melkledder) Zeef
Issen (F188) Bijtkappen
IJdeldobbe (Gr44) Jarregat = urinekuil
*IJsseldoeck (F152) Om over kannen te hangen (maar Pibe Annes [familie van Grote Pier] had een met gouddraad)
IJster (F232) Eester (melkplaats enz.)
J
Jaerkoek (F213) Nieuwjaars- of verjaarskoek (M.N.W.)
Jalt (F164) Houten boterschepje
Jaut of jaelte (F138, F186, B .B. 125b, 337a, 381b) Stuk boter (tsjernt?) Postma merkt erbij op: “of kan het [jalt en jaut of jaelte] hetzelfde woord zijn?”
Jeld (F142, F158) Touw, warmee men de pooten van een paard vastbindt (F.W.) (zie helde)
Jelger of aelger (F139) Tang, waarmee men aal steekt
Jelme of jelne (F145) El
Jelthorne (F203) Plaats waar veen gemaakt wordt (jeldzje = aansteken, F.W.)
Jemme of jem (F283) Streek gronds langs rivier in het zuidoosten van Friesland (Katlijk)
Jemsloot De sloot die dit jem weer begrenst (F306)
*Joelbrief, jowelbrief (F149) Schenkingsbrief, waardoor vast onderhoud wordt bedongen
Juffer (F150, F163, F164, F167) Houten paaltje of blok met ijzeren bout er in voor bed verwarming (M.N.W.)
Jole Giole = gaffel
K (en C)
Kaesiack (F199, F220) Cajaque = overkleed met wijde mouwen
Kaeskop (F162) Kaasvat voor zoetemelksche kaas (G.W.)
Kaets (F151) Draagbaar kastje met hellend deksel (T.L.)
Kaetsbalger (F151) Kaatsraket
Kaij (F215, F219, B.B.380b) Land in den vorm van een sleutel: [met tekening: vierkant met vierkant hoekje uit rechterbovenhoek]
Kaijsel (F168) Zeel voor sleutels; chatelaine; zijzilver
Kaller (F177) Jas; wel van leer
Camelot (F133) Stof van kemelshaar, soms met zijde doorweven
Kamerdoek Fijn linnen
Kaminade of keminade (F59, F199, F202, R.v.A. III333, Emo 1216); canade (F198) Kamer waarin gestookt kan worden, maar later ook pastoors woonhuis en kapittelzaal voor klooster. Ook als “kimna” = hoofdvertrek in boerderij (Groningen, Gr43; T.L.); huis met canade over 3 fack te Teerns in 1733
Kamskorf (F130, F131) Korf van vlechtwerk (?) = viskorf
Cappelstok (F147) Keppelstok
Capues (F174, F185) Kap (kleedingstuk)
Kardeling (F215) Uitstekende balk, kraagsteen, console (M.N.W.)
Cardimon (F133) Kruid, bij het bakken van koek gebruikt
Karnwicht, karnwip (F167) Karnwieg
Karreromp (F164) Bak van een kar
Karwezel (F172, F174)
Casiant (F133)
Kast (F140, F143) Hok of stal voor paard en schaap; heet ook: kou
Kastercoen (F213) Soort van laken
Katraven (F218) Verbastering van: kapraven = kapsparren
Keren (F146) Rongen van een wagen (stutten voor zijdberry)
Kerehalden (of kirrehoeden) (F284) Waarschijnlijk hetzelfde als het vorige
Kernhaantje (F205) Tsjernherne
Kerrot (F165) Kret (mestkruiwagen)
Kerwelwater (F206 (?PHB)) Sterke drank met smaak van kerwel
Cester of cister (F164) Oliemaat van 2 pond (M.N.W.)
*Chiese (F141) Sjees (1702 al)
Kibbe (F129, OF48) Uitkibbinge (van schuur)
Kibrek (F188) Betwist rak of stuk vaart
Kinnen (F284) Een soort biggen (ook kennen)
Kip, kijp, kippe (Gr43, Gr45) Bak met 4 armen, waarin men hooi draagt (Groningen) (T.L.)
Kijpstock (F210) Hoeveelheid visch
Kirrebuikte wagen (F143), kierboeck, karrebuick (F199, F200) Wagen met bak van mandewerk zonder veeren of riemen (T.L.)
Kistedag (F176) Het bedrag, waarvoor goederen te borg staan
Klaeter Een troep ganzen, een bepaalde hoeveelheid; hoeveel?
Klamp (F155) Stuk hooi; deel van golle
Klap (F233) Stroo, op huis gebruikt, speciaal haverstroo
Klapmuts (F161) Soort vrouwenmuts met opgeslagen nek en oorkleppen (F.W.); ook porceleinen kom
Clasimmel (F294) Clavesymbel (in 1648 aangetroffen, bij schoolmeester)
Klese (F182) Hek op dijk
Cletledder (F142)
Klicker (G97) Toffel of schoen met houten zool
Klier (F177, F213 en F137?) Hemdskraag (v.D.)
Kloetsklei (F198) Haak van een kloet
Kluyt (F167) Geldstuk; eenmaal 2 c.g. 7 st. er voor gevonden
Knaap (F151, F163) Staande stang die kaarsen draagt
Knepel (F233) Klepel van klok
Knickinge Wal met hout begroeid tussen de landen (Weststellingwerf)
Knijpgevel (F140) Waarschijnlijk gevel met walmdak
Knuifstok (knoustok) (F130, F131, F143) Stok met knop
Knuppeldoek (F132) Knottedoek
Kodde (F145, F205, F226) Knots, knuppe (M.N.W.), wandelstok; koddeman = veldwachter
*Coepbrood (F222) 11 pond brood aan rogge (Hoorn)
Koete (F233) Boerenhuis; en kan steen hebben (1588)
Koets (F153, F179) Vrijstaande bedstede of ledikant
Compas (F202) Wijzerplaat?
*(Koop)leeuw, lieu, loeve (F59, F145, F169, F188, Gr36, Gr57, B.B.451b, Jus M.Fr. II 58) Luifel (voor koopwaren)
Koord (F210) Tressen en franjes
Kophoed of koophoed (F148, F149, F166, F168, F169, F205) 1. hânfet (in Wonseradeel)
2. behoort bij vrouwenkleding (handtasch?)
Kopslager (F161) Kapsluier
Coptster (F220) Vrouw, die koppen ze; darbij laatcop of laatbos gebruikt
Korkum (F186) Kurk
Korre (F134, F221, Gr42) 1. dood dier; aas
2. sleep of platte vrachtwagen (T.L.)
Korteling (F170, F198, F205) Van korte wol of kort vlas (afval)
Kortlingswijtling (F170, F186, F206) Onderlaken daarvan gemaakt
Kraak (F213) 1. bovenvertrek (Bolsw., Sneek)
2. schip op Middellandsche zee varend (MNW) of voor binnenvart (Van Dale)
Kraaks Met kraak aangevoerd
Kraft (F133; lees: crap? PHB) Gele of roode verfstof
Crans (Gr50, F212, OF48) Ring, waarop, op tafel, een schotel gezet wordt
Krauwel (Gr43) Werktuig met 3 of 4 tanden om mest van wagen te halen (T.L.)
Kreyer (F284) Haan of kip die kraait
Krijten aangezicht (F206) Momaanzicht van gips
*Kritedag (F170) Het bedrag waarvoor goederen te borg staan
Kroft (G98) Naam van een stuk land; meestal kleiner stuk (ook engelsch)
Kroon (Gr45) Waar het garen bij het spinnen op gewonden wordt (horizontale haspel draaibaar om verticale as) (T.L.)
Cruysaet (F167) Geldstuk van goud (eenmaal als waarde 17 gl. gevonden) (Fr.W. 169)
Cruyskamer (F130 (? PHB)) Kamer, dwars op het andere gebouwd
Kruiswerk (F134, G96) Patroon met kruisen bij weefwerk
Kuikinge/ quickinge Scheidwal met levend hout beplant (waarschijnlijk foutief gelezen; zie boven!, knickinge)
Cure (B.B. 335b) Patroonsbeneficie
L
Langet (F198) Een dicht linnen of katoenen weefsel
Een halve lanst (F145) Een korte lans?
Lappe (F111) Naam van een land op verschillende plaatsen (o.a. te Roordahuizum)
Leaf (F188) Band van kist of deur
Leed (b.v. een fischleedt) (F158, F159)
Leef of hleef (Jus M. Fr. II 58, B.B.43b, 55a, 55b) 1. luifel of afdakje (zie ook lieu, PHB)
2. een hoeveelheid brood; misschien = één baksel (1/12 mud rogge)
Zie ook Nadere bijzonderheden.
Leermans kaas of ljurremans kaas Weke, uitgezakte kaas
Leetker (F159; lees: loetker?PHB)
Legelen (kan ook enkelvoud zijn!) (F164) Kruiken (ook legel = kruik)
Leghwerk (b.v. stoelkussen) (F152) Op de manier van tapijten
Ley (Gr44) Jaeglijn
Leyde (F122)
Leyersch (F282) Leikleurig
Leyseve
Lepsen (F198) 1/16 lopen (ook landmaat, daarmee samenhangend) (F.W.)
Letterhout (F212) Hard hout uit Guyana met aders als letters
Letters vlas (F162) Vlas uit Litauwen
Levorsche (F177) Van Livorno
Lieminge (F199) Bestrijken met leem
Liermande Luiermand
Lieu, leeuw, loeijve (F169, B.B.451b, Gr46) Luifel (M.N.W.) (zie ook leef, PHB)
Likplang (Gr45)
Lithoek (F157) Mes voor aderlaten
Lodger of loodtger, loitjer (F153, F154, F198) Peillood
Loed (Gr42) Smal schoffeltje
Loeg (OF29) Eenige bijeengeplaatste huizen (verg. “loegje”) of dorp
Loever (B.B.294a) Bouwvruchten? (eigenlijk meervoud van loef = blad, loof; M.N.W.)
Lokers vlas (F163, F220) Vlas van Loquard (Oostfriesland)
Lookies (F212) Lokje (kommetje)
Luchte (Gr42) Lamp
Luchtrok (Gr 43, Gr44, F145) Lampekap
*Luent (Gr47) Lijnwaad (M.N.W.)
Lutskoord Koord, waarmee lussen gemaakt worden
Luykiste (F145)
Luystokken (F157)
M
Maarlingh (F145) Uit 2 strengen samengedraaid garen (M.N.W.)
*Maen-, meensijle (F145) Zijl van 2 of meer paarden
Maijseine (F140) Zeis om te maaien (tegenover snijseine)
Maerschip (F132) Maatschap (Enquête G97)
1. groot m. = ton boter plus schippond kaas
2. b. gewoon m. = ton boter plus ½ schippond kaas
Malvezij Wijn van Napoli de Malvesia
Mancksaet (F174) Zaad van verschillende gewassen dooreen, zooals wel klaverzaad en haver
Manghe (S.II p.261, id. 317) Menninge
Marde of merdevalle Muddefâlle
Masch of nasch (F150, F207) Voer om vet te mesten of ook voeder in ’t algemeen
*Masteluyn (F174) ? tarwe ? rogge
Mastyk (F123) Welriekende hars (K.)
Meeldijk Weg, waarlangs de “miellen” (melk en misschien ook andere producten) vervoerd worden
Mees Mand
Melckledder (Gr43) Zeef voor melk
Melckstelling (Gr43) Stelling of schragen voor melkaarden
Messelbarg (F145, F282) Varken dat gemest wordt
Moerscamer (F180) De kamer van de inwonende moeder (wel eens aangebouwd)
Mollen (Gr46) Maatstok (1/2 roede) in Groningerland
Monnikendammer turf (F206) Turf uit Munnikeburen (zoo is er ook lemster turf = turf uit Oldelamer)
Moreyt (F152) Purper of paars (M.N.W.)
Mijes of mees (F146) Mand
N
Naeyen (F199) Lappen van glazen (of stoppen met roop, latten of stroo)
Naeyinge (F199) Id.
Narre (F286) Het laatst aangevoerde (bij een debat)
Neerhosen (F123) Kousen beneden de knie blijvend
Noger (ook moger, eigenlijk “ooger”) (F146, F168) Nogerboor, die met beide handen gedraaid wordt
Nol Zie bott of bout
Not Opbrengst van het land
Nustroch (F162) Voertrog (van nasch?) Komt hiervan de uitdrukking: “luste, âlde!” waarmee de varkens geroepen worden?
O
Ocke (F188) = ake = vermeerdering. Acke of aker ook = bij terp of dijk oplopende weg (in Noordfriesland)
Oel Wol (Richthofen)
Oelwiel (F58, F146, F282) Spinnewiel voor wol
Oliekoeken (F161) Meestal koeken, waar olie uit geperst is. Dus raap- of lijnkoeken. Meest het eerste.
Omkijker (F211) Een muntstuk dat 12 gulden warde heeft
Ommecanne (F165, F213) Volledige kan, dus = 2 healkanne = 4 mingels of plusm. 4 liter
Onbreken Wil niet gaar (van erwten of bonen)
Ongehavend (Gr36) Zonder afwatering (dus zonder greppels)
Onser Unster (weegwerktuig)
Onste of onte (F144) Slecht, van weinig waarde
Oorklocker (F163) Oorspateltje
Oortijser (F163) IJzeren punt of haak
Oortjesgeld (F187) ¼ st. per gl. op pachtpenningen. De pachters betaalden nl. 4 st. per gl. extra, waarvan ¾ voor onkosten en ¼ voor de armen.
Oosterse kast (G97) Kast afkomstig van Dantzig?
Oostvat (Gr43) Vat, waarmee men oost
Opbieden (F222) Bode en consent vragen
Oplegger (F175) Langwerpige smalle schop in het hoogveen gebruikt (Gr.W.)
Opsteker Mes of dolk
Optenheerd (F212) Kamer waar gestookt wordt
*Ort (F160) Afval
Ossenbrugs (laken) (F199) Laken van Osnabrück
Ossetten wambuis (F151)
P
Paerdeschakel (F147)
Pay Betaling
Paygeloop (G97) Belastinggebied
Palei = poelie (F116) Katrol of windas
Paltrok (Gr50) Dikke, wijde overrok (F.W.)
Paradijs (F210) Huis met klos- en schijfbaan te Franeker
*Pars (F139) Ketting, waaran het voorste paar paarden de ploeg trekt, door achterste heen (O.)
Parvet (F131) Kar
Passer (F212, F221) Drinkglas, waarop verschillende maten zijn aangegeven (M.N.W.)
Pastholt (F129)
Patriotten (F199) Notabelen (bevoegd om kerkelijk goed te beheeren) (Van Apeldoorn)
Pers Snoer
Peie, pije (Gr43) Grove stof, waarvan pij gemaakt wordt (M.N.W., Kiliaan)
Peyglazen (F226), peideuren (F187) Glazen/deuren tusschen kerk en voorkerk of portaal
Pellen of pellijn (F143) Purper of pronkkleed
Pennael, pernaeld (F140, F157, F159, F178) Schrijfstift?
Pernambique hout (Gr43) Braziliaansch hout; wordt verfstof of inkt van gemaakt (K.)
Persona (F232) “curatus sine cura” zegt Prof. Nolet. Dus voor wien vicaris het werk doet. Dit is echter in Friesland anders: hier heeten vele pastoors zonder vicaris: persona
Pinkje (F273) Een spel, volgens K. Sierksma (It Fryske folk n. 19) in Friesland nog gespeeld. Werd in 1601 te Leeuwarden verboden met balslaan en clootschieten.
Platte venstercorven (F221) Gevlochten horden voor de vensters
Pleechtgard (F164)
Ploechrakels (F153) Ploegketting
Pontgaarde (F206 (?PHB)) Ambtenaar van de stad, die voor betaling zorgt
Pontgeld (F206 (?PHB)) 1. percenten dor koopers en verkoopers betaald (b.v. aan de stad, die den vreemden verkoopers de betaling waarborgt) (M.N.W.)
2. invoerrechten
Poolse sleed (F141, F182) Slede met bak, waarin men kan zitten (O.)
Poot of pootling (F233) Jong boompje
Positief (F199, ook in Weesb. 27) Wat verplaatsbaar is; misschien ook een orgel (M.N.W.)
Poescke boter (F221) Boter, waarbij “puiske” (stroowisch) moet uitgestoken worden, wegens de mindere kwaliteit
Posschinne (F221) Vrouw, die zulke boter verkoopt
Pot (F282) Potstal
Presloen (B.B.197b) Priesterland
Puel (F153) Langwerpig onderkussen (M.N.W., v. Dale: polou of peluw) In het laatst van 1e inv.boek v. Hennaarderdeel steeds bij de bedden, nooit apart verkocht.
Pultum (F198)
Pijrick Een stuk veen, waarvan turf afgegraven wordt, of tenminste kan afgegraven worden
Q
Quel (Gr43) Bongel (T.L.)
Querne (Gr44) Handmolen
Quick (F145, F149, F232) Alle vee (= het levende) (nog in 1600)
Quispel (G97) Kwast
R
Raaploegh (Gr43) Ploeg met 1 of 2 wielen
Raeckles of reicles (F153, F146) IJzeren ketting of misschien ook stang (meestal: ploegketting)
Raefter (Gr42, F164) Rechter, smalle plank voor een “stek”
Raijmolen Molen met scheprad
Ramundes laken Roermondsch laken (v.d.A.: Remons)
Raseyl (F211) Een soort schip
Rasp (Gr43) Toestel waarmee bouwvruchten gezeefd worden met latwerk in richting helling (dr. S.)
Ras(sen) Soort weefsel
Recker (F286) Boog van rotting of ijzerdraad op zeis
Reden (F150) 1. schaatsen
2. bereiden
Reed of steecke (F219) Drift, voetpad (T.L.)
Reeff (F164) Tuinhark of gewone hark
Rei, rij (Gr46, F155, F204) 1. rauw
2. lineaal of ijzeren lat
Reydschuif, -schieuw (F199, F200) Schaaf, waarmee het riet van het ijs geschaafd wordt
Reye (B.B.134a) Vlechtwerk? Stuk linnen? Ook: rist (b.v. reyefeters)
Reyl (F132) Linnen
Reylker of rilker (F143, F155) Plonsstok (om rillen mee te maken?)
Riemingh (F284) Latwerk
Riep Roop (in Gaasterland)
Riep ende dack (F282) Riet en roop voor het dak, dus alles wat voor het dekken nodig is; of is riep of rijp = schoof stroo (M.N.W.) zoodat het stroo en riet is?
Ries (F163) Gevlochten rijs
Rijffpijp (F140) Rijgpijp
Rimming, rimmen (F147, F285) Hek of schutting; rand waarop schotels gezet worden
Rinckelman (F186, F207) Klein vaatje (bier)
Ring (F287) Naaf van rad of wiel
Rintse of spilde wagen (F287) Spaakwagen
Ripeltoog (Gr43 (?PHB), F151) Kleefkruid
Ripije (Gr43) Krasser
*Riuw (F141) Gewoonlijk tanden scheef op stok of grootere recht (dr.S.) Cf. Postma, ‘Harke en riuwe,’ Leeuwarder Courant 23 mei 1949.
Rijssen koe (F161) Ongeveer houten juffer = verwarmingstoestel voor bed als beddepan
Roboelies (Gr43) Als roode menie (T.L.)
Roef, ruue (F117, F130) Raap of raapzaad
Roefgaffel, roefkleed, roefkoeken, roefsaed (F130) Vork om raapzaad te verplaatsen, kleed om het te dorschen enz.
Roggeduif (F145) Rook, schelf of berg met rogge
Roghstal (eigenlijk: 1 lopen roghstal) (F132) Waar een lopen roggezaad voor noodig is
Romanie Zoete wijn van Napoli de Romania
Romp (F142) Vat, bak of trechter, waarschijnlijk nogal eens van vlechtwerk (M.N.W., O.F., T.L.)
Rompe Gerimpelde muskaatnooten (M.N.W.)
Rondt (geern of vlas) (F151) Grof
Roop (F212) Touw (band), gewoonlijk van roggenstroo gevlochten, om stroo of riet van dak te binden
Roopstoel (F151) Stoel met zitting van roop gevlochten
Rorp (F91) Ruig
Ruaer of ruwarei Ruwe of ruige waar (hout, rijswerk, mest enz.)
Ruske (F57, F116) Bak van vlechtwerk
*Ruuesaet, roeuen (F117, F130) Raapzaad, iets fijner dan koolzaad, overigens zeer verwant gewas. Thans wordt niet veel meer koolzaad verbouwd, nog meer raapzaad. Hiervan raapolie en raapkoeken. Van koolzaad niet bekend (Hoogland).
S
Saadromp, saijromp (F158, F159) Bak, waarin zaad bewaard wordt
Sakeranen (Gr43) Gemaakt van een indische houtsoort, bruin met zwarte stippen (K.)
Scarpuis (F140) (bij mannenkleeren)
Schaer (F158) Voedsel of weide voor een koe
Schafbord Scharfbord? (zie beneden)
Schakel (F153) Schakelnet
Schapert (F116, F150, F162) Schepper of puthaak; schepvat
Schar Weide voor een koe, hooi voor een koe, mest van een koe; gemeenschar
Scharfvat, -bord (Gr42, Gr46) Vat waarin, of bord, waarop iets fijn gehakt wordt, enz.
Scharne (F143) Drek, vuil, mest; bank (b.v. vleeschbank) (M.N.W.)
Scheen Grens; maar ook naam van rivier of weg (F300)
Schey (= schede) (F182) Dwarshout of platte spijker
Schekjoele (F155) Schudgaffel
Schettens (R.v.A.II 287) Afscheiding
Schieftafel (F157, F168) Ronde tafel
Schobben (F187) Schoven
Schoy-jelger (F146) Zie: aalschoeier
Scholier (F284) Instrument, waarmee men schollen (mestkoeken) verzamelt
Schommerskoe (F158) Koe, die niet in het land wil blijven (T.L.)
Schorsteenbrieff (F160, F282) Prent als versiering voor den schoorsteen?
Schot sarris (Gr43)
Schotser (F202, F282) Commissionair bij buitenlandsche handel (Workum 1662, Harlingen 1649; is hij één koopman?). Ook schots coopman (Harlingen 1598 en 1684).
Schotstok (F134, F169)
Schovelingen (F143) Schaatsen
Schraedt (F220) Een soort koper?
Schreebredt of schriedbord (Gr42, Gr43) Molbord of zaadschop met paard er voor
Scrickenborger, schrikkelburger (F199, F202, F212) Geldstuk (2 à 4 stuivers) (Kerkerekening Bozum; Henn. K1, 1533)
Schub Muntstuk (Ben.B. 418b = 1/12 stuiver)
Schuddinge (F90) Afscheiding of ook het gescheidene
Schuimer (Gr45) Schuimspaan
Schuttelketel (Gr42) Groote cyl.ketel voor het koken van de wasch enz. of hântsjettel (T.L.)
Sigel
Scobbestroij (F146) Samengebonden bossen stroo (F.W.)
Screppe (F282) Roskam
Scukenbarger Geldstuk, ongeveer een stuiver waard (1/29 gg.) [zie scrickenborger, PHB]
Seeds (F153) Zitbank
Seende (Gr46) heemstede te Grijpskerk
Seersk (F153) Tsjoar (tuier)
Sende (F142) Zeis
Servis (Gr43) Loodwit (OF)
Setbank (F140) Zitbank
Setfork (F142)
Setkop (F162, F168) Kop met gaten, waarin ronde kazen werden bewaard en gedroogd
Setter (op de karn) (F139) Spatschotel
Sije Zeef (in Stellingwerf)
Sinckroer (F151) Schietgeweer
sipelskriver (O.; F222) Menagemeester?
Sirle (F165) Zitbank
Sister (F164) Oliemaat
Sitten (F166) Zitbank
Sitzel (f206) Zitting van stoel
Sjoelen (F231) Schoffelen (F.W.)
Slaan Dichtmaken van een gat in den dijk (Reitsma p. 101)
Slachwaer (F232) Waar (rechtsdag) waar over de slachtedijk wordt gehandeld
Slagter (F145) Slachter van een wagen
Slebinder (Gr47) Sledemenner
Slickfanger (F140)
Slijting, slijtsouwe? (F155) 1. het uittrekken van vlas
2. grof soort linnen weefsel
Sloepties, slopies (F213)
Sluick (F187) Stroo van weit of rogge, waarvan alleen aren gedorscht worden. Gebruikt voor bed en dak. Mooi regelmatig (O.)
Smal (linnen) (Gr46) Fijn
Smalschipper (tegenover wijdschipper) (F199, F200) Schipper over niet te verren afstand
Smuyger (F168, F199) Schoorsteen in slaapkamer of stookplaats bij zomerwoning (F.W.). Ook wel verwarmd vertrek (Dokkum).
Snaphaan (F202) Geldstuk (6 stuivers)
Sneburger (Sipma III p. 298, F202) Geldstuk, 21 op een enckel gulden (Sipma II p. 298) = 4/3 st.
Snijstock, snestock (F284) Stok die de snede van de zeis beschermt
Snuiteldoeck (F213) Zakdoek
Soden garen (F130 (?PHB)) In loog gekookt garen
Soel (F284) Plaat om de wielen van den wagen over te doen rollen
Soolstede (F176) Het perceel waar het huis op staat en waar de rechten en lasten aan verbonden zijn; maar soms ook de gehele plaats
Sorgras (ook wel soorgras) Stuk grond bij het huis in Zuidw.hoek; waarschijnlijk zoo genoemd, omdat er vee op aan een tsjoar (tuier) geweid wordt (F305). Heet thijurgras in Reitsma p. 168, en tiorregras in D2a in Westdongeradeel (F239).
Spayen (F164) Spaden (Ameland)
Spellitzen of spillitsen (F146, F285) Dunne kaarsen (spilleker of spilligen, M.N.W.)
Speltwerck, spigelije (F123, F133) Kant (M.N.D.)
Spinrocken (F134 (?PHB)) Kartonnen band, die het vlas omvat bij het spinnen
Spijskruid (Gr43) Moesgroente (K.)
Spoelle (F164) Mand, waarin visschersproviand (Fr.W.)
Spoorstok (Gr45, F146) Stok, waaraan de 2 knuppels van een tweespan bevestigd zijn (T.L.)
Staele, stalle, stelle (F48, F49, F219) Plaats
Stal (Gr43) Voet van tafel of poot van stoel (M.N.D.)
Stalbed (F130) Bed op pooten, krib, ledikant
Stamboeck (F145) Buik van wilgeteenen gevlochten; meestal bak van wagen. In 1720: wagen met rood geverfde en blauwe stamboek.
Staneelen (kussens) (F117)
Stargspreed (F186) Net om spreeuwen te vangen
Steegrijp (F166) Riem, waaraan de stijgbeugel hangt
Steen (G48, F206 (?PHB)) Gewichtsmaat voor vlas en wol; gewoonlijk 5 pond
Stelle (F49) Stemhebbende plaats; maar in Hindeloopen en Workum ook iedere post in het floreenregister
Stelling (F222) De dorpsvertegenwoordiger op de werven in Stellingwerf
Sticker (F142, F174, F175) Steekijzer (schoffel waarmee men turf in blokjes steekt) (T.L.)
Stijgering (F199) Berijden
Stoeff (F134 (?PHB)) Bedstoof, beddepan
Stoelheak (F188) Haak, waarom band van kist of deur draait
Stolp (F181) Balk of paal
Stoop (F164) Kruik
Straats (G97) Aardewerk of porcelain door straat van Gibraltar gekomen
Strandlooper F214) Dijksopzichter (in Ferwerderadeel dijklooper, O.)
Stremien (F200) Open weefsel, waarop geborduurd wordt
Strijken (F202) Strikel (houten werktuig, waarmee de zeis gescherpt wordt)
Stroromp (F172) Romp van stroo gevlochten
Stubber (Gr42) Veger
Stuck (butter) (B.B.381b, R.v.A. p.79, p.210, G37, F206) Meestal 3 pond of daaromtrent. Ook een “karnt” wel = 3 pond.
Sneestock (F284) Stok, waarmee het scherp van de zeis beveiligd wordt
Susterling (F164) Kind van zuster
Swad, swod, sued (Gr46, F232, B.B. Z 25b) Kleine landmaat; behalve “regel gemaaid gras” ook “zwad”
Swingel (F155) Dorschvlegel
T
Taeffel Rechtsgebied van stad (Dokkum)
Taeffelkrantzen (Gr50) Ringen van messing om schotels op te zetten
Tal, tylens (F147, F284) Dorschvloer (vloer over dorschhuis)
Task (F153) Schuurtje
Tedder (F164) Werktuig om mest uiteen te strooien
Teengia (R.v.A Trynwâlden) Kan ontstaan zijn dor omzetting van “teninge.” Zou dan beteekenen “afschutting” of ook het “afgeschutte.”
Tengelduiker (F123) Groote spijker met kop in het hout
Teninge, tijninge, tynge, teenya (R.v.A. 188; Sipma I p. 147, II p.83, 104, 105, 141, B.B. 202b, B.B. Z 33a, b) Afzetting; nog al eens dichtzetting voor visscherij
Tentgens, trentkes (vlas) (F162, F163)
Tentijser (F164) Staafje om wonden te peilen
Termijn (F176) Halfjaarlijksche belasting met Jacobi en Martini (oorspronkelijk de jaartax)
*Terneit (F132) Laken van Doornik
Tetse (Gr43) Touw aan toom bevestigd
Thier (Ch. I p. 562b) Eest (Nauta)
Thoon Ton
Tiaer, tijerck, tzeertka, tyerk, tzeijr, tzoor (F140, F146, F153, F155) Tsjoar (tuierspil)
Tijacker (G56) Akker die geruild wordt (wandelt)
Tienkleed (F198) Kleed over tinen (melkvaten)
Tigten (F198) Melkvaten
Timpe 1. Spits uitloopende punt van de covel, ook afzonderlijk gedragen
2. Spits toelopend broodje (M.N.W.)
Tymplet (F164) Kleine timpe
Tijnhekkel (F140) Houwe voor slataarde
Tijoeksel (F155) Kromme bijl, tegelijk hamer (F.W.)
Tioellen, tiola enz. (F16, F17, F56, F67, F75, B.B. p. 317, 408) Tafel; ook: stuk land, meest = akker bouwland, maar ook op 2 plaatsen in Hallumer mieden (vierkant of bijna vierkant) zie F75 en F334 Zie ook Nadere bijzonderheden.
Tiuch (F247) Veld, verdeeld in aandeelen, die nog al eens wandelen. In Aengwirden is de naam: toog.
Togsage (F146) Trekzaag
Togseine (F154) Sleepnet
Toyte (F155, F163) Houten kan in den vorm van een hoorn (ook tuyt)
Toogbord (F140) Trekbord (b.v. om dompen te slepen)
Toornbank (F131) Toonbank
Topemmer (Gr43) Emmer, boven wijder dan beneden (T.L.)
Toppen (F157, F198) Van kort vlas of korte wol (M.N.W., F.W.)
Torske (F147) Dorschvloer of dorschhuis
Trecke (F145, F163) (hals)snoer (M.N.W.)
Treytkes, lees: treylkes? (F129) Schoteltjes
Trenken (F155) Driejarige paarden?
Trenterpacht (F220) Pacht uit de plaats Trenter (te Midlum)
Trille (Gr42) Schijf
Trilpijpen (Gr43) Klossen
Trins (F141) Lichte toom met ring alleen (O.)
Trippe (F129) Muil met houten zool
Trijsoer (dressoir) (F129) Kast
Trijstok (F147) 1. knuppel, waaraan 3 paarden trekken
2. 3 spieren, waaraan zeef gehangen wordt
Troy (F198 (?PHB)) Trui
Trusselschop (F145)
Tseijr (F146) Tijoor (tuier)
Tuyl (G102) Arbeid; een tuyl broods = zoovel als een bakker tegelijk bakt
Tuimelaar (F184, F194, F252) Vloertegel
Turfbrede (F142) Plankje voor turftrappen
Turfsticker (F145) Steekijzer om turf te steeken
Turle (F161) Melkstoeltje
Twijfioeld (of twijfiel) (F147) 2 wielig rijtuig
Twijre (F168) 1. stuk land van 2 pondemaat. Ook enkele maal van 1/2 pondemasat.
2. op Ameland = 2 hoeven of 16 achtendelen
Tzeck of tzick (F146) gepunt stokje of pen om het linnen op de bleek vast te houden
U
Uterse (koeken) (F151) Van Utrecht
Utkibbinge, utladinge, utledeninge (lees: utteninge?PHB) (F13, F128, F131 enz.) Buiten stijlruimte
V
Valder, zie falder (B.B.234b, R.v.A. III 275) Omheind terrein
Valhoed (F198) Hoed, die kleine kinderen bij het vallen behoedt
Veelslint (Gr43)
Veer (F188, F228)) 1. vaar
2. zeer dunne lat
Veynt (F175) Vennoot
Veystal of veydstal (G57) Oppervlaktemaat, speciaal in Westfriesland
Verketstok (F206) Stok om mee te verjagen (M.N.W.)
Verroepen (land) (in verband met de grootte) daarvoor bekend staande; waarschijnlijk iets sterker dan “naar naam en faam”
Verstal Fierderstal = ¼ lopenstal
Verstein (F117) Katoen (uit Egypte: versteyn = Alexandrië)
Vij (F225) Schor (Workumer vij, later Workumer op), later ingedijkt als Workumer Nieuwland
Viael (F148) Flesch
Vyalen, violden of fiolden (F145, F147) Wielen van een wagen
Vyerwerck (F155) Uurwerk
Vijme rogge (F144, F230) 100 schoven; ook eens: 1 vijeme reid = ¼ voer
Virginael (Gr49) Boek met dienst voor Heilige Maagd (D.)
Vlinder (F150) Geldstuk; eenmaal gevonden ¾ stuiver
Voetploegh (Gr43) Ploeg met voet, die over grond glijdt
Voirzet of voorset (F129, F133) Kleedingstof
Vooringsweit (F198) Licht graan, uitgewand vóór wanmolen of eerst uitgesmeten met schop
Vuelblok (Gr47, Gr49) Stobbe (60 ton baggerturf (Fr. W.), 120 hl. (Gron. W.)
Vuir (turf) (Gr43) Stobbe (T.L.) (60 ton baggerturf (Fr.W.), 120 hl. (Gron. W.)
Vuytbak (F213) Lade
Vuytertoog (F70) Kussensloop
Vuurijzer (G102) Geldstuk
W
Wael (F214) Geldstuk
Waele (F29 (?PHB), F244, F245) Wal (dikwijls grens van perceelen)
Waer of weer (B.B. 207, 208a,b, 209, 218b) Allerlei soort van bezit, maar meest land Zie ook Nadere bijzonderheden.
Waeswerp (F162) Kluitwerp; dient als afstandsbepaling
Wagenkist (F145) Voorbank van wagen; dikwijls ook bakje of kist
Walcken (F164) Dooreenwerken, vollen (M.N.W.)
Wallen (F164) Koken (M.N.W.)
Wand (F294) Gewann = stuk bouwland
Wang (F186) Zijstuk van opreed naar tille (meer algemeen: rand van vaste grond aan het water)
War (of wer) (R.v.A. II p. 345, B.B. 209, F76, F91) 1. aantal vogels (2 eenden, 3 talingen)
2. allerlei soort van bezit, hoewel meest land
Zie ook Nadere bijzonderheden.
Warmjuffer (F164) Beddepan
Warpschuttel (F131) Schotel, waarmee men graan opwerpt om het kaf te laten wegwaaien
Warsitteren (F17) Wearsters = bewoners van de Weeren
Waschscharne (F146) Waschbank
Weech (B.B.295b) Huiswand
Weedas (Gr43) Soort van potasch (M.N.W.)
Weede Wilg
Weijer Wine (wanmolen) (T.L.)
Weyseyndt (B.B. Z 27b) Einde van de weg, maar ook wel naam van veld
Weistaelen (F28) Landerijen te Hemelum
Welle (F103, F106) Dijk om land van Oldeklooster te Hartwerd; ook wal in Wijmbritseradeel (Hoyte Welle)
Wenen wagen (F141) Wagen waarvan de bak gevlochten is van wilgeteenen (T.L.)
Wermaal (F228) Warm maal of wat daarvoor gebruikt wordt (erwten, boonen enz.)
Werp (F17, F224) Voorland buiten dijk (T.L.)
Wetertrog Trog voor drenken en voeren van vee met vloeibaar voer (in Stellingwerf)
Wetscher (F163) Kleedingstuk of leren reiszak
Wettelblock (Gr50)
Wicht, wichte (Gr44, F167) Karnwieg
Wicken (F212) Soort spijker
Wijckstokken (F212) Stokken om boonen aan vast te binden
Wier Terp, niet steeds onbehuisd (3 wieren ofte huyssteeden, bij Smallenee; F 192)
Wietzeef (Gr45)
Wincken (F153) Rietganzen
Wijnverlater Wijnsteker
Wijocken, wiucken (F155, F206) Dorschvlegels (M.N.W.)
Wijsboom (F285) Bindstok (pontjer)
Wijting (F188) Soort schelvisch
Wijtling, wijttel (F129, F171, F174, F177, F207, F212, F302) Onderlaken of laken van geringe kwaliteit
Wijzer (F187) Wijzerplaat
Werp (potten) (F151) b.v. 3 à 4 bloempotten ; zoo genoemd naar de hoeveelheid gebruikte klei (T.L.)
*Wappe (F117) Stortkar
Y: zie I
Z
Zeekap (F198) Zuidwester?
Zeeltuig (Gr42) Tuig, waaraan het paard voor wagen of ploeg trekt
Zeemansstoop (F165) Zeemanskruik
Zijrle (F166) Zitbank
Zijrlebet (F151) Rustbank
Zorgras (F89) Gras dat met tuieren afgegraasd wordt (zie ook “sorgras”)
Zwad (G74) Landmaat; wel eens 1/6 mad (Boekenoogen); ook wel eens 1/14 gras

 

Nadere bijzonderheden omtrent enkele woorden

Aedeel

Daar a het oudfriesche woord voor wet en ook voor water aangeeft, kan adeel of aedeel met beide begrippen in verband staan. Zoo kan dus aedeel = wettelijk deel en = waterig deel zijn.

De eerste beteekenis zal bedoeld zijn op plaatsen te vinden in de Ben.Boeken, waar sprake is van de aedelen, die behooren tot de inkomsten van priesterland. Zoo in de B.B. 403b, 450b, 451a, 455b en Reg. v.d. A. II p. 19. Zoo ook als er gesproken wordt van “hlest fan aedelen ende aewarren” in Sipma I p. 161 of “aelest van dijcken” Sipma I p. 341.

Daarentegen is de 2e beteekenis waarschijnlijk de juiste als we gesproken vinden van “weesige Adelen” of van 1 mansmad op de acht ofte adelen gelegen.” De eerste uitdrukking vond ik op Terschelling, de tweede in Kollumerland.

Zie hierover: “Oer de namme “van Adelen” ” in It Beaken Jiergong I s. 86 en “De namme Adelen” in dezelfde Jiergong s. 193 [noot 6].

Dauwerck

Systeem in Schoterland (zie 9 en F291)

Lengtematen: 1 dagwerk = 5 roede; 1 roede = 12 voet; maar ook 1 dagw. = 24 treden (Q2 fol. 117v)

Opp. maten: 1 vierk.dagwerk = 5 roede; 1 roede =12 voet

Dus 1 dagw. = 60 voet; 1 vierk. dagwerk = 3600 vierk. voet, 1 roede = 7120 vierk. voet, 1 voet = 60 vierk. voet (mar soms schijnt hier ook 1 r = 1 vierk. r.)

Systeem in Haskerland (zie K2 in F304)

Lengtematen: 1 dagwerk = 5 roede; 1 roede = 10 voet, 1 voet = 10 duim

Dus: opp. maten: 1 vierk. dagwerk = 25 vierk. roede; 1 vierk. roede = 100 vierk. voet.

Deze maten heeten nu: dage, roede, voet (maar soms ook 1 r = 10 v)

Dus 1 dagwerk = 25 roede; 1 roede = 100 voet

In Doniawarstal het laatste systeem, met 1 voet = 10 duim (F300), in Aengwirden het laatste systeem naar het schijnt (F305)

Ees

Volgens de Vries (Nom. Geogr. neerlandica) zou de grondbeteekenis waarschijnlijk zijn “beweid braakland.” Over deze “grondbeteekenis”wil ik mij liever niet uit laten; de meeste plaatsen, waar het woord “ees” in Fr. voorkomt, geven als toenmalige beteekenis: “bouwland in vele kleine perceelen bijeengelegen, welke aan verschillende eigenaars behooren” [noot 7]. De voornaamste van die plaatsen vindt men aangegeven in het artikel “Esschen op de Friesche klei” van schrijver dezes in “Driemaandelijksche Bladen” 20e Jaargang p. 17, in welk artikel echter belangrijke flaters en leemten voorkomen [noot 8].

Op de friesche klei vindt men vooral van een ees (ook ies of iest) gesproken te Witmarsum, Schettens en Finkum.De zaak, zonder den naam, vindt men ook te Gaast en Ferwoude (in den ouderen tijd) en ook eenigszins te Lioessens (maar daar ook eenmaal naam: ees, III5, Hof. De naam, warbij de zaak nog twijfelachtig blijft, vond ik ook te Arum en Berlikum; te Wommels een stuk land : “die mande ees” (K2).

Eester

De tegenwoordige beteekenis in Friesland is melkplaats. Echter voorheen was deze ook wel tuin of bouwland. In het bijzonder op Ameland was dit het geval. Ook in het overige Friesland kan het niet best altijd de beteekenis van melkplaats hebben. Dit blijkt hieruit dat er in den ouderen tijd nog al eens van “koeien eester” gesproken wordt, waaruit men wel moet afleiden dat eester op zich zelf nog niet met koeien in verband behoeft te worden gebracht [noot 9]. Ook zijn de perceelen, met het woord eester aangeduid wel eens te groot om aan melkplaats te kunnen denken. Dr.W. de Vries denkt dat deze meer algemeene beteekenis “afgesloten of omheinde ruimte” is geweest. Zie hierover nog “De friesche kleihoeve” p. 168.

Eetholten

Deze “eetholten,” ook “ijesholten” genoemd, heb ik alleen gevonden in Gaasterland. Ze komen daar van het begin af in elk inventarisatieboek voor tot het laatste derde deel van de 17e eeuw toe. Dat zij dienen om het voedsel voor de beesten op te leggen, blijkt uit verschillende aanhalingen: “so die eetholten voor die koeijen als balkholten ende die flijuchte” (1608); “met een eethout voor de koijen” (1604); “thien deelen soe voor de beesten als opte scharnen” (1611). Het schijnen losse planken te zijn, evenals het er bij genoemde “balkholt” en de “gangholten.”

Zij komen ook voor bij de boerderijen, waar men nog een potstal heeft, zooals blijkt uit de aanhaling: “het balckholt ende d”eetholten 3 ggl. 6 st., de pot met dongh 37 ggl.” (1599) en uit het feit dat zij ook genoemd worden wanneer er gesproken wordt van dong binnen– en buitenshuis.

In tegenstelling met de zeer veel voorkomende “eetholten” worden “stalholten” maar enkele malen genoemd. Daar bij die enkele gevallen geen eetholten tegelijk genoemd worden, is het niet uitgesloten dat onder de stalholten hetzelfde wordt verstaan. Toch ben ik meer geneigd er de tegenwoordige betekenis aan te geven, zoodat het dus houten zouden zijn, waarop de koeien met de achterpooten staan.

Het feit van het bestaan dezer eetholten is niet zonder betekenis voor de geschiedenis van het boerenhuis. Zooals men weet zijn er te Ezinge door Van Giffen overblijfselen van huizen opgegraven, waarvan het grondplan veel overeenkomst had met het oud-friesche huis. Hij vond daarbij echter matten langs den binnenkant van de stallen loopende en aan de dwarsgevels bevestigd, die hij als voedermatten beschouwde. Indien dit juist was, zouden echter in deze huizen de koeien met den kop naar het gangpad gestaan moeten hebben, dus anders om dan wij bij het friesche huis zien. Tegen deze opvatting kwam oppositie van degenen die het waarschijnlijker achtten dat deze matten het prototype waren van de latere stalhouten. Dr. van Giffen is toen eenigszins van zijn opvatting teruggekomen en heeft de zaak nog twijfelachtig verklaard (zie hieromtrent “Het Friesche boerenhuis” van S.J. van der Molen, Assen 1942, p. 119 e.v.).

Nu blijkt echter uit deze eetholten dat er voor de koeien ook planken gelegen hebben om het voedsel voor de koeien een goede ligplaats te geven. Zo vindt de opvatting van de bedoelde matten als voedermatten steun.Zouden dan toch de koeien te Ezinge met den kop naar het gangpad gestaan hebben? Misschien kan een aanteekening van 1641 ook nog beteekenis hebben. Wij hebben hier het bestek van het verbouwen van een plaats te Warga. Het 6e artikel daarvan luidt: “Ten 6en sall de aennemer maeken de koegruppen van olde steen en de eene kant van de olde stael binnenholten ende intangen, sampt zeelpalen ende koeschuttingen, aen de langhste kant ende zuyder sijde sal de aennemer maecken schuttinge van “t old holt.” Hier schijnen dus binnenholten en stallholten te zijn, welke binnenholten de genoemde eetholten schijnen voor te stellen, welke dus algemeen in Gaasterland zouden zijn geweest (zie F255). Ik vermoed echter dat hier binnen heet, wat Van G. buiten zou noemen [noot 10].

Hem, hemmen Er zijn 2 woorden hem, waarvan het eene ook als ham en het andere ook als heem voorkomt. Het eerste betekent begrensd gebied; het tweede huis, woning, maar kan ook eenige bijeengeplaatste woningen aanduiden. Dit laatste heeft aanleiding gegeven tot de vorming van vele plaatsnamen op hem. De beide woorden worden echter ook wel door elkaar gebruikt in verband met hun verwante beteekenis. Hem of ham (het laatste in het oosten van Friesland en in Groningen) kan een gebied van zeer verschillende grootte voorstellen. Het kan slechts een enkel stuk land zijn b.v. als er gesproken wordt van ” “t pastorije hem” (zie Q11 Schoterland), maar ook een waterschap als IJmswalderahem en Boelswerderahem, of zelfs een grietenij als Rauwerderhem. Het meervoud hemmen dient apart te worden besproken, omdat het veelal een speciale, minder algemeene, betekenis heeft. Zoo b.v. te Makkum waar in 1546, in het R.v.d.A.III, vele perceeltjes, meest als meden aangeduid, op de hemmen gelegen zijn aan verschillende eigenaren toebehoorende. Deze perceeltjes vormden na het maaien samen een meenschar, die door scharmeesters beheerd werd en in 1792 verdeeld werd door afslatting der perceelen. Dit veld vormt het oostelijkste deel van de Makkumer landen en staat thans nog bekend onder den naam “de himmen.” Ook in Tjummarum worden hemmen genoemd, die echter in 1546 al aardig ingekort schijnen te zijn geweest; dan wordt n.l. onder de boeren een “Claes op die Hemmen” genoemd, zoodat er dus op die hemmen een boerderij gevormd moet zijn geweest. Te Noorderdrachten heeft men oom meeden “opte Hemmen,” en “op de Noorderhemmen” en te Zuiderdrachten “op die Cromme hemmen” en “op die Lange hemmen.” Deze hemmen schijnen dus meest als meeden gebruikt [te] worden en liggen op eenigen afstand van het dorp zelf. Cortehemmen is de naam van een dorp, dat op zulke hemmen gebouwd is. De pastoriehemmen te Hoornsterzwaag zijn ook maadland; evenzoo het land op de Hemmen te Workum (Sipma I, 198). Toch komt het ook voor, dat er op deze hemmen bouwland gevonden wordt; te Barsingerhorn in Noordholland vond ik herhaaldelijk zaadland “op de hemmen” genoemd. Hoewel in Groningen het gewone woord ham is (denk aan de dorpen Blijham, Koeham en Den Ham) komt toch ook het woord hemmen voor. We hebben een buurschap Hemmen onder Haren en ik vond ook genoemd een veld “De Hemmen” onder Leens.

