De Friesche kleihoeve

Het boek De Friesche kleihoeve (1934), dat hier met toestemming van de redactie overgenomen wordt van Wumkes.nl, is Postma’s hoofdwerk op historisch gebied. Voor het onderzoek naar de Middeleeuwen in Friesland heeft De Friesche kleihoeve de weg gewezen. Het boek zelf heeft nog niets aan waarde ingeboet.

Postma behandelt erin de verdeling van de grond over boerderijen en veldkavels in Friesland, Groningen en deels ook Drenthe en betrekt ook de situatie in onbedijkt land in zijn onderzoek. Zijn methode is retrograad: hij werkt vanuit jongere tijd steeds verder terug. Met registers van landbezit lukt hem dat tot aan het begin van de zestiende eeuw. Verder terug, tot diep in de Middeleeuwen, voeren hem veldnamen, verhalende bronnen als kloosterkronieken en schenkingen van grond aan kloosters. P.N. Noomen en J.A. Mol, met anderen de samenstellers van de Prekadastrale atlas van Friesland (1986 e.v.) en zijn digitale voortzetting Hisgis, erkennen in hem hun voorbeeld. Vooralsnog is 1640 het eindpunt. Tot diep in de Middeleeuwen reiken de talrijke studies die Noomen en ook Mol daarnaast nog gepubliceerd hebben over het specifieke grondbezit van adel, kerken en kloosters. D.J. van der Meer heeft de reconstructie van eerder grondbezit met name gebruikt voor de eigendomsgeschiedenis van adellijke bezittingen en boerderijen. In het algemeen gaat hij – bij gebrek aan bronnen – niet verder terug dan tot ca. 1500. Vergelijkbaar onderzoek als dat van Postma, maar dan op de schaal van een dorp, doet Ph.H. Breuker in Toponymy fan Boazum (1978). Hij geeft door combinatie met veldnamen een beschrijving tot op perceelsniveau en komt daardoor tot preciseringen van Postma ten aanzien van buurschappen, staten, essen en hemriken.

Het onderzoek waarvan De Friesche kleihoeve het resultaat is, vatte Postma in 1922 aan. Hij onderzocht vanaf het begin naast de provincie Groningen ook Friesland. Nadat in 1918 al eens enkele keren stukken uit Leeuwarden naar het Rijksarchief in zijn woonplaats Groningen waren overgestuurd, werd vanaf 1922 tot aan april 1933 een niet aflatende stroom van archiefstukken derwaarts gezonden. In de vakanties bezocht hij het Rijksarchief in Leeuwarden zelf. Nog in de loop van 1922 was hij er dankzij een aanwijzing van mr. D.J. Cuipers al in geslaagd de percelen tot in de zestiende eeuw terug te volgen. Cuipers, die zelf sinds 1917 bezig was met de studie van de geschiedenis van de grondeigendom in Friesland en andere, meer noordelijke streken tot in Denemarken toe, wees hem op de wees- en proclamatieboeken, waarmee de kloof tussen 1546 en 1700 te overbruggen was. Zelf moet Postma toen al geweten hebben van de mogelijkheid die de floreenkohieren uit 1850 boden om de percelen in 1700 terug te vinden. Al bij de eerste zending van 1922 zaten namelijk die floreenkohieren en wel die van Wonseradeel. Postma begon zijn onderzoekingen in Friesland met deze gemeente, waar hij vandaan kwam en waarvan hij eerder al zijn geboortedorp Kornwerd onderzocht had..

Het duurde ruim elf jaar voordat hij zijn onderzoek in een samenvattende studie kon gaan afsluiten. Tussentijds had hij al wel een aantal deelstudies gepubliceerd. Maar in een brief van 16 maart 1933 vroeg hij dan aan het Friesch Genootschap om subsidie voor het boek. Uitgave door het Genootschap zou hij niet durven vragen, zo voegde hij eraan toe. Het bestuur besloot echter meteen op voorstel van mr. P.C.J.A. Boeles tot uitgave. Als het maar leesbaar wordt, vond mevrouw R. Visscher nog, maar dr. S. Cuperus had dit boek liever als Genootschapsuitgave dan het derde deel Oudfriesche oorkonden van P. Sipma, dat immers toch geen nieuws zou bieden. Postma reageerde in mei met de hoop uit te spreken dat het Genootschap ondanks het niet populaire karakter van het werk niet teleurgesteld zou zijn, maar schreef ook: “als dit niet het geval mocht zijn, zal ik toch even goed met het werk doorgaan, dat ik als een belangrijk stuk van mijn leven beschouw.” Hij ging die zomer met pensioen, verhuisde tijdelijk naar Makkum en kon op 1 november al melden dat het boek af was. Hij benaderde uit eigen beweging prof. I.H. Gosses om subsidie te vragen van het Natuurkundig Genootschap te Groningen (waarvan hij tientallen jaren lid geweest was) en die wist inderdaad niet alleen te bereiken dat het Genootschap honderd gulden gaf, maar ook dat prof. A. van Giffen, de archeoloog, de kaarten zou laten tekenen. Er werden twaalfhonderd exemplaren gedrukt. De titel zou aanvankelijk zijn: Bijdragen tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Groningen en Friesland. Dat is later nagenoeg de ondertitel geworden. Van een andere mogelijke titel, Een agraarhistorische studie, was het woord ‘studie’ hem te “vakmanachtig”, zoals hij schreef, nu hij immers toch getracht had ook populair te zijn.

We zijn de redactie van Wumkes.nl zeer erkentelijk voor de toestemming dat we haar uitgave hier over mogen nemen. Het digitaliseringswerk voor Wumkes.nl is gedaan door Wybo Palstra van Steenwijk.

PHB

Boek De Friesche kleihoeve downloaden (PDF-document, 15,4 Mb!)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *