Logo

 

Studiedag
‘Emily Dickinson’

georganiseerd door het Obe Postma Selskip

Plaats: Tresoar, Tijdstip: vrijdag 21 november 2008

Inleiding

Emily Dickinson, geboren op 10 december 1830 en overleden op 15 mei 1886, luidde in de Amerikaanse poëzie het tijdperk van het modernisme in. Ze werd geboren in een welgestelde familie in Amherst, Massachusetts. Haar gedichten zijn  haast haiku-achtige observaties van het dagelijks leven; het zijn korte observaties van haar eigen bewustzijn, geschreven in een ‘stream of consciousness’-achtige wijze. Dickinson’s dichtwerk valt op door zijn experimentele karakter. Dat experimentele karakter blijkt uit het (gebruik van) het vrije vers, de ongebruikelijke typografie en de lyrische weergave van het eigen bewustzijn. In Nederland geldt Simon Vestdijk als haar ontdekker; in 1933 schreef hij het essay  "Over de dichteres Emily Dickinson". In ‘Poëtisch Maandbericht: Over vertaalde gedichten’, in: Groot-Nederland, I, 1937, pp. 76-79 ging deze schrijver in op de eisen, die men aan een vertaling volgens hem moet stellen: dat leidt er bij hem toe een driedeling voor te stellen tussen een correcte, een goede en een persoonlijke vertaling.
In dit essay  van Vestdijk is de uitspraak te vinden, dat vertalen ‘een diplomatieke scholing is zonder weerga’. Hij zegt: ‘Het komt mij voor, dat men deze eischen en deze moeilijkheden (van het vertalen) niet beter kan klassificeren dan door rekening te houden met de drie grootheden, die bij het vertalen een innig verbond sluiten: het oorspronkelijk gedicht, de vertaling, en de vertaler, die zich met beide bezig houdt. Hierop voortredenerend komt men tot drie mogelijkheden, al naar gelang het oorspronkelijke gedicht met maximale getrouwheid weergegeven is (de correcte vertaling), de vertaling op zichzelf, als gedicht voldoet (de goede vertaling), of de persoonlijke stijl en toon van de vertaler in de vertaling sterk op de voorgrond treden (de persoonlijke vertaling). Wanneer iemand een vertaling prijst, moet hij dus weten, welke van deze drie criteria hij aanlegt, anders kan het voorkomen, dat de één een correcte vertaling prijst, die als gedicht mislukt is, terwijl de ander aan een ‘vrije’ vertaling de voorkeur geeft die alle nadelen heeft van een slechtgelijkend, zij het ook artistiek uitgevoerd portret. Dit zijn natuurlijk uitersten, de meeste vertalingen bewandelen de gulden middenweg, sluiten listige en verfijnde compromissen, - de eigenlijke kunst van het vertalen, die een diplomatieke scholing is zonder weerga, geven en nemen, - maar desondanks onttrekt niemand zich aan de indruk, dat b.v. de vertalingen van Slauerhoff geschreven zijn om van te genieten, niet om wetenschappelijk op hun tekstgetrouwheid onderzocht te worden’.

Vestdijk’s vertalingen van gedichten van Dickinson stammen uit 1931-1932 en verschenen in de bundel Simplicia. Later verschenen  ze in de, in 1939 verschenen, afzonderlijke uitgave: Gedichten van Emily Dickinson, en – met uitzondering van de literatuuropgave, en in een nieuwere spelling – in de, in 1969 in Den Haag verschenen, keuze (Emily Dickinson, Gedichten) uit die uitgave van 1939. Hij – Vestdijk- zegt in een toelichting: ‘Zoals elke grote poëzie is die van Emily Dickinson strikt genomen onvertaalbaar. De hier gepubliceerde oefeningen zijn op te vatten als parallelverschijningen, die de dichterlijke intentie trachten te benaderen, zonder overal aanspraak te maken op tekstuele betrouwbaarheid. Ten einde de weergaloze geslotenheid en concentratie dezer gedichten niet geheel te verspelen, werd in het algemeen van een strenger rijm- en maatschema gebruik gemaakt dan het origineel volgt. De veelvuldig toegepaste assonances merkt men ook bij Emily Dickinson op, zonder dat iedere assonance in de vertaling nu ook gedekt wordt door één in het origineel’.

Michael Bource heeft recentelijk in een artikel ‘Tussen al het andere in,  Bij een gedicht van Emily Dickinson’gewezen op  nog andere problemen, die annex zijn aan het vertalen van gedichten van Emily Dickinson. Hij deed dat in een analyse van een vertaling van één van Dickinson’s gedichten door Wilmink. Willem Willink (1936-2003) vertaalde dertig liefdesgedichten van haar. De bundel gedichten, met het Engelse origineel en de Nederlandse vertaling naast elkaar, heet ‘Ik zou nooit weggaan van mijn vriend’ (Amsterdam, 1997). Eén van de gedichten is nummer 158 (de gedichten hebben geen titels en wordt aangeduid met nummers).

Doodgaan! Doodgaan in de nacht!
Wordt er dan geen licht gebracht
dat straks mijn voettocht begeleidt
door ’t sneeuwen van de eeuwigheid?

En Jezus? Wat is Jezus laat?
Men zegt dat Hij ons nooit verlaat,
maar Hij kan ook verdwalen, hoor.
Hierheen, Jezus! Laat Hem door!

Rent er dan niemand naar de poort
of Dollie komt? ‘k Heb iets gehoord:
haar voeten, die de trap opgaan.
Niet bang meer. Dollie komt eraan.

Een van de thema’s in Dickinson’s poëzie, aldus Michael Bource, is de dood en het sterven. De eerste regel begint al direct met het woord sterven: Dying! Dat woord wordt herhaald en er wordt gezegd, dat het gaat om een doodgaan in de nacht. Dan moet er licht zijn opdat er gezien kan worden, welke weg er wordt gegaan (So I can see which way to go/ Into the everlasting snow?). In de tweede strofe is bij Willink Jezus laat, maar bij Dickinson is er de vraag: where is Jesus gone? In de eerste strofe ‘go’, in de tweede ‘gone’, het ‘go’ van de ‘ik’ en het ‘gone’ van Jezus. Willink oppert de mogelijkheid, dat ook Jezus kan verdwalen, maar Dickinson zegt: ‘Misschien kent Hij het Huis niet’ (Perhaps he doesn’t  know the House). Jezus verdwaalt niet, maar wel wil Hij soms ‘niet kennen’. Stel je voor dat Hij het huis (the Homestead geheten) dat haar lief was, niet wil kennen, en dat Hij voorbijgaat?! Daarom dat indringende slot van de tweede strofe: This way, Jesus, Let him pass. Hierheen! Naar het huis met de stervende.

In de laatste strofe heeft Willink een vraagteken en Dickinson uitroeptekens. Eerst Jezus en nu Dollie. Iemand rent naar de grote poort (great gate) om te kijken of Dollie al komt. De ‘ik’ hoort haar voeten op de trap. Dollie is hier nu! Bij Willink komt ze eraan. ‘Niet bang meer’, vertaalt Willink in de laatste regel. Dickinson zei: Death won’t hurt – now Dollie’s here. Wie is die Dollie, die met haar aanwezigheid maakt dat de dood niet deert? Ik – dat is Michael Bource, die hier aangehaald wordt--  kan het niet bewijzen en ik heb het ook nergens gelezen, maar ik denk dat Dollie de hond van Emily Dickinson is, haar trouwe metgezellin. Jezus en Dollie, maar eerst komt Jezus en daarna mag ook Dollie komen. Somebody run to the great gate/ And see if Dollie’s coming! Wait!/ I hear her feet upon the stair!/ Death won’t hurt – now Dollie’s here! Misschien is Dollie al eerder door de hemelpoort (the great gate) gekomen en is ze nu langs de trap naar de ‘ik’ gegaan om haar bij te staan.

Postma’s vertalingen  en andere vertalingen van poëzie van Dickinson

Toen Emily Dickinson stierf in 1886, vijfenvijftig jaar oud, vond haar zuster Lavinia een doos met papieren, waaronder ca. 1500 gedichten. Daarvan waren er zo’n achthonderd verzameld in veertig zelfgemaakte handschriftbundels. Deze literaire boedel raakte verstrooid, al werden een aantal selecties uit haar poëzie gepubliceerd. Zelf had ze publicatie nooit gezocht. Pas in 1955 verscheen de eerste complete uitgave, The Poems of Emily Dickinson, samengesteld door Thomas Johnson en bestaande uit 1775 gedichten. Op dit moment – 2008—geldt de editie van Franklin als de meest adequate editie.

Obe Postma vertaalde twaalf gedichten van Emily Dickinson; eigenlijk dertien want Philippus Breuker heeft onlangs nog een vertaald gedicht in het archief van Postma aangetroffen. Geen tien, zoals uit het boekje ‘Twofold’ afgeleid zou kunnen worden. Het gaat om de volgende gedichten: (a)  In finne [To make a pairie]: 1940 geschreven, gepubliceerd in It Heitelân 1940, 109 (ook in: O. Postma, It sil bistean (1946) 33, De reaboarstkes [If I shouldn't be alive]: 1940 geschreven, gepubliceerd. In It Heitelân, 1940, 109 (ook in: O. Postma, It sil bistean (1946) 33, I taste a liquor never brewed: De Tsjerne 1950, 6 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 41), These are the days: De Tsjerne 1951, 197 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 42),  I'm nobody: De Tsjerne 1951, 197 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 43), Have you got a brook in your little heart ?: It Heitelân 1951, 133 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 44), Of all the souls: De Tsjerne 1951, 198 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 45), I haven't told my garden yet: De Tsjerne 1954, 6 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 46), Because I could not stop for death: De Tsjerne 1950, 6 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 47), One dignity delays for all: It Heitelân 1950, 229 (ook in: O. Postma, Fan wjerklank en bisinnen (1957) 48), [These are the Signs to Nature's Inns] It Heitelân 1951, 168, [The murmuring of Bees, has ceased] De Tsjerne 1954, 6.

Wat de overige vertalingen – afgezien van die van  Simon Vestdijk—betreft, moet gewezen worden op ‘De Ziel moet altijd op een Kier' door J. Eijkelboom (ISBN 90-803333-1-X. (1996), ‘'Veel Waan is schoonste Logica' (ISBN 90 351 0031 1. (1983), door Peter Verstegen. Deze  is óók de vertaler van ‘Emily Dickinson Gedichten I (SBN 9789028240513)  en II (G.A. van Oorschot Amsterdam, 2007. 1e druk).  Beide delen tezamen dekken het hele oeuvre van Dickinson en zijn met veel waardering ontvangen. 'Dit boek is voor mij het rijkste boek van het jaar, niet alleen door de vaak zeer goede vertalingen, maar ook door het bewonderenswaardig zakelijke en daarom ook voorbeeldige commentaar dat bij ieder gedicht wordt gegeven. De gedichten zijn uiterst beknopt, het Engels is een beknopte taal. Verstegen heeft die beknoptheid in het Nederlands kunnen realiseren', aldus Kees Fens in de Volkskrant, 9 december 2006. In december 2005 werd aan Peter Verstegen de ‘Fonds voor de Letteren Vertaalprijs’ uitgereikt. Verstegen werd bekroond voor met name zijn grote verdiensten als vertaler van poëzie en zijn inzet voor het literaire vertalen in het algemeen. Uit het juryrapport: 'Verstegen is één van de nestors van het literaire vertalen in Nederland. Hij publiceerde vanaf midden jaren zestig vele vertalingen van proza, toneel en poëzie (uit meerdere talen). Als poëzievertaler verwierf hij bekendheid door zijn vertalingen van de sonnetten van Shakespeare, poëzie van W. H. Auden, Les Fleurs du mal van Baudelaire, en gedichten vanRilke, Heinrich Heine en recent het eerste deel van de Gedichten vanEmily Dickinson’. Verder kan gewezen worden op Ivo van Strijtem’s ‘De mooiste van Dickinson’, Lannoo, ISBN 90 209 48237, 2002, Louise van Santen’s ‘Emily Dickinson. Gedichten’, De Prom, ISBN 906801 278 9, 1986, Louise van Santen’s ‘Emily Dickinson. Liefdesgedichten’. De Prom ISBN 90 6801 409 9, 1995,  en, tenslotte, ‘Aan de Jabbok, religie en rebellie in de poëzie van Emily Dickinson, door Gerard Rothuizen, Renée van Riesen en Anthony Runia, Kok, kampen, ISBN 90 242 3335 6,, (zonder datum).
 

Opzet Studiedag ‘Emily Dickinson’

Het programma is als volgt:

10.30 – Inloop, koffie
10.55 – Opening door Siebren van der Zwaag, voorzitter Obe Postma Selskip
11.00 – Marian de Vooght, ‘De ontvangst van Emily Dickinson in Nederland en Vlaanderen: een inleiding over de vestiging van haar roem’
11.40 – Harry Bekkering, ‘Vestdijks poëticale visie op de poëzie van Emily Dickinson’
12.20 – Discussie
12.30 – Lunch
13.30 – Peter Verstegen, ‘De mannen van Emily Dickinson’
14.10 – Elly de Waard, ‘Het genie van Emily Dickinson
14.50 – Discussie
15.00 – Thee/koffie
15.20 – Odile Heynders ‘Emily Dickinson’
16.00 – Albertina Soepboer, ‘Dêrfoar moat ik nei de bijen fan Emily Dickinson ta. Over Obe Postma en Emily Dickinson’
16.40 – Discussie
17.00 – Afsluiting en borrel.

Geplaatst: 2 oktober 2008



Terug naar hoofdpagina