Hemrik, hamrik Het eerste is het gewone woord in Friesland, het tweede in Groningen. De gewone beteekenis is: het geheele gebied van een dorp of buurschap. Dit blijkt op tallooze plaatsen van het R.v.d.A. en de B.B.; een voorbeeld daarvan is b.v. (in het R.v.d.A. III p.313): “De vijfte pairt van deze voirsz. landen hebben heure lasten ten suijden van Mackum, dan leggen alle gair (het is het land van de Wonser patroon) op Wonsera hemrick ende ten noorden van Mackum.” Drie bladzijden verder staat juist in hetzelfde verband “hoewel zij in Wonseragae leggen” [noot 11]. Er is echter ook nog een meer beperkte beteekenis, die veel overeenstemming heeft met die, welke boven aan het woord hemmen is toegekend. Vooral in Groningen en Oostfriesland heeft men daar voorbeelden van. Noordbroeksterhamrick, Oostwolderhamrik, Pewsumer- en Kanumer Hammrich geven de gewoonlijk lagere, op eenigen afstand van het dorp gelegen weilanden aan [noot 12]. Naderhand werd het ook de naam van de buurschap of het dorp dat op die landen, of op de aangeslibde Dollarlanden, ontstaan waren. Maar ook in Friesland zijn voorbeelden dat hemrik deze betekenis heeft. Zoo te Wanswerd, waar we voor Wanswerder land in de B.B. (151b) lezen dat het als naastleger “Wanswerder Hemrijck opt noordt” heeft. Deze hemrik is dus niet al het land, maar een bepaald deel daarvan. Maar meer weten we er van te Huizum, waar we land vinden genoemd: “op huizumer zuiderhemricken,” “opte hemrick ofte Mienschar” en “het Hemrikland … leggende in twee stukken in een meenschar van 40 p. op het Hemrik” enz. Het uitvoerigst vinden we er over gesproken in een Resolutieboek van Leeuwarderadeel in 1648, waarbij blijkt dat 272 1/2 p. “hemrickx landt” reed en drift over zekere tille heeft. Het is het oostelijkste, verst van het dorp gelegen deel van het dorpsgebied. Waarschijnlijk is het meest maadland geweest. Ook te Hollum op Ameland heet een deel van de mieden: hemrik. Waarschijnlijk moeten we aan dergelijk land denken, als we in het Schoutenrecht gesproken vinden van de vierjaarlijksche verdeling van de hemrik. Deze verdeeling kunen wij ons voorstellen dat ongeveer geschied zal zijn op de wijze waarop op Terschelling, ook om de 4 jaar, nog in den laatsten tijd het Klaarland verdeeld werd en ook zooals het jaarlijks geschiedde met de onbedijkte hooilanden van de Noordfriesche halligen. Verwante beteekenis heeft het woord hamrik in de hamriken van de stad Groningen. Dit zijn de deelen van het stadsgebied buiten de eigenlijke stad en de daar nauw mee verbonden “Stadstafel.” Hun beteekenis ligt vooral op waterstaatsgebed. Een andere speciale beteekenis heeft hemrik bij de dijken in Oostdongeradeel, waar men Lioesma-, Niawierster-hemrik enz. heeft. Dit zijn niet anders dan dijkvakken die door de bedoelde dorpen onderhouden worden. Ook in Groningen komt hamrik in die betekenis voor.

Leef of hleef a. loive, love, leuve zijn volgens M.N.W. afdakje, later schuur en huis. Dus ook luifel. Hiervoor ook gevonden loeijve en lieu. Zoo b.v. als voor verbreding van de straat de lieuwen moeten worden weggenomen. In B.B. 451b is het lew. Te Koudum moeten dan van ieder huis, maar ook van “ijder open lew” brood en boter geofferd worden. b. Op een andere plaats in de B.B. is het eerder brood. Zoo te Makkinga (Zevenwolden 43a), waar we lezen: “twee sestendeelen ende twee leeff broets.” Verder in de friesche wetten, waar gesproken wordt van “hleef ende stucke,” wat wel vertaald wordt door “brood en stûken,” dus brood en koren. Maar misschien is er mogelijkheid deze 2 begrippen tot elkaar te herleiden. We zouden het laatste leeff of hlef dan moeten verklaren als “bakhuisje,” waar brood gebakken wordt. De hoeveelheid brood zou dan zijn naam krijgen naar het bakhuisje, waarin de hoeveelheid tegelijk gebakken wordt. Dergelijke uitdrukkingen zijn ook een “brout” bier en een “oven” kalk. Onduidelijk is de beteekenis in de R.v.A. I, waar we onder Ternaard lezen (p.119): Sijtzie to “Druge lew,” [noot 13] waarbij Drooge Leeuw [noot 14] dus een plaatsnaam schijnt te zijn. Ik zou hier echter liever aan luifel dan aan brood denken. Deze drooge of gesloten leeuw kan in zekeren zin tegenover de “open lew” van Koudum gesteld worden.

Tioelle [noot 15] Tioelle komt veel voor in Doniawarstal; meestal is het bouwland, maar het kan toch niet bouwland beteekenen. Dit blijkt b.v. uit: “Andries Jans 6 pond. maden in Oege Thiollen voor 35 st.” (in huur) in de Ben. goederen van Langweer in 1594. Later heet hetzelfde veld “Öege Tjoele.” Het is blijkbaar een groot miedveld. Zo ook: “1/2 Tijoelle bou ende graslant meendelich met gelijke halve Tijoelle” in D2 (R.A.) en “1/2 tjoelle graslant ende maedlant” in D4. Ook “seckere Tijoelle ofte twie cleine ackers bou in S. Nicolaesgae op ijls” “met het graslant van de selffde Tijoelle leggende in de Een” (D1). Soms schijnt het iets van bepaalde grootte te zijn, zoals “noch op ten breedte van 3 tijoellen.” Kan het ook hetzelfde woord zijn als sjoel of tjoel = sleepblok? Nog in D5: “tijoelle bou ende stripe” te St. Nicolaasga. In R2 Achtkarsp. “saete ende landen” “die Tzijoele” te August. Later: zal klein ongeveer vierkant stuk land betekenen (Beaken VII)

Waer, weer [noot 16] Niet onmogelijk is dit toch hetzelfde woord als het later genoemde war, wer. Nauta Oudfr. Woordenlijst heeft hiervoor: wer, were, weir, ware, gewere = bezit, aandeel in mark, boerenplaats, huis en hof, hoeve, woning, koopwaar. v. Richthofen en Holthausen onderscheiden 2 woorden ware en were met haast dezelfde beteekenis. Het onderscheid in beteekenis tusschen de beide hier genomen woordparen is vooral dat het eerste paar naast velden in het algemeen ook dikwijls hoeven aangeeft en het tweede paar zeer zelden. Waer is dan ten minste het deel van de hoeve, ook waarschap genoemd, dat het aandeel in de mark aangeeft, weer is de gehele hoeve en nu meest niet in streken waar marken zijn. In Friesland komt die naam vooral voor in de Zevenwolden, speciaal Doniawarstal en Lemsterland; een leeg weer is dan een hoeve zonder huis (echter komt ook voor: leeg war). In Groningen vindt men die naam te Slochteren en in de streken ten Z.O. van de stad. Weer, meestal als meervoud weeren, geeft echter ook vaak grootere velden aan, meest weiland, zooals de buiten- en binnen-weeren enz. bij Broek in Waterland. Verder ook op Marken, bij Huizen enz. In Friesland minder, [noot 17] hier hebben wij gewoonlijk het 2e woordpaar (war, wer). Bouwlanden worden wel aangeduid als bouweeren; te Schagen in Noordholland zelfs in den oud-frieschen vorm bouweerum of bouweerom.

