Logo

Obe Postma als historicus van de veldindeling

Philippus Breuker

Obe Postma (1868-1963) was naast dichter en wis- en natuurkundige vooral ook historicus. Zijn historisch werk valt in ruime zin onder de landbouwgeschiedenis. Er zijn globaal genomen drie onderwerpen die zijn belangstelling hadden: veldindeling, boerenhuis en boerenbedrijf. We geven hier een voorlopige oriëntatie in zijn studie van de veldindeling. Eerder schreef ik erover vanuit het perspectief van wat Noord-Friesland voor hem in dit verband betekende.(1) Zijn plaats als onderzoeker in de geschiedenis van het boerenhuis heeft S.J. van der Molen beschreven.(2) Over zijn studies op het gebied van het boerenbedrijf publiceerde M. Knibbe.(3)
Van deze drie onderwerpen neemt dat over indeling en verdeling van het land de belangrijkste plaats onder zijn publicaties in, hoe belangrijk of zijn publicaties over de beide andere onderwerpen ook zijn. Met zijn veelzijdige en diepgaande kennis werd hij op het gebied van de veldindeling al spoedig een geduchte gespreksgenoot van rechtshistorici als L.J. van Apeldoorn en D. van Blom, later ook van historisch of sociaal geografen als E.W. Hofstee, B.H. Slicher van Bath, H.J. Keuning en J.J. Spahr van der Hoek, van de archoloog A.E. van Giffen en van filologen als K. Fokkema, W.J. Buma en P. Sipma.
Als een rode draad loopt door Postma’s onderzoek naar de veldindeling het zoeken naar een antwoord op de vraag of er op de klei in Friesland een hoevenstelsel is geweest. In een hoevenstelsel, zo omschrijft Postma het ergens, kunnen de hoeven van een dorp of buurschap als gelijkwaardige, vrijwel onveranderlijke grootheden beschouwd worden, waaraan gelijke rechten en plichten verbonden zijn. In het bijzonder toont zich die gelijkheid in een even groot aandeel in de bijbehorende complexen van bouwland (essen) en weiland (meenscharren).(4) Het idee van een algemeen geldend hoevenstelsel is inmiddels allang verouderd, maar de geschiedenis van het ‘common land’ (waarvan naast es en meenschar als derde gemeenschappelijk hooiland deel uitmaakt) is nog erg onduidelijk.(5)
Wat Postma gedaan heeft zijn twee dingen. Hij heeft aangetoond dat er op de Friese klei geen bewijs voor het bestaan van een hoevenstelsel is en hij heeft aard en geschiedenis van es en hemrik (dat is gemeenschappelijk hooiland) daar en van meenschar elders in Friesland  beschreven. Hij aarzelt of er op grond van de schenkingen van grazen (terra boum, animalium, pecudum) in de registers van het klooster Fulda uit de achtste tot de tiende eeuw ook op de klei tot het bestaan van meenscharren in vroege tijden moet worden besloten.(6) 
 
Datering

Aanvankelijk was het historisch onderzoek van Postma niet veel meer dan liefhebberij. Hij publiceerde toen nog over onderwerpen op zijn vakgebied, de wis- en natuurkunde, en zijn historische belangstelling bepaalde zich tot zijn geboortedorp. Uit zijn aantekenschriften valt bovendien af te leiden dat hij in het begin alleen nog gedrukte bronnen raadpleegde, in het bijzonder betreffende de registratie van boerderijen met hun bezit aan land zoals die is vastgelegd in het Register van den Aanbreng uit 1546. Het begin moet in 1912 zijn geweest, want in dat jaar is geschiedenis voor het eerst onderwerp van gesprek in de briefwisseling met zijn vriend, T.J. (Tjitse) de Boer, die zelf belangrijke studies over Friese landbouwgeschiedenis had geschreven voordat hij in 1906 hoogleraar in de filosofie en het volgende jaar ook in de psychologie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam geworden was.(7) Postma dicht in 1912 ook voor het eerst over een Kornwerd in een ver verleden.
Maar al was het nog liefhebbberij, grondig deed hij het wel, want op 8 juni 1914 kon hij aan Johan Huizinga schrijven: ”Ik heb van den zelfden tijd, 1546, van een friesch dorp, ook op de klei gelegen, de landverdeeling nagegaan en gevonden, dat er meer landgebruikers waren dan thans huisgezinnen. Het land is volledig in cultuur gebracht en netjes in ongeveer dezelfde stukjes verdeeld als thans.” Daardoor was hij in staat vraagtekens te zetten bij Huizinga’s idee dat in de zestiende eeuw het Fries in de Ommelanden snel was verdwenen.()8 Huizinga had hem zijn pas verschenen studie over het onderwerp gestuurd, kennelijk wetende van Postma’s belangstelling.
Het lijkt erop dat Postma daarna met andere dingen bezig is geweest (hij schreef in de volgende jaren onder meer mee aan een gedenkboek van zijn school) en dat hij pas weer in mei 1918 of mogelijk iets eerder zijn historische studie opvatte, maar toen dan ook voorgoed. Hij las toen achtereenvolgens A.E. van Giffen Die Fauna der Wurten, S. Cuperus, Kerkelijk leven (1916) en L.J. van Apeldoorn, De kerkelijke goederen (1915).(9) Spoedig daarna kwam hij voor het eerst met de resultaten van zijn onderzoek naar buiten. Op 6 juli 1918 stuurde hij de redactie van De vrije Fries zijn studie’Een Friesch dorp in 1546,’ met de mededeling dat hoewel die maar over één dorp ging, ”verschillende resultaten …  ook wel algemeene beteekenis hebben; maar in elk geval kan het stukje eenigszins als proeve gelden wat er uit het Register van den aanbreng zoo al te halen is.” Dat dorp is Kornwerd en het artikel behandelt de verdeling van het land in bedrijven en percelen, aard en gebruik van de grond, de eigenaars, en de grootte der bevolking. Tot model had hij genomen de studie van De Boer over ’De Friesche grond in 1511,’ die gepubliceerd was in 1907.(10)
Nog was toen niet de richting van zijn studie bepaald. Wel las hij in 1918 ’De Friesche kleiboer’ van T.J. de Boer,(11) maar dat was nog een algemeen overzicht van het boerenbedrijf door de eeuwen heen. Hij vond er echter verwijzingen in naar de meer specifieke werken van P.J. Blok, Studies over Friesche toestanden in de middeleeuwen, Philipp Heck, Die altfriesische Gerichtsverfassung en August Meitzen, Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen, der Kelten, Römer, Finnen und Slawen.(12) Het is dit grondleggende werk in vier delen van Meitzen geweest dat bepalend werd voor de richting van zijn onderzoek. Het sloot nauw aan op wat hij al bij Van Apeldoorn en Heck over volle hoeven, groothoeven en het Gewannstelsel met zijn essen had gelezen..
Meitzen onderscheidde verschillende typen nederzettingen. Het Nederlandse kust- en rivierengebied, waaronder dus ook Friesland, had als variant van het grotere Keltische gebied met zijn privaat bezit waartoe het behoorde, ’Marschhufenkolonien,’ geen Gewanndörfer als in kernland Duitsland en later veroverde gebieden in Frankrijk, Zwiterland en Oostenrijk.(13) Voor wat Friesland betreft, verschilde Postma met hem van mening. Hij ging ervan uit dat daar mogelijk ook een Hufenverfassung was geweest. Nieuw was het gebruik dat Meitzen maakte van kaartmateriaal. Dat zou Postma overnemen. En net als Meitzen begon hij op basis van kaart- en kadastermateriaal te zoeken naar de voor oorspronkelijk te houden situatie.
Waarschijnlijk las hij Meitzen nog in 1919. In de loop van 1920 begon hij opnieuw met archiefonderzoek, nu niet alleen meer van Kornwerd, maar ook van Groningen en Drenthe. Op 14 juli 1920 staat hij in het bezoekersregister van het Rijksarchief in Groningen ingeschreven met onderzoek naar de ”friesche landmaten en de agrarische toestand.”(14) Toen had hij inmiddels de studies van A. Dopsch, Die Wirtschaftsentwicklung der Karolingerzeit, vornehmlich in Deutschland en Wirtschaftliche und Soziale Grundlagen der Europäischen Kulturentwicklung (1918) gelezen en ook die van F. Swart, Zur friesischen Agrargeschichte (1910) en Karl Lamprecht, Deutsches Wirtschaftsleben im Mittelalter. Ook had hij al aantekeningen gemaakt uit de schenkingsregisters van Fulda, Werden en Corvey. Ongetwijfeld is het dr. I.H. Gosses (1873-1940) geweest, de Groninger mediëvist, die hem in de literatuur wegwijs heeft gemaakt. Meermalen staan er tussen de uittreksels aantekeningen van mondelinge mededelingen van Gosses. Jaren later noemt hij hem zijn buurman (ze woonden dicht bij elkaar in dezelfde straat) en leidsman op historisch gebied.(15) Gosses was, zo schreef hij in 1933 bij correspondentie over het nog te verschijnen Friesche kleihoeve ”met mijn studie zeer wel op de hoogte.”(16)
Niet direct pakte hij het vraagstuk van de veldindeling nog aan.Eerst richtte hij zich op vraagstukken van landmaten en maataanduidingen. In juni 1920 publiceerde hij een grondige studie over de pondemaat als landmaat.(17) Daarin bedankt hij Gosses voor zijn hulp.(18) Over een hoevenstelsel spreekt hij niet. Wat hij doet is aantonen dat een pondemaat een maateenheid is, geen geldeenheid. De overeenkomst tussen pond en maateenheid bestaat erin dat ze beide uit 240 eenheden bestaan.
Op 19 januari 1922 werd hij weer ingeschreven op het Rijksarchief in Groningen, zoals gebruikelijk was bij het eerste bezoek in een jaar. Zijn onderwerp was nu ’de verdeeling van de bodem.’(19) Naast zijn schriften ’Geschiedenis,’ die hij van nu af reserveert voor uittreksels uit gedrukte werken, heeft hij inmiddels voor zijn aantekeningen uit archivallia ook schriften ’Groningen en Drenthe’ aangelegd en iets later doet hij dat ook van ’Friesland.’ De eerste bevatten aanvankelijk vooral naar het voorbeeld van Meitzen kaarten van grondbezit en aantekeningen uit de eigendommen aan landerijen van de stad Groningen, waaronder bij Haren en in Westerwolde, de tweede, die over ’Friesland,’ van Kornwerd.(20)
Het onderzoek spitst zich aanvankelijk nog nader toe op landmaten, met name op de vraag naar het verband tussen boerderijen (’hoeven’) en de maataanduidingen virga en pes, die hij aantrof in achtste- en negende-eeuwse Friese schenkingen aan de kloosters in Fulda en Werden. Heck had in die aanduidingen een bewijs gezien dat er ook in Friesland een Gewannstelsel was geweest. Het leidt tot de studie ’Virga en Pes in de registers der kloosters te Fulda en te Werden, bijdrage tot de kennis van de oud-friesche hoeve,’ die gepubliceerd werd in 1923 in de derde aflevering van De Vrije Fries, deel 27, maar al afgerond moet zijn in 1922.(21) Maar ook zal hij toen al zijn studie ’Esschen op de Friesche klei’ geschreven hebben, hoewel die pas gepubliceerd  werd in jaargang 20 van de Driemaandelijksche Bladen uit 1923. Het tijdschrift was sinds 1919 niet meer verschenen. Reden om deze studie niet na 1922 te dateren is het feit dat ze nog niet op archiefonderzoek berust.(22)
Een belangrijke stap vooruit betekende de oplossing van de vraag hoe hij verbinding kon leggen tussen de contemporaine situatie en de situatie zoals die beschreven was in de zestiende-eeuwse Registers van de Aanbreng. Die oplossing dankte hij aan mr. D.J. Cuipers, die hem in 1921 of 1922 leerde hoe met behulp van floreenkohieren de verdeling van land over boerderijen in het jaar 1700 was te vinden.(23) Cuipers maakte studie van het grondbezit in zijn geboortedorp Eestrum. Hij had Postma ook gewezen op de mogelijkheden om via de zogenoemde proclamatie- en weesboeken nog verder terug te komen.(24) Vandaar dat Postma bij brief van 8 september 1922 de Rijksarchivaris in Friesland kan vragen of er stukken zijn tussen 1546 en 1700 als studiemateriaal ”betreffende de verdeeling van den bodem van het friesche dorp Kornwerd.” Hij noemt dan inderdaad de proclamatie- en weesboeken.
Vanaf 1922 komt er geen eind meer aan het archiefonderzoek. Dat concentreert zich nu op Friesland. Op 20 november 1922 worden hem voor het eerst om de drie weken stukken uit Leeuwarden toegestuurd, tot hij in 1934 – om maar dichter bij het archief te zitten - na zijn pensionering als leraar van Groningen naar Leeuwarden verhuist. Aanvankelijk betreft het nog stukken uit Wonseradeel, de grietenij waar Kornwerd in lag, maar vanaf 11 december 1923 breidt hij zijn onderzoek uit naar andere grietenijen. Hij blijft daarnaast ook veel literatuur lezen. Tot in 1928 volgt een niet aflatende stroom van uittreksels, maar dan wordt zijn studie van literatuur meer incidenteel. De systematische studie van literatuur sluit hij af met het doornemen van een aantal tijdschriften, zoals de delen 9 (het eerste dat op de UB in Groningen aanwezig was) tot 20 van het Vierteljahrsschrift für Sozial und Wirtschaftsgeschichte en de delen 32 tot 46 van het Zeitschrift der Savigny Stiftung für Rechtsgeschichte. Ook ging hij toen nog na wat er aan Wageningse dissertaties verschenen was. Vanaf 1933 was het zo goed als afgelopen met literatuurstudie. Van toen af baseerde hij zijn studies bijna uitsluitend nog op archiefonderzoek. Zijn monografie over De Friesche kleihoeve (1934) betekende wat literatuurstudie betreft tegelijk een hoogtepunt en een eindpunt.

Positionering in de wetenschap

Van begin af aan heeft bij Postma de vraag centraal gestaan of er op de Friese klei nu wel of niet een ’Hufenverfassung’ als voortvloeiende uit een ’Markgenossenschaft’ was geweest. Hij kon zich er maar moeilijk los van maken dat die er inderdaad ooit geweest moest zijn. Hij was  geïnteresseerd in de oorsprong van het verschijnsel, zoals negentiende-eeuwers als Grimm, Von Maurer en Von Gierke dat waren geweest, en vooral ook Meitzen, diein 1895 een indrukwekkend overzichtswerk van heel West-Europa schreef.(25)
Postma maakte kennis met de problematiek toen hij in 1919 Meitzen las. Meitzen was zeer stellig in zijn opvatting dat er voor grote delen van West-Europa uitgegaan moest worden van zo’n Hufenverfassung. Juist door het monumentale karakter van zijn werk kon hij lang gezaghebbend blijven, ook al waren er al vroeg onderzoekers, ook in Duitsland, die er anders over dachten. Meitzen, zo kan men bij Rösener lezen, ging niet inductief te werk, maar baseerde zich op zekere oudere theorieën. Hij gaf een formele in plaats van een causaal-functionele verklaring, wilde Siedlungstypen aan een bepaalde tijd van ontstaan en aan volksstammen toekennen, leidde het Middeneuropese Haufendorf met Gewannflur uit een veronderstelde oudgermaanse Markgenossenschaft af, zag een ontwikkeling van gemeenschappelijk eigendom naar privee-eigendom, eerst in huis en hof, daarna in bouwland, totdat alleen in de Allmende de oorspronkelijke toestand (van Markgenossenschaft) nog bewaard bleef, dacht dat Germanen nog nomaden waren en onderschatte het belang dat veeteelt ook al in de laatantieke tijd had.(26)
Meitzen wees het bestaan van een Hufenverfassung voor Friesland af. Postma sloot zich echter aan bij Acker Stratingh (1865), die aangetoond zou hebben dat niet alleen de Saksers, maar ook de Franken en de Friezen een hoevenstelsel hadden gekend. Meitzen zette hij tegenover Heck, Rhamm, Swart, Acker Stratingh, Beekman en Van Apeldoorn, die van mening waren dat er al vanoudsher zo’n stelsel was geweest, ook op de Friese klei. Zij beschouwden de Friese hemrik als een mark. Gosses en Joosting zagen er echter niet veel anders in dan een waterschap(27)
Postma was dus gevoelig voor het idee dat er ook op de Friese klei een hoevenstelsel was geweest. Voor hem kan daarbij in het bijzonder nog van betekenis zijn geweest dat hij in Kornwerd een voormalige es had ontdekt. In de theorie van het hoevenstelsel nam de es als gemeenschappelijk gebruikt dan wel gemeenschappelijk in eigendom bezeten complex van akkerbouwgrond een belangrijke plaats in. Hij was zich van het bijzondere van die ontdekking wel bewust, want hij schrijft dat het een der weinige in Friesland voorkomende essen is.(28) Misschien, zo voeg ik er aan toe, was het wel de eerste keer dat er op de klei een es werd gesignaleerd.     
Met zijn ontdekking, die al spoedig werd uitgebreid met een inventarisatie van essen op andere plaatsen in het kleigebied, ging hij in tegen Van Apeldoorn, die alleen essen op de zandgrond in het zuidoostelijke, aan Drenthe grenzende deel van Friesland had erkend.(29) Hij voelde zich echter in zijn opvatting gesterkt sinds hij in 1921 een gesprek met mr. D.J. Cuipers had gehad, die een vroegere es kende in het veel noordelijker gelegen dorp Eestrum. Naast essen vormden marken met hun Feldgemeinschaft een ander belangrijk element in het idee van een Hufenverfassung. In Friesland heetten marken, aldus moet ook Postma gedacht hebben, vanouds hemriken, en hemriken waren weer meenscharren. Zo kon hij in datzelfde gesprek met Cuipers opmerken dat zij tot deze ”Gemeenschappelijke ontdekking” waren gekomen: ”Verdeeling van hemrijk  = aan de boeren toegewezen, wie gemeenschappelijk zekere stukken van de meenskar zouden mogen beweiden.”(30)
Dit was in 1921. In de volgende jaren liet hem zijn opvatting dat er ook op de Friese klei een markenstelsel was geweest, niet los. Hij was nu eenmaal gevoelig voor wetmatigheden, ook in de geschiedenis.(31) En bovendien waren er meer onderzoekers die overtuigd waren van het vroegere bestaan van marken in Friesland, zij het dan dat het bij hen niet om de klei ging. Cuipers had er één gevonden in Eestrum en Van Blom had ze in 1924 nog eens na een vroegere studie van Houwink in zijn bijdrage ’Dorpscommunisme uit geslachtenbezit?’ te Hollum en Ballum op Ameland aangewezen.(32)
Postma vatte nu de hemrik uit het Oude Schoutenrecht van omstreeks het jaar 1200 (ook wel Landrecht geheten) niet meer op als het gehele grondgebied van een dorp of buurschap, maar meende dat het woord in die oude rechtstekst onjuist gebruikt was. De vierjaarlijkse verdeling van de hemrik waarvan in deze bron sprake is, zou alleen het land van de kerk en de koning betreffen. Het andere land, of het nu grasland of hooiland was, hield hij voor in oorsprong collectief eigendom, in collectief gebruik, met dit verschil tussen die twee echter, dat het grasland later direct uit de toestand van collectief eigendom en gebruik zou zijn overgegaan in individueel, vast eigendom en gebruik, en het hooiland nog vaak en lang in collectief eigendom en gebruik zou zijn gebleven. Ook hier bestrijdt hij de opvattingen van Van Apeldoorn weer, die de hemrik voor het hele dorpsgebied hield en opvatte als gemeenschappelijke grond.(33)
Vervolgens meende hij dat er in de Friese Zuidwesthoek nog lang marke-achtige toestanden hadden geheerst. Dat baseerde hij op het bestaan van meenscharren. Wel was de Zuidwesthoek deels klei, maar toch zou nader onderzoek nodig zijn om een antwoord te vinden op de vraag in hoeverre er in het hele kleigebied marketoestanden zouden zijn geweest.(34)
Daarna kwam hij naar aanleiding van een nieuwe interpretatie van het daar ook genoemde ’truchstrinzede ritherne’ nog eens op de vraag terug wat met de hemrik in het Oude Schoutenrecht bedoeld was. Zijn conclusie was nu dat het een verder weg gelegen.deel van het dorpsgebied moest zijn, (35) meest hooiland omvattend.(36) Hij herhaalde nog eens dat de toestanden, zoals beschreven in het Schoutenrecht en andere rechtsteksten uit dezelfde tijd, erop wezen dat het land toen al grotendeels vast bezit moest zijn geweest.(37) Rond dezelfde tijd, in 1931, stelde hij in reactie op S. Lootsma, dat elk bewijs ontbrak voor diens opvatting dat het bouwland in Friesland ooit eigendom van de gemeenschap was geweest.(38)
Uit die reactie blijkt dus dat hij zich inmiddels niet langer bezig hield met bespiegelingen over toestanden op de klei in tijden waarvan geen gegevens overgeleverd waren. Hij mocht dan naar wetmatigheden zoeken, dat betekende niet dat hij niet uitging van de feiten. Hij ging nu niet langer van een hoevenstelsel uit. Hij beperkte zich tot wat met bronnenmateriaal te bewijzen was en daarmee was het bestaan van een hoevenstelsel niet aan te tonen. Mogelijk had hij inmiddels een instemmende streep in de marge getrokken bij een passage in zijn eerder al gemaakte uittreksel van A. Dopsch, Wirtschaftliche und Soziale Grundlagen der Europäischen Kulturentwicklung (1918). Dopsch zegt daar, dat men ongedeeld eigendom met gemeenschappelijk eigendom heeft verwisseld en ook, dat er geen veldgemeenschap of Flurzwang is geweest.(39) Dopsch stond kritisch tegenover het begripsformalisme van de rechtsgeschiedenis en legde de nadruk op economische factoren en oorkondenstudie.(40)
Het zou wel eens kunnen zijn dat Gosses en De Boer hem de weg naar de feiten gewezen hebben. Er is een brief van 29 december 1922 van De Boer aan Postma, waarin deze in reactie op een niet-bewaarde brief van Postma schrijft de houding van Gosses en van vele historici te begrijpen, ”die de waarde van het feit hooghouden, die met kritische waarneming en sterk geheugen materiaal verzamelen en vasthouden, maar weinig plaats hebben voor het hypothezenspel van de fantazie en de generalisaties van het denken, dat in de wis- en natuurk. (theoret.) te pas komt.”(41) Men zou hier immers een afwijzende reactie in kunnen lezen op een door Postma zelf naar voren gebracht bezwaar tegen een type van onderzoek dat juist niet van een theorie uitgaat. De Boer stond erg kritisch tegenover het idee van een Hufenverfassung. In een bespreking uit 1897 van Meitzens werk merkt hij bijna smalend op dat alles erin naar een vooraf beraamd plan begrepen wordt. ”bij de vestiging wordt het land in gelijkwaardige hoeven verdeeld, alsof men het ideaal der Fransche revolutie voorbeeldelijk wil verwerkelijken, alsof de “rijkshoeve” aan het begin van de geschiedenis zou kunnen staan.” Dat neemt niet weg dat hij ook in Friesland marke-achtige toestanden aannneemt, Marken – die ook anders dan Meitzen denkt ook daar voorkwamen - hield hij voor overblijfselen uit de oudste tijd. En in de lage hooilanden, die nooit geweid worden, treft men er nog wel de ’Gemenglage’ aan.(42)
De omslag in Postma’s denken lijkt niet vóór het schrijven van zijn studie over de gemene scharren in de Zuidwesthoek te hebben plaats gegrepen, dus niet voor ca. 1926. Toen vond hij, zoals we zagen, nog nader onderzoek nodig om te beslissen of er op de hele klei ooit marke-achtige toestanden als daar hadden geheerst. Maar spoedig erna moet Postma zelf zich ook tot de feiten zijn gaan bepalen. In zijn zeer kritische bespreking van Siebs’ werk Grundlagen und Aufbau der altfriesischen Verfassung stelt hij in 1933 Gosses tegenover iemand als Siebs, die hij een constructieve geest noemt, meer constructief en systeem-vormend dan zuiver historisch.(43)
In overeenstemming met zijn gerichtheid op bronnenmateriaal heeft Postma ook nooit over zijn onderwerp in gebieden buiten het vanouds Friese land geschreven. Ook daarin lijkt hij op Gosses.(44) Hij betrekt ook weinig theoretische literatuur in zijn onderzoek. Als hij het doet, zoals met Meitzen en Van Apeldoorn, dan is het om hen met feitelijke gegevens uit bronnenmateriaal te weerleggen. Hij heeft altijd veel bronnenuitgaven gelezen. Alleen in de beginjaren las hij daarnaast een groot aantal theoretische studies over voor- en (vroeg-)middeleeuwse toestanden. Eruit aangehaald of van gebruikt heeft hij echter maar weinig.(45)
Die nuchtere houding  tekent dan ook zijn samenvattende monografie over de Friesche kleihoeve uit 1934. Het is de synthese van jaren van onderzoek over de vraag of er in Friesland een hoevenstelsel had bestaan. Zijn antwoord is, ook in de vele nadere studies die nog zouden volgen, voor de klei: nee en voor de zandgrond: ja.(46) Tegen Swart (en met hem tegen Heck) is zijn betoog ook in de Kleihoeve weer gericht als hij in het gebruik van virga en pes geen aanwijzing ziet voor het bestaan van een hoevenstelsel. Wel laat hij in het midden of er ook op de Friese klei geen ongeveer gelijkwaardige hoeven kunnen zijn geweest, maar hij voegt eraan toe dat de meningen zeer zullen uiteenlopen over de vraag hoe ver men mag gaan om nog van een hoevenstelsel te kunnen spreken. Tegelijk wijst hij ook zijn eigen, vroegere opvatting af dat de pes toch een hoevequotum is geweest, zij het niet delende in de Gewannen der bouwlanden zoals Meitzen en anderen (onder wie Cuipers) meenden, maar in de weiderechten in de gemene weide. Hij houdt nu virga voor niets anders dan een aantal grazen.(47) Toch blijft hij voorzichtig: nog in zijn bijdrage aan de Geschiedenis van de Friese landbouw (1952) heet het dat de kleistreek in de tijd van de kloosterschenkingen (ca. 750-ca. 950) ”waarschijnlijk geen ”hoevenstelsel” had.”(48)
Bij gebrek aan gegevens ziet hij er vanaf om een verbinding te leggen tussen den tijd van de schenkingen aan de kloosters te Werden en Fulda en de tijd van Caesar, Plinius en Tacitus, wier mededelingen over de landbouwtoestanden der Germanen opgevat konden worden als een teken dat er een agrarisch communisme had geheerst.(49) Veldnamen wijzen overigens wel op oudere toestanden met meer gemeenschapsbezit.(50) Hij laat zich over de vroegste tijden niet meer uit en eindigt zijn retrograde behandeling bij de kloosterschenkingen uit de achtste en de negende eeuw. Het zal om het gebrek aan gegevens zijn dat hij voor zo’n behandeling van het onderwerp kiest. In zijn inleiding schrijft hij dat men de methode van onderzoek ook vindt bij Engelse schrijvers. Hij noemt dan Seebohm en Maitland.
In zijn bijdrage aan de Geschiedenis van de Friese landbouw (1952) begint hij wel bij het begin. Hij voegt nu aan de beschouwingen over Caesar en Tacitus de resultaten van de opgravingen van Van Giffen toe. Daarin, alsook in het Romeinse schrijftafeltje van Tolsum, ziet hij een bewijs dat er in de tijd van Caesar en Tacitus in Friesland privaatbezit is geweest. Van Giffen heeft immers laten zien dat het grondplan van de woningen gelijk gebleven is.(51) Hij had zelf intussen ook opnieuw kunnen aantonen dat er op de klei geen sporen van een hoevenstelsel zijn. Dat deed hij in een weerlegging van de opvattingen van A. de Goede. De gronden waarop deze zo’n stelsel in West-Friesland had gebaseerd, deugden niet.(52) Zijn lokalisatie van een schenking in 855 aan het klooster Werden als een nog vrijwel identieke bestaande boerderij in Eemswoude onder Bolsward had hem bovendien opnieuw doen opmerken dat die dan wel niet betekende dat de grond direct bij de inbezitneming al verdeeld was als in 855, maar dat ze ook geen aanwijzing was voor een over langere tijd gemeenschappelijk gebruiken van die grond.(53)
Het idee van een hoevenstelsel laat hem echter nog niet los. Hij gaat tussen 1950 en 1955 nog eens in bijzonderheden na hoe het in de zandstreken zit en op Ameland en in de Friese Zuidwesthoek. Hij toont daarbij onjuistheden aan in de onderzoekingen naar een hoevenstelsel in de Noordelijke Wouden van Spahr van der Hoek en Cuipers en noemt de verwachting van de eerste dat hij behalve voor grasland ook voor hooi- en bouwland gelijke getallen voor de oorspronkelijke grootte der landerijen kan deduceren, een illusie.(54) Postma was scepticus geworden. Als hij later nog eens afzonderlijk over essen op de klei en over meenscharren in de Zuidwesthoek schrijft, komt hij niet meer op een hoevenstelsel.(55)    
Een tweede discussiepunt in de Kleihoeve betreft het verband tussen geslacht en nederzetting. Tegen Van Apeldoorn voert hij aan dat het verband niet zo duidelijk is als deze meent. Hij vat diens kroongetuigen ’fliutae,’ ’aratra’ en ’taam’ anders op. De eersten wonen in het onderhavige geval niet in een bepaalde nederzetting, maar verspreid over vier kerkdorpen, de ’aratra’ zijn geen ploeggangen maar ploegen volks en een ’taam’ is geen geslacht, maar een groep gelijksoortige dingen, in dit geval een groep rechtvoerende staten.(56) Ook is hij het niet met Van Apeldoorn eens en met deze niet met Siebs, dat er in Friesland en meer in het bijzonder op Ameland geslachtshoeven zouden zijn geweest, die dan groothoeven zouden zijn. Dat betekent echter ook hier weer niet, dat hij de mogelijkheid van een Friese geslachtshoeve voor een zeer ver verleden afwijst. Het zal alleen moeilijk uit te maken zijn.(57)
De vraag of een buurschap met een geslacht samenhangt, houdt hem na zijn weerlegging van Van Apeldoorn nog lang bezig. Hij komt er voor het eerst op terug in een beschouwing uit 1941 over het ontstaan van geslachtsnamen in Friesland. Geslachtsnamen zijn in Friesland, zo laat hij zien, voor het eerst overgeleverd uit de twaalfde eeuw. In de registers van eigendommen en inkomsten van de kloosters Fulda en Werden uit de achtste en negende eeuw ontbreken ze. Daarom kunnen de daar wel voorkomende plaatsnamen geen geslachtsnamen zijn, hoezeer ze er ook op lijken. Een plaats als Adegem (uit *Addingahem) heet niet naar het geslacht Addinga, maar naar de persoon Adde.(58) En dus, zo is zijn conclusie, is er geen reden om nederzettingen met geslachten te verbinden.
In 1946 wijdt hij er speciaal een publicatie aan. Zijn conclusie is dezelfde, al kunnen in later tijd, toen er al geslachtsnamen waren, boerderijen mogelijk wel naar zo’n geslachtsnaam van de eigenaar genoemd zijn, want die zijn jonger dan nederzettingsnamen.(59) Maar ook in dat geval wijst hij dus vernoeming naar een geslacht af. De kwestie zit hem hoog. In 1956 grijpt hij een studie die hij maakt over het rechtsbestel van Appingedam nog eens aan om haar opnieuw aan de orde te stellen. Van mening veranderd is hij niet, ook al heeft Van Apeldoorn bijval gevonden van Frima en De Blécourt.(60)
Een derde punt betreft de vraag of er in Friesland een hofsysteem is geweest, zoals elders in Noordwest-Europa. Het hangt uiteraard samen met het vorige, hoewel Postma het verband niet legt. In de Kleihoeve stelt hij het ook nog niet aan de orde. Hoven zijn herenboerderijen met omringende kleinere boerderijen. Hij heeft ze niet kunnen vinden en dat hoeft, zo zegt hij, ook niet te verbazen, want het ontbreken is net zo karakteristiek voor de Friese vrijheid als het spoedig verdwijnen van de horigheid.(61) Het is duidelijk dat hij hier teruggaat op de visie van Slicher van Bath.(62)
Het is voor de huidige lezer wel opmerkelijk dat Postma nauwelijks of geen aandacht aan de adel met zijn grootgrondbezit besteedt.(63) Adel noch adelsbezittingen worden in de Kleihoeve genoemd en ook later trouwens betrekt hij ze niet in zijn beschouwingen. Volgens Postma mogen er dan geen hoven in Friesland zijn geweest (hij kent, zegt hij, alleen een hof in Baflo), als hij zijn reconstructie van boerderijen had gecombineerd met genealogisch onderzoek, dan zou hij in alle dorpen wel naast elkaar liggende boerderijen van één adellijke familie hebben gevonden en dat zou hem dan hebben kunnen doen vermoeden dat er nog tot in de late Middeleeuwen grootgrondbezit in vele nederzettingen moest zijn geweest. Het ontbreken van de adel past trouwens in het grotere verband van het ontbreken van aandacht voor de sociale werkelijkheid waarin een hoevenstelsel überhaupt zou kunnen zijn ontstaan. Gelijkheid van boerderijen veronderstelt immers een uitgevende partij of een overheid die regels hanteert.
Maar zo opmerkelijk is dit allemaal toch niet. Postma in zijn tijd kon moeilijk op het idee van een regulerende instantie komen, zij het nu een overheid was of een grootgrondbezitter, want hij ging ervan uit dat de eenheid van de samenleving uit vrije en onafhankelijke boeren bestond. Adel zou pas laat ontstaan zijn. Hij liet zich leiden door de opvatting dat er geen verschil was tussen eigenerfde boeren en adel. Het is de oude opvatting van Ubbo Emmius, die in Postma’s tijd krachtig beleden werd door Gosses in diens Friesche hoofdeling. Ook Heck hing haar al aan.(64) Zij menen dat de laat-Middeleeuwse adel voortgekomen is uit grondbezitters en ze wijzen het bestaan van een geboorte-adel af.(65) Zo denkt ook Postma erover.(66) Hij kende uiteraard De Friesche hoofdeling.(67)
Er is echter nog iets opmerkelijks. Gosses ziet er in zijn Friesche hoofdeling vreemd genoeg geen bezwaar in om voor wat de herkomst van de Friese adel betreft, de lijn door te trekken naar zeer vroege tijden, waarover weinig of niets bekend is, hoewel hij zich in diezelfde studie nadrukkelijk distantieert van hen die uitspraken doen over tijden waarvan nauwelijks iets bekend is. Ook Postma trekt het idee van een oeroude vrije boerenstand in Friesland door naar heel vroege tijden. Hij gaat er daarnaast ook van uit dat de samenhang tussen de nederzettingen op de klei, in casu de terpen, niet veranderd is. Het gebied zou altijd ingedeeld zijn in clusters van centrumterpen met een aantal ondergeschikte terpen. Die terpdorpen zouden het beheer over de gemeenschappelijke grond hebben gehad. Dat zegt hij wel niet, hij noemt in dit verband de Zuidwesthoek en de zandgrond, maar hij zwijgt over de essen op de klei en die zouden in zijn gedachtengang uiteraard net zo goed onder dorpsbeheer vallen. Om daarover iets te kunnen zeggen, zou echter de lokale situatie onderzocht moeten worden en dat heeft hij niet gedaan.(68) Een andere gedachte van hem is is dat de eenheidvormende instantie geen grondheer geweest kan zijn. Dat leidt hij af uit de verstrooid over ver uiteengelegen plaatsen liggende schenkingen van zulke grondheren aan Fulda.(69) Het zou van belang zijn om ook voor Friesland de betekenis na te gaan van de Grundherrschaft, die Kötzschke in zijn Allgemeine Wirtschaftsgeschichte des Mittelalters (1924) ’das bedeutsamste Element frühmittelalterlicher Agrarverfassung’ noemt.(70) Postma ziet ook geen veranderingen in nederzettingspatroon. Hij meent dat terpen steeds bewoond zijn gebleven en wist nog niet dat er ook Flachsiedlungen zijn geweest en terpen die verlaten zijn.(71)
Wat die vrije Friezen betreft, uit het beeld dat uit de Lex Frisionum voor de tijd rond het jaar 800 oprijst, dat de bevolking namelijk bestond uit edelen, vrijen, liten en slaven, wijst hij af, ook al stemt het overeen met dat uit de schenkingen en bezittingen van de kloosters Fulda en Werden in dezelfde tijd. Hij sluit zich daarmee aan bij de opvatting die naar hij zegt de meeste geleerden van zijn tijd inmiddels aannemen.(72) Wie dat zijn vermeldt hij niet, maar ongetwijfeld heeft hij aan Gosses gedacht. De archeologie, waarbij hij met name op Van Giffen doelt, noemt hij zelf, zij het op een andere plaats. Die heeft namelijk laten zien dat er bij de Germanen al privaat eigendom was en dat verdeling en gebruik van grond meer door de aard van de bodem dan door volksaard beheerst wordt.(73) Maar bovenal moet hij Slicher van Bath bedoeld hebben, leerling van Gosses. Die had in 1949 in zijn ’Problemen rond de Friese Middeleeuwse geschiedenis’ betoogd dat Friesland doorgaand veeboeren had gehad, al in de terpentijd, getuige de grote veeboerderijen die Van Giffen had blootgelegd, en vervolgens ook in Romeinse tijd en in de tijd van de schenkingen aan Fulda en Werden. Hij beroept zich op Postma als hij zegt dat de veeteelt van oudsher het hoofdbedrijf in de Friese kleistreken was.(74) Door een economie van veeboeren zouden de gewone middeleeuwse vormen van overheersing geen vat op de Friezen hebben gehad.(75)
Zelf heeft Postma dus ook tot het vestigen van die heersende opvatting bijgedragen. Hij immers was na jaren van onderzoek tot de conclusie gekomen dat de Friese klei geen markenstelsel of hofstelsel had gekend. Al veel eerder had hij laten zien dat er ook in streken met veel gemeenschappelijk gebruikt land als Noord-Friesland altijd ook individueel bezit was geweest.(76) Zo kon hij schrijven dat de grote meerderheid der bevolking in de oudere ”oertijd” bestond uit vrijen. Er waren volgens hem steeds maar weinig onvrijen, wier aantal echter naderhand door verarming van de vrijen toenam, terwijl daartegenover een betrekkelijk klein deel van die vrijen het tot ”grondheer” bracht, meest van een bescheiden soort.
Buiten deze drie vraagstukken van hoevenstelsel, hofstelsel en verhouding tussen nederzetting en geslacht betreffen zijn studies over veldindeling in hoofdzaak de verklaring van veldnamen voor gemeenschappelijk gebruik. Maar hij schrijft ook over onderwerpen als de Friese steden en hun ’uitburens’, de magistraat van een stad als beheerder van meenscharren, de positie van het vlek, de Friese kloosters met hun corpora, en een grafelijk dorp.(77) Het zijn nog uitsluitend studies op basis van meest aan archivalia ontleend bronnenmateriaal. Theorie komt er niet meer aan te pas, maar vaak zijn het wel reacties op opvattingen van anderen.

Besluit

Overziet men Postma’s houding als wetenschapper, dan kan men die typeren als van iemand die een theorie op haar houdbaarheid onderzoekt of zelf vragen stelt en probeert te beantwoorden. Vaak komt het erop neer dat hij theorieën verwerpt. Zelf theorieën ontwerpen lag kennelijk niet zo in zijn aard. Hij baseert zijn opvattingen uiteraard steeds op feitenmateriaal, maar gaandeweg verdwijnt de theorie naar de achtergrond en bepaalt hij zich helemaal tot de feiten. Dat wil overigens niet zeggen dat hij geen vooringenomenheden en de daarbij behorende blinde vlekken heeft. Voor adel heeft hij geen oog, omdat hij uitgaat van vrije boeren. Ook neemt hij maar aan dat rechten en regelingen omtrent gemeenschappelijk gebruik van begin af aan aan een centrum waren gebonden en niet aan elke terpnederzetting afzonderlijk.

Bijlage
                                                                                                     
In het volgende alfabetische overzicht staan de werken waarvan Postma in de periode 1918 – 1928 een uittreksel maakte of die hij aanhaalt in zijn publicaties tot en met De Friesche kleihoeve van 1934. Niet opgenomen zijn de talrijke bronnenpublicaties en de publicaties over munten. Tussen haakjes staan in voorkomende gevallen verkort aangehaald de publicaties van Postma waarin de bedoelde literatuur wordt aangehaald. 
In al zijn publicaties samen haalt hij (afgezien van de bronnenpublicatie over het klooster Werden van Kötzschke, die met acht maal aan de top staat) naar het aantal verschillende publicaties gerekend het meeste Van Apeldoorn aan (zes maal, maar met twee verschillende publicaties), Swart (vijf maal), dan Heck (vier) en Acker Stratingh, Van Blom, Lamprecht, Meitzen en Seebohm (elk drie maal). Veel studies waarvan hij wel een uittreksel maakte, haalt hij nooit aan. Die zijn in dit overzicht vet gedrukt. Vet gedrukt zijn ook de inventarisnummers van de schriften waarin het uittreksel staat. Ze maken deel uit van OPS tg. 200-03, Tresoar Leeuwarden. Zie voor een inhoudsopgave per schrift de ’Lijst van uittreksels en aantekeningen Geschiedenis’ in de rubriek Bibliografie op www.obepostma.nl

G. Acker Stratingh, Marken in Fr., Vsl. en med. der KNAW afd. letterk IX, 1865 (Virga; Esschen; Vierjaarlijksche) 
G. Acker Stratingh, De inkomsten der stad Groningen van het Gerecht in 1563-1564, Bijdr. tot de gesch. en oudhk. inz. v. Groningen V (Kleihoeve) 103/32
Acta Sanctorum (1675), leven Liudger 136/65
Anlagen zu den Stenographischen Reisacten über die Verhandlungen des Hauses der abgesandten, 1878-1879, 1e bd. Nr. 1-120 (1879), nr. 54: Denkschrift über die Verhältnisse der Gehöfenschaften im [?]  Regierungs-Bezik Trier (1878) 136/65
L.J. van Apeldoorn, De kerkelijke goederen in Friesland (1915) (Sate; Esschen; Pleatsen) 78/6
L.J. van Apeldoorn, Ontbindende en samenbindende krachten, 1921 (Virga; Esschen; Vierjaarlijksche) 96/25
L.J. van Apeldoorn, De historische ontwikkeling van het grondbezit in Fr., DVF 27 (Vierjaarlijksche; Kleihoeve; Landbouw)
L.J. van Apeldoorn, Vredeban en rechte weer, 1923 117/46
Fr. Arends, Ost-Friesland und Jever in geogr., stat. und besonders landwirtsch. Hinsicht (1818) 90/19
Atlas van Nederland 96/25, 124/53; zie ook Engelen van der Veen, Joosting
W.J. Athley, Economic history and theory, 1892 114/43
F.L. Attenborough, The laws of the earliest English kings, 1922  115/44
Otto Auhaugen, Die Grundlagen der Marschwirtsch., 1895 (Kleihoeve) 121/50
J.F. van Beeck Calkoen, Onderzoek der rechtstoestand der geestelijke en kerkelijke goederen in Holland na de Reformatie, 1910 120/49
A.A. Beekman, Het dijk- en waterschapsrecht in Ned., 1905-1907 (Virga) 105/34
A. Beekman, Nederland als polderland, 2e dr. 119/48
W. Bezemer, Een en ander over het Oud-Hollandsch naastingsrecht 116/45
A.S. de Blécourt, Aantt. over Marken, Ts. voor rechtsgesch. I (Virga) 108/37
P.J. Blok, Bijdragen over Friesche toestanden in de middeleeuwen (Bijdr. Vad. GeOK 3e reeks VI) (Esschen) 81/9
Ph. van Blom, De dorpsgemeenten in Friesland, DVF 14, 94/23
Ph. van Blom, Wat de terpen ons leeren, 1895 96/25
D. van Blom Dorpscommunisme uit geslachtenbezit? in Gedenkboek aangeb. aan R. Schuiling 1924 (Scharren; Kleihoeve; hoevevorming)
T.J. de Boer, De Friesche kleiboer, Tw. Ts. 1898, 79/7  
T.J. de Boer, De Friesche grond in 1511, Hist. avonden II, 1907 (Friesch dorp; Virga)
H.W. C. Bordewijk, Inleiding tot de landhuishoudkunde (1924) 137/66
W.W. Buma, Het regt der hervormde floreenpligtigen ten platten lande, 1849 101/30
B. Bunte, Ausführliche Untersuchungen über die auf Friesland sich beziehenden traditiones Fuldensis (Virga) 95/24
Victor Brants,  Histoire des Classes rurales à la fin du XVIIe siècle, 1881 99/28
Georg Brodnock, Handbuch der Wirtschaftsgeschichte., 1925 125/54
Chamberlain, Die Grundlagen des XIV Jhs, 2e dtr. (1900) 78/6
J. Christiansen, Zur Agrargeschichte der Insel Sylt, Archiv f. Beiträge (Kleihoeve)
A. Cosquino de Bussy, Marken in Utrecht, 1925 124/53
Fustel de Coulanges, Recherches sur quelques problèmes d’histoire, 2e ed. 1894 110/39
Fustel de Coulanges, Histoire des institutions politiques de l’ancienne France, 1890 116/45, 117/46
W. Cunningham, The growth of English Industry and commerce during the early and middle ages, 3e ed. 1896 115/44
Cuperus, Kerkelijk leven, 1916 (78/6)
Delisle, Leopold, Etudes sur la condition de la Classe agricole et de l’etat de l’agriculture en Normandie au moyen age (1903) 135/64
W. Delius, Hauberge und Hauberggenossenschaften des Siegerlandes, 1910 (Kleihoeve)
D. Dethlefsen, Geschichte holsteinischen Elbmarschen 121/50, 2e dl 1892 121/50
A. Dopsch, Die Wirtschaftsentwicklung der Karolingerzeit, vornehmlich in Deutschland, 84/12
A. Dopsch, Wirtschaftliche und Soziale Grundlagen der Europäischen Kulturentwicklung (1918) 84/12, 109/38
W.J. Droesen, De gemeentegronden in Noordbrabant en Limburg en hunne ontginning (1927) 137/66
Dronke, E.F.J., Traditiones et antiquitates Fuldenses (1850? (83/11, 85/13, 86/14; daarnaast later nog Bunte in Emder Jahrb. 10) (Pallia)
G.A.J. van Engelen van der Veen, Marken in Overijssel, Geschiedk. Atlas van Ned., 1924 (Kleihoeve) zie ook Atlas
H.O. Feith, Het Gr. beklemrecht (Vierjaarlijksche)
C.H. van Fenema, Het recht der grootburgers op de gemeene of burgerweide te Kampen (1903) 140/69
S.J. Fockema Andreae, Bijdragen tot de Nederlandsche rechtsgeschiedenis 3e bundel (over horigheid), 1892 112/41
J. le Francq van Berkhey, Natuurlijke historie van het rundvee in Holland dl 6 (1811) 136/65
J. Frost, Agrarverfassung und Landwirtschaft in den Niederlanden, 1906 109/38
Julius Gierke, Die Geschichte des deutschen deichrechts, 1901, 2e dl 1917  120/49
Otto von Gierke, Die Mark- und Walderbengenossenschaften der Niederrhein (1912), in: Untersuchungen zur D. Staats und Rechtsgeschichte 106e heft 137/66
A.E. van Giffen, Die Fauna der Wurten, 1913 (78/6)
J.J. Gockinga, De verdeeling v.d. markegronden van Hollum en Ballum, 1904 (Kleihoeve)
I.H. Gosses, Welgeborenen en huislieden, 1926 129/58
Otto Greide, Das Deutsche Genossenschaftrecht dl 2, 1873 113/42
Jacob Grimm, Weisthümer dl 3, 1842 111/40
Georg Grosch, Markgenossenschaft und Grossgrundherrschaft im frühen Mittelalter, 1911 110/39
M.Guérin (ed), Collection des Cartulaires de France tome 3, Cartulaire de l’abbage de Saint-Bertin ((1840) 136/65
Jos Habets, Limburgsche wijsdommen, 1891 112/41
Hallema, Inventarissen Franeker ca. 1550 125/54
H.G. Hamaker, De rekeningen der grafelijkheid van Zeeland onder het Henegouwsche huis, 1879 117/46
Georg Hanssen, Zur Geschichte der Feldsysteme in Deutschland, Agrarhist. Abh. I, 1880 (Virga; landbouw) 97/26
G. Hanssen, Agrarhistorische Abhandlungen II, 1884 (Truchstrinzede), 95/24, 97/26
G. Hanssen, Agrarhist. Abhandlungen I, II, 1910 (Kleihoeve)
R. Hansen, Zur Topographie und Geschichte Dithmarschens, Zs. etc. 27 (Kleihoeve)
Ph. Heck, Die altfriesische Gerichtsverfassung 1894 (Dorp; pounsmiette; Virga; Kleihoeve) 82/10
R. Hildebrand, Recht und Sitte auf den verschiedenen wirtschaftlichen Kulturstufen, 1896 110/39
J.Hoops, Reallexicon 92/21
J. Houwink, De staatkundige en rechtsgeschiedenis van Ameland, 1889 (Virga; Kleihoeve) 90/19
Huizinga, 1914, Dr, Bl 1914, 76
Hoops Reallexicon der Germ. Altertumskunde (1911-’13), 92/21
J.C.G.Joosting, De gr. marken, in: Geschiedk. Atlas van Ned. 1e afl.1920 (Virga); cf. aantt. van dr. Joosting marken Westerwolde in 91/20; Drente, Gr. Ov., Ge 96/25; zie ook Atlas
J.C.G. Joosting, en S. Muller Fzn, Kerkelijke rechtspraak in de Middeleeuwen, 1906 [verdronken dorpen] 119/48
J.M. Kemble, The Saxons in England, 1849 (personen) 114/43
Alexander Kaufmann, Beiträge zur Kenntnis der Feldgemeinschaft in Siberien, 1896 103/32
J. de Koning Samenvoeging en verdeeling van grondeigendom, 1892 116/45
Kötzschke, moet gestaan hebben in niet-bewaarde oud Gesch 15: Kötzschke, Rudolf. Die Urbare der Abtei Werden a.d. Ruhr, A: Die Urbare vom 9.-13. Jahrhundert. Bonn 1906. [Rheinische Urbare, II] (pounsmiette; Virga, Middelzee, Hemrik, Kleihoeve; Pallia; Landbouw, Personen; Pleats) 83/11, [Gesch 15, verloren gegaan], 87/16, 95/24, 99/28, 108/37
R. Kötzschke, Allgemeine Wirtschaftsgeschichte des Mittelaters (1924) 138/67
H. Kronenberg, Deventer weiderechten, 1902 128/57
Lamprecht, K , Deutsches Wirtschaftsleben im Mittelalter, 1886 (Eamelsman; Pounsmiette; Kleihoeve) 87/16 (d.i. vervolg, schrift Gesch 15 ontbreekt)
E. Lesne, La propriété ecclesiastique en France aux epoques romaine et merovingienne, 1910 [’belangrijk werk’] 116/45
J.H. Lewinski, The origin of property and the function of the village community, 1903 102/31
J. Lorié, Middelzee en Westergoo, 1922 119/48 met reactie Beekman in 120/49
F.W. Maitland, Domesdaybook and beyond, 1897 (Virga; Kleihoeve) 98/27
G. des Marez, Le Problème de la Colonisation Franque et du Régime Agraire en Belgique, Ac. Roy. de Belg, Mémoires en 4o, Classe des Lettres, 1926 (Kleihoeve) 131/60
G. des Marez, Note sur le manse Brabançon au Moyen Age, 1926 131/60
G.L. von Maurer, Geschichte der Dorfverfassung in Deutschland (1865), 88/17
Ernst Mayer, Germanische Wergelder sowie Weiderechte und Römische Multa 1927 134/63
George McCutchen, The land systems of Mexico, 1923 129/58
A.Meitzen, Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen, 1895 (Virga; Kleihoeve; landbouw (4 dln)) 82/10, 105/34
J.W. Mulder, Bijdrage tot de kennis van de rechtstoestand der marken, in het bijzonder van die in Overijsel, 90/19
J.M. Nap, Ommelandr zijl- en dijkrechten uit de 15e en 16e eeuw 108/37
E. Nasse (vertaald uit Duits), On the Agricultural Community of the Middle Ages and inclosures of the sixteenth century (1872) (Hoevevorming) 138/67
Nomina Geographica Neerlandica IV, 89/18
U.J. Noordewier, Een bijna vergeten hoofdstuk uit het leven onzer vaderen, 1854 94/23 (vriend Acker Stratingh bestreed hem]
E. Norden, Die Germanische .. in Tacitus Germania, 1920 131/60
Friedrich Paulsen, Aus meinem Leben, 1909 111/40
A. Perk, Verslagen omtrent den oorsprong en den aard der gebruiksrechten op de heiden en weiden in Gooiland, 1842 109/38
A.M. Pleyte, De rechtstoestand der marken in Nederland (1879), 89/18
M.S. Pols, Costumen van Nijenburg en Bunschoten 108/37
Frans de Potter en Jan Broeckaert, Geschiedenis van den Belgischen boerenstand, 1881 99/28
Pufendorf, Observationes juris universii, 1757 109/38
F. Rachfal, Zur Geschichte des Grundeigentums (Jb. 1910) (Kleihoeve; Landbouw) 134/63
J.C. Ramaer, Het hart van Nederland in vroeger eeuwen, 1913 123/52
J.C. Ramaer, Het Nederl. Alluvium in de Rom. Tijd en de middeleeuwen, Ts, KNaardW 45, juli 1928 137/66
K. Rhamm, Die Grosshufen der Nordgermanen, 1905 (Virga) 92/21, 101/30
Richthofen, Untersuchungen 131/60
E.H. Roelfsema, De klooster- en proostdijgoederen in de prov. Groningen, 1928 (Kleihoeve)
D. Roessingh, Het gebruik en bezit van den grond bij de Germanen en Celten, 1915 (Kleihoeve) 91/20
Erna Schill-Krämer, Organisation und Grösseverhältnisse des ländlichen Grundbesitzes in der Karolingerzeit, Vierteljschr. f. Wirtsch. Geschichte 17 (Kleihoeve)
Richard Schröder, Lehrbuch der deutsche Rechtsgeschichte 4e opl., 1902 113/42
F. Seebohm (oers. Th. v. Bunsen), Die Englische Dorfgemeinde 1885 (Virga; Kleihoeve; landbouw) 93/22
M. Sering, Erbrecht und Agrarverfassung in Schleswig-Holstein, 1908 (Kleihoeve)
B.E. Siebs, Grundlagen und Aufbau der altfriesischen Verfassung, 1933 (Kleihoeve)
L.A.J.W. Sloet, Bijdragen tot de kennis van Gelderland, 1852-55 107/36
L.A.J.W. Sloet, Geldersche markerechten, 1901 107/36
F. Swart, Zur fr. Agrargesch. 1910 (Virga; Esschen; Vierjaarlijksche; Kleihoeve; landbouw) 84/12, 85/13
J.H.F. van Swinderen, Over den oorsprong en de geschiedenis van de belasting op de floreenen in Friesland, 1861 100/29
Eelco Verwijs, De oorlogen van hertog Albrecht van Beieren, 1869 120/49
Paul Vinogradoff, English Society in the Eleventh Century (1908) 98/27, 99/28
Paul Vinogradoff, The growth of the manor (1905) (landbouw) 112/41
Paul Vinogradoff, Villainage (landbouw; zandstreken)
Bernh. de Vries, Zur Besiedelungsgesch. des Norderlandes, die Teelacht, die Ludger- und Andreaskirche, Jb. f. k. u. A 21 (Kleihoeve)
Jan de Vries, De Wikingen in de lage landen bij de zee, 1923 123/52
G. Waitz, Deutsche Verfassungsgeschichte 1e afd. 3e ed. 118/47
Max Weber, Wirtschaftsgeschichte, 1924 134/63
Max Weber, Die Römische Agrargeschichte in ihrer Bedeutung für das Staats- und Privatrecht (189 ) 135/64
A.M.J. Wijnbergen, Onze marken onder de werking der wet van 10 Mei 1886, 1893 128/57
A. Ypey, Geschiedenis van het patronaatregt, 1829 116/45 124/53

Vierteljahrsschrift für Sozial und Wirtschaftsgesch. Aanwezig op UB Groningen, schrijft hij, vanaf bd. 9, neemt ze door tot 20, maar maakt er nauwelijks of geen aantt. uit, behalve uit 20: Georg Ostrogorsky, Die ländliche ..gemeinde des byzantinischen Reichs im X Jahrhunderts, en uit : Carl Brinkmann, Die ältesten Grundücher von Novgorod in ihrer Bedeutung für die vergleichende Wirtschaft-und Rechtsgeschichte 137/66; Vierteljahrsschrift X. Joh. Kindel, Die altfriesische Volkswirtschaft nach dem ältesten literarischen und Rechtsquellen ; F. Liebermann, Die Eideshufen bei den Angelsachsen; vv. bd X; bd 13;14; 17 (Erna Schill-Krämer, Organisation und Grössenverhältnisse des ländlichen Grundbesitzes);  in der Karolingerzeit, û.o. Corvey)) ; 18 (Terdenge, Zur Gesch.der Holl. Steuern im 15 und 16 Jh); 13; 14;  15; 139/68
Zs. der Savigny Stiftung für Rechtsgeschichte 32-46; 32: Ernst Mayer, Der Germanische Uradel; p. 229, Jozef Lappe, Eine untergegangene Bauerschaft (Volscmar) 136/65

Bibliografie

Niet opgenomen zijn een aantal studies waarvan titel en vindplaats in de noten worden opgegeven.

Boer, T.J. de, De Friesche kleiboer. Een historische schets, in: Tweemaandelijksch Tijdschrift 4 (1897-1898) 65-95, 225-241, 401-427.
Brakensiek, Stefan, The management of common land in north-western Germany, in: Martina De Moor e.a. (red.), The management of common land in north west Europe, c. 1500-1850 (Turnhout 2002) 225-245.
Breuker, Ph.H., Toponymy fan Boazum. Leeuwarden 1978.
Breuker, Ph.H., Die Bedeutung Nordfrieslands für das Werk Obe Postmas, in: Adeline Petersen en H.F. Nielsen (red.), A Frisian and Germanic Miscellany, published in Honour of Nils Århammar (Odense/Bredstedt 1996) 19-37.
Breuker, Philippus, Obe Postma, dichter van de sublieme ervaring, in: Philippus Breuker en Jan Gulmans (red.), De dichters en de filosofen (Leeuwarden 2008) 103-127.
Gosses, I.H., De friesche hoofdeling, in: I.H. Gosses, Verspreide geschriften (Groningen-Batavia 1946) 402-450 (oorspronkelijk afzonderlijk verschenen in 1933).
De Moor, Martina, Leigh Shaw-Taylor en Paul Warde, The management of common land in north-west Europe, c. 1500-1850. Turnhout 2002.
Heck, Philipp, Die Altfriesische Gerichtsverfassung Amsterdam 1963 (onveranderde, fotomechanische nadruk van de uitgave uit 1894)
Knibbe, Merijn, Obe Postma als landbouwhistoricus, in: Wjerklank 2 (2007) nr.3, 14-17.
Meitzen, August, Siedelung und Agrarwesen der Westgermanen und Ostgermanen, der Kelten, Römer, Finnen und Slawen. 3 dln met nog een atlasdeel. Berlijn 1895.
Molen, S.J. van der, Dr. Obe Postma en de Fryske boerepleats, in: De vrije Fries 66 (1986) 96-108.
Nitz, Hans-Jürgen, Wege der historisch-genetischen Siedlungsforschung, [inleiding op] Nitz (red.), Historisch-genetische Siedlungsforschung. Genese und Typen ländlicher Siedlungen und Flurformen (Darmstadt 1974) 1-11.
Rösener, Werner, Einführung in die Agrargeschichte. Darmstadt 1997.
Slicher van Bath, B.H., The work of Dutch Mediaevalists, in: id., Herschreven historie (Leiden 1949) 30-70.
Slicher van Bath, B.H., Problemen rond de Friese Middeleeuwse geschiedenis, in: id., Herschreven historie (Leiden 1949) 30-70.
Slicher van Bath, B.H., Middeleeuwse welvaart, in: J.J. Kalma e.a. (red.), Geschiedenis van Friesland (Drachten 1968) 201-228.

Verkort aangehaalde literatuur van Postma

Appingedam: Over een paar moeilijkheden de geschiedenis van het rechtsbestel van Appingedam betreffend, in: Groningse Volksalmanak 1956, 140-147.
Doarp: It Fryske doarp as tsjerklike en wrâldske ienheid. Sneek 1941.
Esschen: Esschen op de Friesche klei, in: Driemaandelijksche Bladen 20 (1923) 17-26.
Essen: Essen op de Friese klei, in: De vrije Fries 43 (1957) 90-99.
Geslachtsnamen: Over het ontstaan der oudste Friesche geslachtsnamen, in: Saxo-Frisia 3 (1941) 8-17.
Friesch dorp: Een Friesch dorp in 1546, in: De vrije Fries 27 (1924) 8-17.
Kleihoeve: De Friesche kleihoeve. Bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen. Leeuwarden 1934.
Landbouw: Eerste afdeling (tot 1700), in: Spahr van der Hoek, J.J. m.m.v. O. Postma, Geschiedenis van de Friese landbouw. 2 dln. (Leeuwarden 1952) dl.1, 31-182
Personen: Personen of Geslachten in plaatsnamen en boerderijnamen? in: De vrije Fries 38 (1946) 29-53.
Pleats: In pleats fan it jier 855 yn ús tiid weromfoun? in: Frysk Jierboek 1946, 150-156.
Ploeggang: Ploeggang en Hoevenstelsel, in: De vrije Fries 39 (1948) 17-48.
Pounsmiette: Ho is de pounsmiette ús Fryske lânmiette wirden? in: Swanneblommen 2 (1920) 100-108.
Rembrand: ”Het land van Rembrand” en Fryslân, in: It Heitelân 26 (1948) 264-266.
Schar- of schaarbrief: De schar- of schaarbrief als reglement voor het gebruik van het gemene veld, in: Verslagen en Mededeeling der Vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht dl. 11, nr. 3(Utrecht 1958) 482-493.
Scharren: De gemeene scharren van Hindeloopen en Molkwerum, in: De vrije Fries (28 (1928) 353-400.
Truchstrinzede: ”Truchstrinzede ritherne” en de verdeeling van de hemrik, in: De vrije Fries 31 (1932) 91-103.
Vier-jaarlijksche: De zoogenaamde vier-jaarlijksche verdeeling van de hemrik, in: De vrije Fries 28 (1928) 34-52.
Virga: Virga en Pes in de registers der kloosters te Fulda en Werden. Bijdrage tot de kennis van de oud-friesche hoeve, in: De vrije Fries 27 (1924) 268-301.


1) Breuker, Bedeutung Nordfrieslands (1996).

2) Van der Molen, Boerepleats (1986). 

3) Knibbe, Landbouwhistoricus (2007).

4) Postma, Landbouw (1952) 55. Elders, in eerdere publicaties, geeft hij vergelijkbare definities.

5) Zie Martina De Moor e.a., Common land (2002). Het hele begrip Hufenverfassung  komt niet in de bundel voor. Hoppenbrouwers, die de situatie in Nederland behandelt, beperkt zich tot de zandgronden met hun gemeenschappelijke weilanden en de redacteuren vatten de situatie zoals die in de voorafgaande studies over heel Noordwest-Europa (inclusief Frankrijk, Duitsland en Scandinavië) beschreven is, ook alleen samen voor wat betreft die weiden. Over de Vroege Middeleeuwen en eerder laten ze zich niet uit.

6) Postma, Kleihoeve (1934) 100-101. In zijn latere overzichtsstudie (Postma, Landbouw; 1952) komt hij er niet meer op. 

7) Brief De Boer 14-10-1912; Hs 945, Tresoar.

8) Huizinga 54, UB Leiden.

9) De datering berust op het volgende. Vlak na het uittreksel uit Van Apeldoorn noteerde hij iets uit de Leeuwarder Courant van 11 mei 1918; OPS 200-03, 78, Tresoar. Op 16 mei werden hem archiefstukken uit het Rijksarchief in Leeuwarden toegestuurd, waarvan de uittreksels in OPS 200-03, 79 staan.

10) Brief aan G.A. Wumkes, FLMD 084.025, Tresoar. Postma’s studie, ’Een Friesch dorp in 1546,’ werd in 1920 gepubliceerd in de eerste aflevering van deel 27 van De vrije Fries.

11) OPS 200-03, 79. Dat hij dat toen deed, leid ik af uit het feit dat er in hetzelfde aantekenschrift uittreksels staan uit handschriften die hem blijkens bewaard gebleven bezoekersregisters op 16 mei en 4 juni 1918 werden toegezonden.

12) Uittreksels in OPS 200-03, 81 en 82; Tresoar.

13) Zie zijn overzichtskaart voor in het atlasdeel van zijn werk.

14) Brief J.H. de Vey Mestdagh 6-4-1981 aan auteur.

15) Postma, Rembrand 264 (1948).

16) Brief van 8 december 1933 aan mr. P.C.J.A. Boeles van het Friesch Genootschap, dat het volgende jaar zijn werk zou uitgeven (archief Fries Genootschap, Tresoar).

17) Postma, Pounsmiette (1920).

18) Wat die hulp inhield, wordt niet vermeld, maar zeker heeft hij hem op de in die studie gebruikte vermelding van ’wartland’ in het Oorkondenboek van Holland en Zeeland gewezen, zoals blijkt uit OPS 200-03, 88.

19) Brief d.d. van J.H. de Vey Mestdagh aan auteur.

20)  Met schriften Friesland is hij in februari 1922 begonnen: in Fr 1 staan aantekeningen uit floreenkohieren Wonseradeel die geleend zijn van 6-2 tot 17-3-1922. Postma vroeg erom bij brief van 5 februari 1922. Hij schrijft dat hij onlangs al even een opmerking maakte over dat verzoek. (archief archivaris, Tresoar).

21) Uit dat jaar is het laatste boek waarvan Postma in 109/38 een uittreksel maakte. Schrift 110/39 (ook met literatuur over marken en grootgrondbezit, maar niet in publicaties gebruikt) is van okt. 1922.

22) Alleen haalt hij iets aan uit het kerkelijk archief van Kornwerd..

23) Verslag van het gesprek in OPS tg. 200-03, 97; cf. Postma bij de toekenning van de Joost Halbertsmaprijs aan Cuipers in zijn toespraak als jurylid in E.S. de Jong (samenst.), Oer de skied fan ’t hjoed (1950) 25.

24) Dat zijn registraties van verkopingen en boedelbeschrijvingen.

25) Cf. Brakensiek, Management (2002) 225 en Nitz, Wege (1974) 6.

26) Rösener, Agrargeschichte (1997) 5, 6, 22, 87 en 88.

27) Postma, Virga (1924) 273-274.

28) Postma, Friesch dorp (1924) 11.

29) Postma, Esschen (1923) 17-18. Toen Postma zijn bijdrage over essen op de Friese klei schreef, wist hij nog niet dat Van Apeldoorn inmiddels van gedachten veranderd was en nu ook het bestaan ervan aannam. In een noot verwijst hij in dit verband naar diens Ontbindende en samenbindende krachten uit 1921.

30) OPS 200-03, 97; Tresoar.

31) Cf. Breuker, Sublieme 111, 116-117.

32) Postma las het artikel in 1925; het uittreksel staat in OPS tg. 200-03, 306.

33) Postma, Vier-jaarlijksche (1928) 48-49, 44.

34) Postma, Scharren (1928) 400.

35) Tegen deze opvatting, herhaald in de Friesche kleihoeve, keerde zich in een recensie van dat werk E.W. Hofstee (Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 14). Hij wilde van geen gemene velden op de klei weten en hield een hemrik voor de onverdeelde velden aan het eind van opstrekkende boerderijen. In zijn bijdrage aan de Geschiedenis van de Friese landbouw (1952) zou Postma deze opvatting afdoende weerleggen.

36) Dat er tot een hemrik ook weideland behoorde, leidde hij af uit het voorschrift dat het land voor een bepaalde datum ’buppa der clesie’ moest zijn gedeeld. Dat grasland zou dan gebruikt zijn als voorweide. Hij hield aan deze opvatting vast (cf. Postma, Landbouw 61-62). Spahr van der Hoek sluit zich aan bij het idee van een voorweide, maar wijst de herverdeling af. Slicher van Bath volgt hem in zijn bijdrage aan de Geschiedenis van Friesland (1968) 209. Zie echter Breuker, Toponymy (1978) 61-62, die zin en uitdrukking anders leest en tot de conclusie komt dat de hemrik uitsluitend hooiland was.

37) Postma, Truchstrinzede (1932) 11.

38) Leeuwarder Courant, Ingezonden 5 sept. 1931.

39) OPS 200-03, 83. Het uittreksel zelf is al van ca. 1920.

40) Rösener, Agrarverfassung 37, 43.

41) Hs 945, Tresoar.

42) In: Museum.Maandblad  voor philogie en geschiedenis 5 (1897) 227. Hij wijst ook op het ongerijmde van de voorstelling als zou omstreeks het begin van onze jaartelling de zwerver ineens gezeten boer en de veehouder lanbdbouwer zijn geworden, terwijl er in de achttienhonderd jaar erna bijna niets veranderde. 

43) It Heitelân 15 (1933) 49-50.

44) Cf. Slicher van Bath, Mediaevalists 47: ’All these works were preliminary studies, encircling the principal problem: the history of Gosses’ native country Friesland.’

45) Een overzicht van zijn lectuur in de Bijlage. Speciaal over Markgenosschenschaften en verwante thema’s vond ik alleen nog (tussen haakjes staan de inventarismummers in OPS 200-03, Tresoar, gevolgd door het oorspronkelijke nummer in de serie schriften Geschiedenis): Otto von Gierke, Die Mark- und Walderbengenossenschaften der Niederrhein (1912), in: Untersuchungen zur Deutsche Staats und Rechtsgeschichte 106e heft (137/66); Otto Greide, Das Deutsche Genossenschaftrecht dl 2, 1873 (113/42); en Georg Grosch, Markgenossenschaft und Grossgrundherrschaft im frühen Mittelalter (1911) (110/39).

46) Zie voor wat dat ’ja’ van de zandgrond betreft, Postma, Landbouw (1952) 78. Weliswaar, zo zegt hij, heeft Slicher van Bath in zijn Mensch en land in de Middeleeuwen het ontstaan van marken op de zandgrond in vrij late tijd gesteld, maar dat betekent daarom nog niet dat daarvoor het veld niet gemeen was. Het verschil is slechts dat er toen nog geen straffe organisatie nodig was. Slicher op zijn beurt vond dat Postma onvoldoende doorzag dat het hoevenstelsel op de zandgronden vóór de intensieve occupatie sinds de twaalfde eeuw niet kan hebben bestaan (in zijn bijdrage aan de Geschiedenis van Friesland (1968) 208).

47) Postma, Kleihoeve (1934) 110-111, 182.

48) Postma, Kleihoeve (1934) 55.

49) Postma, Kleihoeve (1934) 118.

50) Postma, Kleihoeve (1934) 131.

51) Postma, Landbouw (1952) 41, 45.

52) Postma, Ploeggang (1948) 42 e.v.

53) Postma, Pleats (1946) 156.

54) Postma, Ploeggang (1948) 36. Het is hier een geval van de tovenaarsleerling: Spahr bouwde voort op Postma.

55) Postma, Essen (1957); Postma, Schar- of schaarbrief (1958).

56) Postma, Kleihoeve (1934) 156-159, 179.

57) Postma, Kleihoeve (1934) 187-194. 

58) Postma, Geslachtsnamen (1941) 16-17.

59) Postma, Personen (1946) 53.

60) Postma, Appingedam (1               956) 147.

61) Postma, Landbouw (1952) 81.

62) Slicher van Bath, Problemen (1949) 272.

63) P(aul) N. Noomen heeft recentelijk in diverse publicaties het belang van de adel in Middeleeuws Friesland in het licht gesteld.

64) Postma kende Heck’s Altfriesische Gerichtsverfassung al vroeg. Het was één van de eerste studies die hij op Fries Middeleeuws gebied las. In zijn uittreksel van het werk noteerde hij dan ook: ”geboorte-adel, als v.R(ichthofen) aanneemt, bestond vóór 1400 niet. Eerst in 15e eeuw hoofdelingen-adel gevormd.” (OPS tg. 200-03, 82.)

65) Heck, Gerichtsverfassung (1894) 225; Gosses, Hoofdeling (1933) 408.

66) Postma, Landbouw (1952) 56.

67) Als hij in zijn Kleihoeve op de ’armiger’ komt, verwijst hij in een noot ernaar (a.w. 91. Een opvallende overeenkomst tussen henbeiden toont zich ook in de opvatting van de betekenis van het woord ’fliuta.’ (Postma, Kleihoeve 159; Gosses, Hoofdeling 413.) Geen van beiden verwijst naar de ander en de redeneringen lijken ook onafhankelijk van elkaar geformuleerd, maar de overeenkomst is toch wel zodanig groot dat er reden is om aan te nemen dat ze het er over hebben gehad. Postma heeft de betreffende passage, die over geslachten en buurschappen gaat, vrij laat toegevoegd. In het aanvankelijke schema van het boek ontbreekt het thema nog. Daar is paragraaf 2 van het hoofdstuk ’Samenvatting van den toestand in de Middeleeuwen’ nog alleen: De nederzettingen (OPS tg. 200-03, 787.)

68) Postma, Doarp (1941) 3-5. Het was te wensen dat er nog eens op meer uitgebreide schaal onderzocht werd of  het de nederzettingen afzonderlijk waren of de centrumnederzetting alleen van waaruit rechten golden en regelingen getroffen werden.  Er is in het Jongere Schoutenrecht sprake van een terp die hemrikshoofd is. Het is de vraag wat dat betekent: is hemrik hier dorpsgebied of deel/delen ervan? De verdere beschrijving van de situatie wijst erop dat het hier gaat om een bepaald type dorp, een dorp met een ringweg, zoals ze er in noordoostelijk Friesland en ook in Groningen wel zijn, maar niet in het oude kerngebied van het terpenlandschap in Westergo.  Mijn onderzoek naar de hemrik in het dorp Boazum in dat Westergo lijkt erop te wijzen dat de aanliggenden, tot welk dorp ze (later) ook behoorden, er deel in hadden. In het geval van Boazum waren dat de nederzettingen Swaanwert onder Wiuwert en Kleiterp (op de kaart abusievelijk te noordelijk aangegeven), Yndyk, Hoekens, Staten en Makkum onder Boazum. (Breuker, Toponymy (1978) 63 en kaart op 91). 

69) Postma, Kleihoeve (1934) 160-161.

70) Postma kende het werk. In OPS 200-03, 138 staat een uittreksel. Werner Rösener heeft in diverse publicaties het begrip nader gepreciseerd en de verschillende vormen van de Grundherrschaft tussen zijn ontstaan in de zesde tot de negende eeuw en zijn late fase in de veertiende en de vijftiende eeuw met name voor Duitsland onderzocht. Een belangrijke cesuur vormen de elfde en de twaalfde eeuw. Toen werd door de opkomst van de steden het oude hofsysteem vervangen door een pacht-grundherrschaft. Zie bijvoorbeeld de onder zijn redactie verschenen bundels Stukturen der Grundherrschaft im frühen Mittelalter (1989) en Grundherrschaft und bäuerliche Gesellschaft im Hochmittelalter (1995) en vergelijk Villikation op wikipedia.   

71) Het bestaan van Flachsiedlungen en al vroeg verlaten terpen was in de tijd van Postma nog niet of nauwelijks bekend.

72) Postma, Landbouw (1952) 55.

73) Postma, Landbouw (1952) 38.

74) Slicher van Bath, Problemen (1949) 271.

75) Slicher, Problemen (1949) 271-272.

76) Breuker, Bedeutung Nordfrieslands (1996) 24. Hij had daartoe in 1928 het gebied zelf bezocht.

77) Zie voor de titels op de site van het Obe Postma Selskip de Primaire bibliografie onder Bibliografie.

 

 

Geplaatst: 16 januari 2009



Terug naar hoofdpagina