War, wer [noot 18] Warren zijn in Friesland gewoonlijk lagere weidelanden. Men heeft dan vaak grootere velden, scharren, die in kleinere deelen, warren, verdeeld zijn. In zulk een war hebben dan weer verschillende personen elk een perceel, welke perceelen nog al eens onderling wandelen. In den Zuidwesthoek en Doniawarstal komt de naam veel voor; meestal zijn het maadlanden. In Don. echter ook wel waar (in de westerschar in Beetsma waar), maar ook schaar. Toch worden ook bouwlanden wel met dien naam aangeduid. Zoo vindt men te Workum zaadland op Westermanninge warren, op Worcumburen warren enz. In Sipma I, 198 wordt gesproken van Jellinga bura werren. Echter vond ik ook wel eens Egelebueren waeren en blockwaer, waar men blockwar zou verwachten (mar dit is maadland) (F70). In Doniawerstal: war = plaats; weer meer in Lemsterland. In plaats van warren vindt men ook wel werren, zoo te Nijland en nu ook bij bouwland; ook in het N.W. van de provincie. Een interessant voorbeeld van het gebruik van het woord were in een andere beteekenis dan bezit aan land vindt men in een oorkonde van 1397 (Gr. oork. boek no. 948). Wij lezen daar “Peije heth brocht to Meynka in da Skettawere XXXVIII skelda.” Men zou geneigd zijn “skettawere” als den naam van een hoeve te beschouwen, maar bij nadere beschouwing blijkt de beteekenis te zijn veebezit. (sket = stuk vee), zoodat de vertaling wordt: “Peije heeft aan Meynka (haar man) aangebracht 38 schilden in veebezit” (Gr45). De hoodfdletter S is dan een vergissing van de uitgevers van het Oork.boek. Een ander voorbeeld vindt men in Sipma I, 96, “myt noghlika oxena wer.”


 

Gebruikte afkortingen

v.d.A. = K.J. van den Akker, Van den mond der oude Middelzee: schetsen uit het oude boerenleven en -bedrijf. Leeuwarden 1934.

van Apeldoorn = L.J. van Apeldoorn, De kerkelijke goederen in Friesland. 2 dln. Leeuwarden 1915.

B.B. = Beneficiaal-boeken van Friesland (ed. J. van Leeuwen). Leeuwarden 1950.

B.B. Z. = afz. gepagineerd deel Zevenwouden van Beneficiaal-boeken van Friesland (ed. J. van Leeuwen). Leeuwarden 1950.

Ben B. = Beneficiaal-boeken van Friesland (ed. J. van Leeuwen). Leeuwarden 1950..

Bergsma =

Boekenoogen = G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal. Leiden 1897.

Botke = J. Botke, De gritenij Dantumadiel. Dokkum 1932.

Br.W. =

Ch. = Groot Placaat en Charterboek van Vriesland. 6 dln. (ed. G.F. Schwartzenbergh thoe Hohenlansberg). Leeuwarden 1768-95

Corée = A. Corée

D. =

v.D. = Van Dale, een editie van diens woordenboek.

Emo = Kronieken van de abdij Bloemhof te Wittewierum, loopende over de dertiende eeuw, door de Abten Emo, Menko en een ongenoemde (ed. W. Zuidema en J. Douma). Utrecht [1938].

F = schriften Friesland van Postma

F.W. = Friesch woordenboek. 4 dln. (ed. Waling Dijkstra). Leeuwarden 1898-1911.

G = schriften Geschiedenis van Postma

Gr = schriften Groningen van Postma

Gr.W. = Molema (z.a.)

Holthausen = F. Holthausen, Altfriesisches Wörterbuch. Heidelberg 1925.

Hoogland = S.J. Hoogland

Jus M. Fr. = Oude Friesche wetten. 2 dln. (ed. M. de Haan Hettema). Leeuwarden 1846-1851.

K. = G. Kramer? Of iemand uit Groningen?

Kiliaan = C. Kiliaan, Etymologicum Teutonicæ Linguæ. (wsch. ed.) Leiden 1777.

v.d.M. = S.J. van der Molen

M.N.D. = Mittelniederdeutsches Wörterbuch. 6 dln. (ed. A. Schiller en K. Lübben). Bremen 1875-1881.

M.N.W. = Middelnederlandsch woordenboek. 9 dln. (ed. E. Verwijs en J. Verdam). “s-Gravenhage 1885-1929.

Molema = H. Molema, Woordenboek der Groningsche volkstaal vergeleken met en verklaard door de naastverwante dialekten en taaltakken, als Drentsch, Overijsselsch, Geldersch, Friesch, Oostfriesch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Noordfriesch, Oudfriesch enz. Winsum

Nauta = G.A. Nauta, Oudfriesche woordenlijst. Haarlem 1926..

Noorderland = Het Noorderland.

O. = D.D. Osinga (1886-1960)

O.F. = schriften Oostfriesland van Postma (?)

OFO = P. Sipma, Oudfriesche oorkonden I-III. “s-Gravenhage 1927-1941.

O.F.W. = ? Ostfriesisches Wörterbuch (ed. C.H. Stürenberg). Aurich 1857.

PHB = Philippus Breuker

R.A. = Rijksarchief Leeuwarden

R.v.A. = Register van den aanbreng van 1511 en verdere stukken tot de floreenbelasting betrekkelijk (ed. W.W. Buma en I. Telting). Leeuwarden 1880.

v. Richthofen = K. von Richthofen, Altfriesisches Wörterbuch. Göttingen 1840.

S. = P. Sipma, Oudfriesche oorkonden I-III. “s-Gravenhage 1927-1941.

dr. S. = Sijpk(ens?)

Schot. Tabl. = “Tablinum” in: Chr. Schotanus, Beschrijvinghe van de heerlijckheydt van Friesland tusschen “t Flie en de Lauwers. z.p. 1664

Sipma = P. Sipma, Oudfriesche oorkonden I-III. “s-Gravenhage 1927-1941.

TL = K. ter Laan, Nieuw Groninger woordenboek. Groningen 1929.

Wümken =


 

Noten

6 De artikelen waarnaar verwezen wordt, zijn van Postma zelf.

7 (noot Postma} Op de eilanden Ameland en Terschelling is ees of ies echter ook wel maadland, maar dan toch in kleine perceelen bijeengelegen.

8 Het artikel is van 1923. In De vrije Fries 43, 90-99, van 1957 gaf Postma nogmaals een overzicht: “Essen op de Friese klei.”

9 (noot Postma) Nu is het echter ook mogelijk dat het woord “koeien” hier niet dient om het begrip “ester” nauwkeuriger te bepalen, maar om de bedoelde eester aan te duiden als dienende voor koeien en niet voor schapen. Een “schapen eester” komt namelijk ook een zeer enkele maal voor.

10 Postma publiceerde over deze kwestie in It Heitelân (1946) en in het Gedenkboek A.E. van Giffen (1947). Zie Van der Molen, a.w.

11 Het voorbeeld is niet overtuigend. “In Wonseragae” betekent: in het dorpsgebied van Wons en daarin, zo kan men het ook lezen, ligt de hemrik. Er staat niet dat de hemrik het dorpsgebied is.

12 (noot Postma) De Duitschers verdeelen het Oostfriesche land in de Marsch in de volgende deelen: 1. Aussendeichs 2. Neumarsch 3. Altemarsch mit Blockflur 4. Hammischerland mit Gewannflur.

13 (noot Postma) Verbeterd volgens het Hs.

14 (noot Postma) Ik vond ook eens “koopleeuw” in een inventaris (met een doodkist). Is dat een “luifel voor koopwaren of een luifel die te koop is” (zooals koopbrood)?

15 Meer uitgebreid en in discussie met J.J. Spahr van der Hoek en P.B. Winsemius behandeld in Fryske Plaknammen VII (Ljouwert )3-4 en VIII (Ljouwert 1958) 5-6.

16 Meer uitgebreid behandeld in O. Postma, “Oer de wurdpearen: waar-weer en war-wer,” in: Fryske Plaknammen IV (Ljouwert 1951) 71-74.

17 (noot Postma) Wel echter in Weststellingwerf.

18 Meer uitgebreid behandeld in O. Postma, “Oer de wurdpearen: waar-weer en war-wer,” in: Fryske Plaknammen IV (Ljouwert 1951) 71-74.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *