Obe Postma, Natuurwetenschap en Historische wetenschap

Verantwoording bij deze editie

Het handschrift

Het handschrift lijkt vrij haastig te zijn ontstaan. Zinnen lopen soms niet, net alsof ze vrij gedachteloos zouden zijn overgeschreven. Het zou daarom een afschrift kunnen zijn van een eerdere versie. Toch is het niet zo dat het een net afschrift is. Er zijn vrij veel doorhalingen en tussenvoegingen.

De tekst is een voordracht voor de Wetenschappelijke afdeling van het Natuurkundig Genootschap te Groningen, die werd gehouden op 12 april 1913 [noot 1]. In zijn aantekenschriften Filosofie 12 en 13 geeft hij uittreksels van de hier besproken werken van Rickert, Meijer en Heymans. Het onderwerp hield hem zeker eind 1911 al bezig, want er is een aantekening van hem bij een passage in een brief van Tjitse de Boer van 19 december van dat jaar, waarin hij schrijft: “vaststellen van feiten zelf zonder verklaring is ook nog wel wetenschap. B.v. massa aarde en zon; constanten bepalen. Zo ook in geschiedenis: b.v. verschil gevangene in Sedan en Metz en jaartallen. Een toestand en rijkdom op zekere tijd. Geschiedenis letterkunde is niet alleen verklaring. Vooral aardrijkskunde niet alleen verklaring.” De Boer had geschreven: “Ik voel mij het gelukkigst bij het verzamelen van allerlei feitenmateriaal.” [noot 2]

Er zijn verschillende aanwijzingen dat dit handschrift voor die voordracht is gebruikt. Zo zijn ter ondersteuning van de voordracht de belangrijkste woorden onderstreept. Het is geschreven op losse schriftblaadjes, die vóór het gebruik lijken te zijn uitgescheurd uit een schrift. De bladzijden zijn enkelzijdig beschreven en genummerd van 1 tot 16. Driemaal staan er een paar regels op de ommezijde van een blad. Een van die drie gevallen betreft het laatste blaadje, dat op de ommezijde de eindconclusie bevat en 16a genummerd is. Uit de wijze waarop in de beide andere gevallen het volgende blaadje op de achterkant van het vorige aansluit, is wel duidelijk dat het daar om een vergissing gaat. Na een paar regels wordt plotseling afgebroken en doorgegaan op een nieuw blaadje. Op blaadje 10 volgen nog enkele regels op een nieuw blaadje 10b. Het is het slot van de kritiek op de beschouwingen van Rickert op het gebied van de natuurwetenschap. Om redenen van overzichtelijkheid zal in dit geval bewust gekozen zijn voor het afronden op het ene blaadje en het nieuw beginnen met een ander onderwerp op een volgend.

Mogelijk moeten de W. en de D. aan het einde van de tekst opgevat worden als de initialen van deelnemers aan de discussie achteraf. Wat erachter staat, lijken immers niet alleen losse opmerkingen, los van de tekst, maar ook alternatieven voor wat er onmiddellijk aan vooraf als conclusie in die tekst staat. Deze interpretatie verdraagt zich met het feit dat Postma door de laatste bladzijde waarop ze staan, in zijn geheel een kruis heeft gehaald. Het is blaadje 16a, dat de eindconclusie bevat (zie foto, klik op de foto voor een vergroting). Klik hier  voor laatste bladzijde van de lezing De W. zou wellicht kunnen staan voor E.D. Wiersma, hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit in Groningen en lid van de Wetenschappelijke afdeling van het Natuurkundig Genootschap.

Het handschrift is opgenomen in de Verzameling Obe Postma, OPS, in de collecties van Tresoar, Leeuwarden.

De uitgave

Ongebruikelijke afkortingen zijn stilzwijgend opgelost. Het gaat dan met name om de afkorting wet. voor wetenschap, die talloze maken voorkomt. Tussen {} zijn toevoegingen van de uitgever gezet. De auteur zelf geeft enkele malen toevoegingen tussen []. In noten wordt commentaar op de tekst geleverd. De formules zijn verzorgd door Eeltje de Vries. De tekst stelt hoge eisen aan een commentator. Een werkelijk verhelderend commentaar geeft niet alleen toelichting op bepaalde passages, maar plaatst het geheel ook in de tijd en in de discussie van toen en laat zien wat het belang van Postma’s bijdrage in het debat is. Lezers wordt daarom verzocht commentaar te leveren. Dat kan bestaan in annotaties in de vorm van noten of ook in inleidende beschouwingen. Hun bijdragen worden in het ene geval, voorzien van initialen, tussengevoegd als noten, in het andere met volledige naam toegevoegd aan de uitgave. De initialen worden met de volledige namen in een lijstje vooraf opgenomen. Graag insturen naar Philippus Breuker.

Philippus Breuker

Lijst van initialen

PHB = Philippus Breuker


Obe Postma, Natuurwetenschap en Historische wetenschap [noot 3]

Dames en Heeren, Ik wil trachten U enkele oogenblikken bezig te houden, vooral naar aanleiding van een boek, dat al een 10 tal jaren oud is, maar toch nog, vooral in Duitschland voortdurend de aandacht blijft trekken, en waarmee men rekening moet houden bij het nagaan van de onderlinge verhouding der verschillende wetenschappen. Ik bedoel het boek van Rickert, Die Grenzen der naturwisschenschaftliche Begriffsbildung. De onderlinge verhouding der wetenschappen, de verdeeling der wetenschappen vormen een probleem, waarmee de filosofen zich nog al eens hebben beziggehouden. Heel wat systemen zijn daarbij voor de dag gekomen en een scherpe logische indeling zal wel niet mogelijk zijn.

Obe Postma, natuurwetenschap en historische wetenschap

Dr. Obe Postma ….. meer dan een Friese dichter

Eerste lezing van het Obe Postma Selskip (ongeveer zo) gehouden door Tineke Steenmeijer-Wielenga in de kerk van Cornwerd op zondag 19 november 2006.

Mij valt de eer te beurt om in het nog prille bestaan van ons Selskip de eerste lezing te mogen houden. Ik zal u wat vertellen over de biografie van Postma, een boek, dat ik bij wijze van proefschrift wil schrijven en waarvan ik hoop, dat ik er in 2009 bij Philippus Breuker op kan promoveren aan de Universiteit van Amsterdam, de Alma mater van Postma. Uit de keuze van mijn studievak, de Friese taal- en letterkunde, en uit het feit, dat ik gewerkt heb bij het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum, een instelling die sinds de fusie met de Provinsjale Biblioteek en het Rijksarchief yn Fryslân deel uitmaakt van het historisch en letterkundig centrum Tresoar, blijkt al wel, dat ik niet anders dan vanuit een literairhistorische hoek zo’n biografie kan schrijven.

Er zijn over Friese auteurs nog niet veel biografieën verschenen. Weliswaar zijn er dissertaties gewijd aan Gysbert Japicx, Joast en Eeltsje Halbertsma en aan Hjerre Gjerrits van der Veen, maar alleen de boeken over de twee laatstgenoemde schrijvers zou ik biografieën willen noemen. In de andere proefschriften wordt wel aandacht besteed aan het leven van de auteurs, maar vormde het werk (of aspecten daarvan) het eigenlijke onderwerp. Dat gaat ook op voor de dissertatie van Babs Gezelle Meerburg die Anne Wadman en Trinus Riemersma heeft behandeld als voorbeelden van vernieuwing in de Friese literatuur. Met een biografisch doel voor ogen schreef Sjoerd van der Schaaf een boekje over Geert Lourens van der Zwaag en J.J. Kalma over Nynke van Hichtum en over Oebele Stellingwerf. Doeke Sijens maakte een uitgebreide beschrijving van het leven van Reinder Brolsma, Johanneke Liemburg werkt aan een proefschrift over het leven van Fedde Schurer en Joke Corporaal aan een biografie van Wadman, maar daarmee heb ik dan wel wel zo’n beetje alles genoemd. Ook autobiografieën en memoires worden er in Friesland niet vaak geschreven. Natuurlijk zijn er in encyclopedieën, handboeken, schrijversprentenboeken en in de inleidingen op uitgaven met verzameld werk en in de toelichtingen bij de heruitgaven van bekende romans en verhalenbundels in de serie ‘Fryske Klassiken’ wel levensschetsen gemaakt over de auteurs waar het om ging. Wumkes legde in zijn Bodders yn de Fryske striid (Friese strijders) heel wat biografische informatie vast en datzelfde deed ook Jaap Kalma in zijn serie Dit wiene ek Friezen (Dit waren ook Friezen), maar grote biografieën zoals die de laatste jaren zijn verschenen over in het Nederlands schrijvende Friese auteurs als Vestdijk, Slauerhoff en Nynke van Hichtum en zoals er een onderweg is van Theun de Vries, zijn er dus nauwelijks te vinden van Friesschrijvende Friese auteurs.
Eigenlijk hoeft dat geen groot probleem te zijn voor iemand die de biografie van Postma wil schrijven. Voorbeelden van schrijversbiografieën zijn er buiten Friesland genoeg te vinden, omdat het genre in Nederland de laatste jaren bloeit als nooit tevoren en een precies passend model om naar te werken, bestaat toch niet, omdat ieder mens uniek is, op zijn eigen plaats en in zijn eigen tijd leeft, een individuele ontwikkeling doormaakt en zijn eigen levenspad bewandelt. Daarom verdient iedere auteur een op zijn persoonljkheid afgestemde biografie. Bovendien zijn alle schrijvers – en in Friesland waar niemand van de pen kan leven – geldt dat des te sterker, meer dan schrijver alleen en wat zij meemaken in hun andere rollen, zal het literaire werk beïnvloeden.
Andersom is dat trouwens ook het geval – Dresden wijst daar in zijn boek De structuur van de biografie op: het schrijven en wat hij geschreven heeft, hebben ook invloed op het leven van een auteur. Dat Postma als dichter een goede naam had, heeft zijn entree bij de uitgevers die zijn geschiedkundig werk op de markt moesten brengen, zeker gemakkelijker gemaakt, al zal het altijd de kwaliteit van dat werk geweest zijn, dat de doorslag gaf. Het is maar een voorbeeld. je kunt je van alles voorstellen bij die invloed: feiten, maar ook niet eenvoudig te meten dingen, zoals het toenemen van gevoel van eigenwaarde, van de moed om zich uit te spreken, iets waar men – in overdrachtelijke zin – ‘een ander mens’ van kan worden.
Misschien heeft Postma’s werk op het terrein van de landbouwgeschiedenis ook wel de belangstelling voor zijn dichtwerk vergroot in milieus waar men verder niet veel op had met poëzie en die waardering kan ook de literaire kritiek milder gestemd hebben.
Dr. Obe Postma is meer dan een Friese dichter. Hij is ook natuurkundige, wiskundeleraar, docent mechanica en cosmografie; hij heeft zich diepgaand bezig gehouden met de filosofie en hij heeft belangrijk pionierswerk gedaan op het gebied van de landbouwgeschiedenis. Ik hoorde, dat onlangs op een genealogendag de spreker die uit moest leggen wat ‘hisgis’ op internet voor mogelijkheden heeft, zijn verhaal begon met te zeggen, dat dit systeem voortbouwde op wat Postma ooit begonnen is bij zijn onderzoek naar de verdeling van de grond in Friesland.

Daar doemt dan al het eerste probleem op. Hoe kan een biograaf bepalen van hoeveel belang diens werkzaamheden buiten de poëzie zijn geweest, hoe dat werk zelf met enige kennis van zaken beschrijven en de invloed ervan op het leven overzien als de te beschrijven persoon zich met zulke uiteenlopende dingen heeft bezig gehouden? Men hoeft – om met Fedde Schurer te spreken – geen eieren te kunnen leggen om ze te mogen keuren, maar om nu iets steekhoudends te zeggen over bij voorbeeld de natuurkundige publicaties van Postma, zou je toch op z’n minst graag wilen begrijpen waar die over gaan. Bij mijn onderzoek vind ik het een probleem, dat er over Postma als dichter langzamerhand al heel veel is geschreven, maar over zijn andere kwaliteiten maar bitter weinig. Ik kan dus ook nauwelijks terugvallen op grotere geleerden!

Op dat probleem zal ik in de loop van mijn verhaal nog wel terugkomen, maar ik wil het nu eerst hebben over de Friese dichter, omdat ik er vast van overtuigd ben, dat het het dichterschap van Postma is geweest dat hem tot een bekende Fries heeft gemaakt.
Met opzet zei ik de Friese dichter. Het had immers ook heel anders uit kunnen pakken. Postma – in 1868 in Cornwerd geboren – kwam al in 1882 in Sneek in een kosthuis te wonen, toen hij in die stad leerling van het gymnasium werd. Van ongeveer zijn veertiende af heeft hij – met uitzondering van de tijd toen hij thuis verbleef na het overlijden van zijn vader in 1891 en misschien nog een paar maanden tussen zijn doctoraal en zijn eerste leraarsfunctie – nooit meer in een volledig friestalige omgeving gewoond. Na Sneek kwam Amsterdam en daarna kwamen Tiel en Tilburg, plaatsen waar hij korte tijd leraar was, voordat hij zich in 1894 in Groningen vestigde na zijn benoeming aan de Rijks-h.b.s. aldaar.
Nadat hij 10 jaar lang op diverse kamers had gewoond in het centrum van de oude Martinistad, zette hij in 1904 een eigen huishouding op samen met zijn zuster Liezabeth. Vanaf dat moment zal de taal die hij thuis sprak weer het Fries zijn geweest, de brieven die hij schreef waren meestal in het Fries, hij werd tegelijk met zijn vriend Tjitse de Boer uit Wirdum, die van 1897 tot 1904 in Groningen woonde, lid van het Selskip foar Fryske Taal- en Skriftekennisse en van de ‘krite Halbertsma’ met de daarbij behorende studieclub in Groningen en hij las de Friese tijdschriften, maar op school en in zijn overige maatschappelijke contacten, moest het Nederlands wel zijn eerste taal worden.

Interessant, maar niet zo vruchtbaar want totaal hypotetisch is de vraag of de poëzie van Postma van hetzelfde niveau geweest zou zijn als die van tijdgenoten als Boutens (1870-1943) en Leopold (1865-1925), als hij – zoals zo veel Friezen die buiten de provincie moesten gaan wonen voor studie en werk – vervreemd geraakt zou zijn van zijn moedertaal en voor het Nederlands gekozen zou hebben als dichterstaal.
Hoe dan ook: onze dichter heeft behalve in een enkel jeugdvers wel altijd zijn moedertaal gebruikt en hij moet die in het toen nog volledig Friese milieu van zijn jeugd dus zo goed hebben leren beheersen dat hij er zich over meer dan alleen maar de dingen van alledag in kon uitdrukken. Met behulp van de Beknopte Friesche Spraakkunst van Philippus van Blom uit 1889 heeft hij al in zijn studentejaren het Fries ook leren spellen.

Nu iets over die andere kant van zijn persoonlijkheid: over wat Postma tot meer dan een Friese dichter maakt:

In het gedicht ‘In Groningen’ (SF, 400) schrijft hij, letterlijk vertaald:

In Groningen heb ik mijn meeste verzen gemaakt;
Maar die verzen hadden hun leven voor het grootste deel in Friesland;
Dat was het land van mijn jeugd en mijn liefde.
Maar een enkele keer was er daar een lichte dag of een ontmoeting met een vriend, die zijn eigen poëzie had.
Mijn verzen konden mijn Groninger vrienden ook niet zo boeien;
Het was een ‘vreemde taal’ en het ging over een ander land.
Zij beschouwden mij meer als een man van studie dan als een dichter.
In een Groningse encyclopedie zullen zij mij karakteriseren als een schrijver van kleine historische stukjes.

Dat ‘een schrijver van kleine historische stukjes‘ is naturlijk een understatement, maar wat Postma’s publicaties in de Groningse Volksalmanak betreft, is zijn bewering wel steekhoudend. Wat hij echter op het gebied van de Friese landbouwgeschiedenis heeft geschreven, is wel heel wat meer dan klein werk.
Ik heb deze strofe uitgekozen, omdat eruit blijkt, dat Postma zich ervan bewust was, dat hij twee kanten had: die van de dichter en die van de man van studie en beide zullen in de biografie belicht moeten worden.

Maarten ’t Hart heeft op 18 mei 1979 in zijn openingstoespraak bij de Postma-tentoonstelling in het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag vier redenen genoemd waarom Postma voor hem een ‘merkwaardig dichter’ is en één daarvan zou zijn ‘buitengewoon oninteressante biografie’ zijn. Hij bedoelt met ‘biografie’ hier natuurlijk de levensgeschiedenis en niet een boek daarover. Als ik dat met ’t Hart eens was geweest, zou ik er natuurlijk niet over peinzen het leven van Postma te gaan beschrijven. Juist vanwege die beide kanten: het dichterschap en zijn veelzijdige wetenschappelijke activiteit is de levensloop van Postma in mijn ogen bijzonder interessant. Het mag waar zijn, dat er op het eerste gezicht weinig schokkende gebeurtenissen te melden zijn. Postma heeft immers geen spectaculaire ontdekkingen gedaan in de natuurkunde, zijn studievak, hij heeft geen carrière gemaakt in zijn beroep, al is hij aan het einde van zijn veertigjarige loopbaan aan steeds dezelfde school, nog waarnemend direkteur geworden – vrijwel de enige promotiekans voor een leraar -, hij heeft geen verre reizen gemaakt, hij heeft maar jaar in jaar uit kalm en sober voortgeleefd met zijn zuster, er zijn van hem geen affaires en schandalen bekend, al heeft hij dan wel zijn vrienden gehad, zoals hij schrijft in het vers, dat begint met de regel ‘Ik ben een eenigszins stille en eenzelvige persoon’ (SF, 222).
Aan de buitenkant mag zijn leven dus arm lijken, maar wat denk- en verbeeldingskracht betreft, is Obe Postma ongetwijfeld buitengewoon rijk geweest. Hij heeft een rijk zielsleven gehad, omdat hij zo’n brede belangstelling had en omdat kleine en gewone dingen -een lach, een oogopslag, een vriendelijk woord, het licht op het water of door de ramen van de kerk, een hek in Noord-Friesland, het geluid van de ganzen op de waard, een arbeidershuis – als schatten bewaarde en daarin een rijkdom vond, waar hij op kon teren.

Vrienden

Ik ben een enigszins stille en eenzelvige persoon, maar toch heb ik wel vrienden.
Het kan een kelner op een station zijn of iemand die op de markt werkt,
Of iemand anders met wie ik wel eens een woord gewisseld heb.
Ook zijn er wel mensen wier leven dichter bij mij geweest is;
Ik zie hen zo door de dag niet, maar ergens bewaar ik een lach of hun handdruk
En soms herinner ik mij die weer.
Ook bewaar ik wel eens een woord. Zo heb ik in mijn jeugd een oudere vriend gehad,
En na vele jaren bracht mijn weg me bij zijn huis en ik noemde mijn naam;
Mijn P….’ hoorde ik hem toen zeggen, en die woorden heb ik bewaard.

Er is niet zoveel voor nodig om vrienden te hebben;
Soms als ik in een dorpje aan zee kom, zijn er mensen die lachen als ze mij zien lopen;
Dan denken ze: daar is die rijmer, die over Klaas en Keimpe gedicht heeft
En over oude Oetske, over jagers en visserlui;
En zij zijn mij wel genegen.
En nu ook, zoals ik zomaar wat onnozele dingen zeg,
Kunnen er mensen zijn, die ik weet te boeien, omdat zij het leven zelf voelen,
Niet opgesierd als een beeld, maar zoals de ziel het laat zien.

Dat is de zielerijkdom van Postma en zijn verbeeldingskracht; hij kan oude beelden opnieuw oproepen en er het licht op laten vallen, zodat ze weer gaan leven, niet door er een prachtige verbeelding van te geven, maar zoals de ziel het laat zien. Aan die andere betekenis van ‘verbeelding’, die van opschepperigheid moeten we helemaal niet denken. De tweede reden die ’t Hart noemde voor het bijzondere van deze dichter, is juist Postma’s bescheidenheid. (Maar dat tussen haakjes; de andere zijn zijn late debuut en het geringe aantal thema’s in zijn poëzie.)

Wanneer Postma in 1962 nog een vers maakt met als titel ‘Alles wat ik schrijf, is waar gebeurd’ en hij die woorden tussen aanhalingstekens zet, dan citeert hij uit eigen werk en wel uit het gedicht ‘Het geschenk’ uit 1925, opgenomen in wat de dichter zelf zijn beste bundel achtte, De ljochte ierde (De lichte aarde) van 1929. In dat gedicht verklaart hij, dat hij ‘geen kracht van hoge fantasie’ heeft; hij kan geen ‘wonderbaarlijk sprookjesland’ ‘schilderen’ of de mensen utopieën voor ogen toveren, maar wat hij in zijn verzen geeft, is het beste wat hij heeft, het zijn zijn gelukkige uren, ‘de schoonste droom van jeugd en licht’ en hij schenkt die aan ‘wie maar de oude taal verstaat’. Dat is zijn geschenk, dat hij de mensen hun eigen rijkdom laat zien. Immers: ‘dat ruime veld’, ‘de gloed, de geur van klaver, de zee van het land, die golft en oprijst’ die zijn van iedereen en ook ‘wat al lang voorbij is’; ‘hun kracht, hun jeugd’ kan hij weer oproepen, zodat ze zacht glanzend opnieuw te voorschijn komen ‘als een blijer ding’. Dat is de kracht van zijn verbeelding. En ook al is bij voorbeeld dat beeld van het land dat golft en oprijst als water waar de wind overheen strijkt niet oorspronkelijk en heeft Postma dat ontleend aan de Engelse dichter Keats, zoals Breuker heeft ontdekt, Postma heeft er wel zijn eigen emotie in herkend en kan het nu op en oorspronkelijke manier toepassen.

Bij een dichter die zo concreet zegt, dat alles wat hij schrijft echt gezien en beleefd is, is het voor de biograaf natuurlijk wel een uitdaging om de bronnen van diens dichterlijke inspiratie op te sporen en na te gaan door wie en door wat hij is beïnvloed. Ik vind, dat zulke dingen nog wel in een biografie passen, ook al omdat er door de jaren heen een ontwikkeling in valt te ontdekken die steeds een andere nuance geeft aan de poëzie, maar naar mijn mening hoeft een biograaf geen definitief commentaar bij alle gedichten te schrijven. Dat is iets voor een ander boek. De vraag hoe oorspronkelijk Postma was in zijn werk moet natuurlijk wel worden gesteld.

Ik heb nu al drie zaken genoemd die behandeld moeten worden: de primaire vraag of het leven van Postma interessant genoeg is om erover te schrijven, dan het feit, dat zich in Postma een groot dichter en een bekwaam wetenschapper verenigen, een niet unieke, maartoch wel vrij zeldzame combinatie van ‘dichter’ en ‘studiemens’ en als derde de vraag naar de oorspronkelijkheid van de dichter. De kwesties zijn niet gelijkwaardig, maar wel alle drie belangrijk.

Laat mij nu eerst maar eens vertellen, hoe ik mij voorstel het leven van Postma te kunnen schetsen, dan kom ik daarna nog op de bronnen, waar ik informatie uit zou kunnen putten. In principe kies ik voor een chronologische behandeling, omdat een leven loopt van geboorte tot dood en omdat het nu eenmaal zo gesteld is, dat het voorafgaande wel invloed kan hebben op wat volgt, maar het omgekeerde onmogelijk is. Ik ben mij er wel van bewust, dat consequent toepassen van het chronologische principe het boek er niet logischer op zou maken. Daarom zal ik me er niet strikt aan houden, maar soms eerst een verhaal, bij voorbeeld dat over het leraarschap, afmaken. Ook al betekent dat, dat ik na veertig jaar wiskundeonderwijs terug in de tijd moet om de draad van Postma’s ontwikkeling als dichter weer op te pakken of om zijn wetenschappelijke belangstelling te schetsen die zich in die veertig jaar aanmerkelijk heeft verlegd van de natuurwetenschappen naar de filosofie in engere zin en daarna naar de landbouwgeschiedenis. Een mens blijft niet z’n hele leven gelijk, maar verandert steeds, soms gestaag, soms min of meer met schokken. Breuker heeft mij aangeraden om vooral aandacht te besteden aan de overgangen in Postma’s belangstelling en die als caesuren te kiezen voor de hoofdstukindeling. Dat betekent dat niet ieder hoofdstuk een vast aantal jaren zal omvatten. Ik wijk daarmee af van de methode van Charlotte Bühler, die, als ik de uiteenzetting van Jan Romein in diens boek De biografie goed begrepen heb, vooral uitgaat van de diverse fases in de menselijke ontwikkeling, waarbij in het begin steeds meer dimensies worden veroverd en na het bereiken van de volwassenheid dat aantal geringer wordt door specialisatie. Haar schema acht ik voor Postma minder gschikt, omdat die als dichter laat begint en als wetenschapper zich na zijn veertigste nog eens inwerkt in een voor hem geheel nieuwe discipline en omdat hij tot op hoge leeftijd produktief is gebleven.

Als werktitel heb ik gekozen Obe Postma (1868-1963), een leven bloeiend naar zijn aard, waarbij de ondertitel is ontleend aan de laatste regel van mijn favoriete gedicht ‘Geluk’, een gedicht, waarin Postma zelf al in 1916 het antwoord heeft gegeven op mijn eerste vraag, namelijk of zijn leven boeiend genoeg is om het te beschrijven. Ik lees de innerlijke tweespraak, want dat is dit gedicht volgens mij, nog even voor: het lijkt wel of in de vragensteller de mannelijke kant van de dichter aan het woord is die hem confronteert met de nuchtere feiten, terwijl hij in de antwoorden zijn meer gevoelige, vrouwelijke kant laat zien, die zich met het lot heeft kunnen verzoenen.

Geluk

Heb jij het land van jong verlangen
t Hoge geluk op aarde gevonden?

Ver heb ik mijn dromen laten gaan
En de hemel open gezien.

Maar je was een eenzame zwerver
En de liefde kende je niet.

Lichte aarde was mijn liefde
Met haar hartslag ging mijn hart.

Klein en pover was je leven
En je kracht wel vroeg verbruikt.

Maar op zachtste adem trillend
Heb ik Schoonheids stem verstaan.

Als jij heengaat, zullen er niet blijven
Troostrijk, liefsten van jouw bloed

Als dit eigen leven bloeide
Naar zijn aard, dan is het goed.
(SF, 87)

Ik heb niet alleen de voorlopige titel van het boek aan een gedicht van Postma ontleend, maar in de opzet heb ik ook de hoofdstukken gekarakteriseerd met dichtregels. Mijn eerste hoofdstuk heet ‘Ik ben van het land, van boeren- en dorpsvolk’, de eerste regel van ‘Land en Stad’ (SF, 283). Ik wil daar Postma’s kinderjaren tot 1879 in behandelen tegen de achtergrond van de geschiedenis van de families Postma en Rinia en hun positie in Cornwerd. Romein heeft er al op gewezen, dat een mens, behalve door biologische en psychologische factoren ook wordt gevormd door zijn sociale omgeving. Bij wijze van overgang naar het volgende hoofdstuk zal ik wat schrijven over waar de ouders belangstelling voor hadden en over hoe zij tegenover doorleren stonden. Postma heeft niet zomaar gezegd, dat zijn vader ‘geen gewone boer’ was.

In het tweede hoofdstuk met de titel ‘Jij mocht leren’ uit ‘De bank in de stal’ (SF, 273) loopt van 1879 tot 1886 en gaat over Postma’s leerjaren in het voortgezet en voorbereidend hoger onderwijs. In die jaren wordt de belangstelling die hij van huis uit al had meegekregen voor de Friese literatuur groter en begint hij ook zelf te dichten. Al stelt dat -zoals hij zelf zegt – nog niets voor.

Dat verandert in de periode die in het derde hoofdstuk behandeld wordt onder de titel ‘Het ging om de wetenschap, maar die kon alleen de open geest niet bevredigen’ uit ‘Van twee steden’ (SF, 295). Het is de periode tot en met zijn promotie, de tijd waarin hij hoopt door de natuurkundestudie dichter bij het wezen van de dingen te komen. De ‘open geest’ blijkt in die jaren uit zijn enthousiaste deelname aan het studentenleven en zijn toenemende belangstelling voor de Nederlandse literatuur. Maar de jonge Postma beleefde ook vreugde aan de stad Amsterdam met z’n pas geopende Rijksmuseum. Hoewel hij verschillende functies bekleedde in de Amsterdamsche Studenten Bond en het natuurwetenschappelijk genootschap H.A.R.T.I.N.G. studeerde Postma vlot en slaagde hij in 1889 cum laude voor zijn kandidaatsexamen.
Door het overlijden van zijn vader in de zomer van 1891 werd het leven ernstiger. Als oudste zoon steunde Obe zijn moeder bij het leiden van het boerenbedrijf, al zal hij zich ook in die tijd niet veel bezig gehouden hebben met het echte werk op de boerderij. In de herfst van 1892 doet hij – terug in Amsterdam – zijn doctoraal en gaat meteen verder met zijn promotie-onderzoek. De sinds 1863 geopende h.b.s.-en vroegen veel leraren, maar hadden een voorkeur voor docenten met een doctorstitel. Postma is dan geen redacteur meer van een studentenblad maar schrijft tot in januari 1893 ‘Brieven uit Amsterdam’ voor de Leeuwarder Courant. Terwijl hij al aan het werk was in Groningen, promoveerde hij bij Van der Waals senior in Amsterdam.

Hierna past een hoofdstuk over Postma als leraar onder de titel ‘De jeugd heb ik helpen opkweken’ uit ”U bent vast een oude schoolmeester’ (SF, 297). Nadat hij afgestudeerd was, is Postma begin 1893 drie maanden leraar geweest in Tiel aan het gymnasium, de burger-avondschool en de gemeentelijke h.b.s.. Van oktober 1893 tot de grote vakantie in juli aan de Rijks-h.b.s. Willem II in Tilburg. Uit een brief van Van der Waals weten wij, dat hij bedankt heeft voor een benoeming in Haarlem, maar het is niet duidelijk, waarom hij voor Groningen gekozen heeft. Wilde hij graag terug naar het noorden? Dichter bij zijn familie wonen? Of was het de universiteit die hem trok?
Hij werd in Groningen benoemd per 1 september 1894 voor de vakken wiskunde en mechanica. Onlangs heb ik in her archief van de Groningse Rijks-h.b.s. een brief gevonden van Minister van Houten aan Postma’s direkteur Groneman van 29 september 1896 waarin die hem machtigt om het onderwijs in de cosmografie in de 4e klas op te dragen aan Postma. In augustus 1897 schreef de inspekteur, nadat hij van de direkteur gehoord had, dat dat vak prima aan deze docent kon worden toevertrouwd, dat hij hem machtigde zulks te doen. Sindsdien heeft Postma in de twee hoogste klassen altijd niet alleen de werktuigkunde, maar ook de sterrenkunde gedoceerd.
Door het archief van de school te bestuderen is mij ook duidelijk geworden, dat het onderwijs Postma niet licht viel. In 1903, 1912 en 1915 is hij voor langere tijd met ziekteverlof geweest om uit te rusten en toen de inspekteur in dat laatste jaar vroeg, hoeveel lessen iedere docent gaf, antwoordde direkteur Jensema, die in 1905 Groneman was opgevolgd, dat Postma niet meer dan 22 uren gaf, maar om gezondheidsredenen ook niet meer uren wilde hebben.
Over hoe de leerlingen zich deze wiskundeleraar herinneren, is wat bekend geworden uit een enquète die Freark Dam in 1978 heeft gehouden. De meningen zijn verdeeld: sommigen vonden dat hij op een heldere manier les gaf en goed uit kon leggen, anderen uitten hun spijt, omdat ze hem, die toch al niet zo’n sterke orde had, gepest hadden. In de antwoorden overheerst het idee, dat Obe ‘een goed mens’ was, maar de leerlingen vonden hem wel een beetje eigenaardig, ouderwets, kwetsbaar, maar wel sympathiek en altijd rechtvaardig. Bij het interpreteren van de antwoorden moeten wij wel bedenken, dat het vooral de jongste lichtingen uit Postma’s lange leraarschap zijn naar wier mening in 1978 nog gevraagd kon worden. Bij een enquète onder de leerlingen van rond 1900 of uit de jaren ’10 van de twintigste eeuw zouden de uitkomsten een heel ander beeld hebben kunnen opleveren. In die periode nam Postma ook deel aan buitenschoolse activiteiten zoals de reciteervereniging ‘Demosthenes’. In 1914 was hij lid van de feestcommissie en eindredacteur van het gedenkboek dat verscheen bij het 50-jarig bestaan van de school.
De leerlingen die al dan niet met name genoemd worden in gedichten van Postma, stammen allemaal uit de lichtingen van de jaren ’10. Dat is de tijd geweest, dat Postma met enkelen van hen meer persoonlijk omgang had. Als biograaf moet ik mij wel afvragen of die jongensvriendschappen en de gevoelsworsteling die daarmee gepaard ging, misschien mede de oorzaak waren van de overspanning, waaraan hij in diezelfde periode leed. Ik wil nu op zijn homosexualiteit, waar al eerder over geschreven is, maar niet ingaan, omdat het een te complexe problematiek is om hier op een zondagmiddag in november te bespreken. In plaats daarvan lees ik liever ‘De wandeling’ voor, een gedicht dat gaat over een tocht langs het Hoornsche Diep met een van die jonge vrienden.

De wandeling

Samen liepen wij, mijn jonge vriend en ik,
Het pad langs, dat mij lief was, door het blijde land;
Mij trekt zijn vrolijke jeugd; wat was het in mij,
Uitgebloeid, verdord, dat invloed op hem had?

Gewillig voegde hij zich nu naar mijn rustiger gang
En hield in, als ik even bleef staan,
Om aan te wijzen, waar ik het mooie wist
Want hij moest zien, wat ooit mijn vreugde was.

In diepste pronk lag lentes groene land;
In de verte loeit een koe, de kikkers kwaken zo;
Het voorjaar zingt in mij zijn machtige lied,
De blanke weg loopt naar ’t oneindige toe.

En naast mij klinkt de ranke, jonge stem,
Die makkelijk dan vooruit schiet dan weer keert,
En almaar zingt van jeugd; de blijde zang
Van wie geen ander geschenk dan het leven zelf begeert.

Voor hem kan de klank van het voorjaar niet zijn als voor mij
Een roep die jeugdigheid geeft aan het oude geslacht
Maar ook voor hem is zang en kleur en licht,
Alle kostelijke dingen van lentes vroege pracht.

Zo gaan we ons lichte pad. Wie geeft, wie neemt?
Aan het eind staan we stil en aarzelen en verroeren ons niet,
Maar hebben geen keus. Dan draaien we ons zwijgend om;
En in mij klinkt: jou na staat ’t het jonge hart!
(SF, 177)

Nadat het leraarschap van 1893 tot 1933 is behandeld, moet ik in hoofdstuk V terug naar de natuurkunde, waarmee Postma zich na zijn promotie in 1895 nog tot 1918 af en toe bezig heeft gehouden. Ik doe dat onder de titel ‘Hun gedachten geven houvast, waar ons begrip breekt’ uit ‘Bij de dood van een groot sterrenkundige’. (SF, 213) en ik heb die dichtregel uitgekozen, omdat de wat sneue constatering die erin vervat is, voor mijn gevoel Postma’s teleurstelling in de natuurwetenschappen en in zichzelf als natuurkundige wel goed onder woorden brengt. Hij had voor het vak gekozen om dichter bij het wezen van de dingen te komen, maar dat doel had hij niet bereikt.
Het bleef overigens wel iets om na te streven. In 1914 omschreef hij in zijn bijdrage aan het Derde Gedenkboek van de Rijks Hoogere Burgerschool te Groningen de taak van de leraar in het middelbaar onderwijs die volgens hem ‘tegelijk opvoeder en man van de wetenschap moet zijn.’ (…) zo: ‘hij kan liefde opwekken voor het vak zijner keuze, of meer algemeen den drang doen ontwaken door te dringen tot “het wezen der dingen”, hij kan de smaak ontwikkelen voor literatuur, hij kan, laatst, maar niet minst, geregeld en ordelijk leeren werken.’ Het is een mooi programma, waarin je de man zelf als filosoof, dichter en consciëntieus onderzoeker herkent.
Over de kwaliteit van de publicaties die Postma op het gebied van de wis- en natuurkunde heeft geleverd, inclusief zijn dissertatie onder de titel Iets over uitstraling en opslorping van 1895 en het boekje Het meten van 1903 kan ik zelf geen oordeel vellen. Ik ben blij, dat mijn man, die theoretisch fysicus is van studie, zich daar in wil verdiepen en ik hoop, dat ik, als ik aan dit hoofdstuk toe ben, gebruik kan maken van zijn conclusies.
Terwijl Postma nog in de marge deelneemt aan het natuurwetenschappelijk discours, heeft zijn belangstelling zich onder invloed van zijn vriend De Boer omstreeks 1898 al verlegd naar de filosofie en in 1918, als zijn laatste bijdrage aan de Verslagen en Mededelingen van de KAW verschijnt, biedt hij ook al zijn eerste historische artikel aan De Vrije Fries aan, het jaarboek van het Friesch Genootschap voor Geschied- , Oudheid- en Taalkunde.
In dit hoofdstuk moet ook nog genoemd worden, dat Postma in 1905 heeft meegewerkt aan het onderzoek van de vermaarde Groningse sterrenkundige Kapteyn en dat hij in 1908 op verzoek van de Faculteit een poosje college aan pre-kandidaten heeft gegeven in hogere algebra en in differentiaal- en integraalrekenen.

In hoofdstuk VI wil ik onder de titel ‘Naar de verste tijden neemt het geruis ons mee’ uit ‘Augustuszondag’ (SF, 117) uitleggen, hoe Postma zich van een liefhebber van historische studie heeft ontwikkeld tot een autoriteit op het terrein van de Friese agrarische geschiedenis. Wanneer precies zijn belangstelling voor de geschiedenisstudie werd gewekt, is niet helemaal duidelijk. Ook hier zal er wel sprake zijn van invloed van De Boer, die al in 1898 had gepubliceerd over het leven van de Friese boer en in 1907 over de Friese grond. In de lezing die Postma in 1939 hield voor de Provinciale Onderwijsraad, verklaarde hij, dat er in de tijd na zijn promotie andere wetenschappen dan de wiskundige op hem afkwamen, ‘vooral de filosofie en de geschiedenis van de wetenschappen, want eigenlijk was het de wiskunde zelf nier die mij zo in beslag nam als het bij een echte wiskundige behoort te zijn.’ **
Op 12 april 1913 sprak Postma voor de wetenschappelijke afdeling van het Natuurkundig Genootschap in Groningen over ‘Natuurwetenschap en historische wetenschap’ en toen had hij zich al goed ingelezen in de theorie. Uit zijn aantekenschriften, waarover ik het dadelijk bij de bronnen nog zal hebben, blijkt ook, dat hij zich eerst heeft bezig gehouden met literatuurstudie en pas in 1918 een regelmatige bezoeker van het Rijskarchief in Groningen is geworden.
Hoogtepunt is in 1934 de uitgave van De Friesche Kleihoeve, waarin veel van zijn kleinere werk is samengebracht. Dat hem gevraagd werd om het behandelen van de oudste perode op zich te nemen voor het in 1952 te verschijnen jubileumboek van de Friesche Maatschappij van Landbouw, was de kroon op het werk en betekende erkenning van Postma’s deskundigheid als historicus ook al was hij in dat vak autodidact.

Het zevende is een beetje een bijzonder, niet aan jaartallen gebonden, hoofdstuk, waain ik onder de titel ‘Het geluk van het leven zien’ uit de cyclus ‘De droom van een gelukkig leven’ (SF, 71) wil laten zien, wat het voor Postma heeft betekend dat hij kon dichten en de poëzie tot zijn beschikking had om zich te uiten. Het gaat daarbij ook over het verschil tussen wetenschap, waarbij volgens Postma de geest actief was en poëzie, waarbij hij de geest meer passief kon laten dwalen.

In het daarop volgende hoofdstuk, ‘Dit is het kostbaarste wat het leven te bieden had’ uit een van de allerlaatste gedichten ‘U leest vast vaak in uw eigen gedichten?’ (SF, 380) wilde ik de poëzie bundel voor bundel behandelen. Postma schreef zijn eerste verzen, die hij – na die uit zijn studententijd – wel wilde publiceren, in 1900. Zijn eerste bundel is van 1918. Ik ga in dit hoofdstuk dus opnieuw een heel eind terug in de tijd.
Naast overgangen in de belangstelling van natuurkunde naar filosofie en van filosofie naar geschiedenis zijn er ook overgangen in de poëzie. Ik volg wat dat betreft Breuker die zowel in zijn rede Obe Postma als auteur van het sublieme uit 1996 als in zijn inleiding op de nieuwe uitgave van de Samle fersen van 2005 heeft aangetoond, dat Postma omstreeks 1911-’12 voor het eerst niet meer met beelden van de natuur en eigen herinneringen komt, maar ook mensen en dingen uit vroeger tijden laat figureren. De ziel sloeg de vleugels uit wat ruimte en tijd aanging, schreef hijzelf in 1922.Vanaf 1932 is het de alledaagse werkelijkheid met bestaande personen, waaraan hij in zijn verzen aandacht besteedt. Die caesuren vallen niet samen met de indeling in bundels, terwijl er bovendien nog perioden met invloed van andere dichters onderscheiden kunnen worden van Gorter en Verwey in het begin, Wordsworth en Keats, die hij een aantal jaren later ontdekte, naar Boutens, Rilke, Slauerhoff, Dickinson en de Chinese dichters. Hoe ik dat na en naast elkaar moet vertellen, weet ik nog niet precies en misschien blijkt bij het schrijven wel dat het handiger is om de overgangen in de poëzie te verbinden met Postma’s ontwikkelingsgang wat zijn wetenschappelijke belangstelling betreft. Ik zou ze dan daarbij kunnen behandelen en er in dit hoofdstuk over de poëzie naar terug kunnen wijzen. In principe wilde ik dit hoofdstuk laten ophouden bij 1937, toen de bundel Dagen is verschenen.

Tussen die bundel en It sil bestean (Het zal bestaan) van 1946 ligt de oorlog en ik wil in hoofdstuk IX, dat de tijd van 1937 tot 1963 omvat, in de eerste plaats laten zien, hoe Postma en zijn zuster daar doorheen zijn gekomen. Daarbij heb ik dan ook de gelegenheid om over Postma’s politieke opvattingen te schrijven. Hij zag niets in het socialisme en nog veel minder in het nationaal-socialisme. De oorlogsomstandigheden hinderden hem bij zijn archiefstudie en hij had er last van, dat zijn werk niet uitgegeven kon worden. Aan de verzen die hij na 1937 schreef, valt af te lezen, dat zijn wereld kleiner werd en zijn denkkracht afnam. In zijn dichtwerk geeft hij vrijwel alleen nog maar bespiegelingen over nogal alledaagse dingen en commentaar op wat mensen gezegd of geschreven hebben. ik noem dit hoofdstuk dan ook maar ‘Dan kijk ik naar mijn eigen leven’ met een regel uit de cyclus ‘Zo’n leven’ (SF, 321).

Als afsluiting volgt dan nog ‘Wie aan mij wil denken, gedenke mij zo’ uit het kwatrijn ‘Mens’ (SF, 242), een laatste hoofdstuk om conclusies te trekken en om misschien nog iets te vertellen over de receptie en de ‘nawerking’ van Postma, hoewel dat laatste misschien ook niet eens hoeft in een biografie.

Ik heb de laatste tijd veel nagedacht over wat er wel en niet in mijn boek moet en kan komen en ik ben daarbij tot de conclusie gekomen, dat er over Postma’s werk op het gebied van de wis- en natuurkunde een apart artikel geschreven zou kunnen worden en over de onderwerpen ‘filosofische ontwikkeling’ en ‘werk op het terrein van de landbouwhistorie’ beide een volledig boek. En ook dat een biografie niet de plaats bij uitstek is voor het behandelen van vragen over de literaire theorie of voor commentaar op de afzonderlijke gedichten. Zodoende moet ik mij beperken tot een overzicht van dit lange leven, waarin al die genoemde thema’s aandacht krijgen en in hun tijd geplaatst worden, zonder dat ze op zichzelf uitputtend behandeld worden.

Dat brengt mij bij de bronnen, omdat een van de vragen waar ik nog geen antwoord op weet, is of men gedichten als bron van informatie mag gebruiken. Ik denk, dat dat in principe niet mag, omdat literatuur per definitie de waarheid liegt en fictie geen feit is. Maar ligt dat niet iets genuanceerder bij een dichter die zo autobiografisch dicht en zo aanwijsbaar reflecteert op gebeurtenissen uit zijn eigen leven en die bovendien nog zelf verklaart, dat alles wat hij schrijft, werkelijk gebeurd is en dat hij ‘geen kracht van hoge fantasie’ heeft? En stel, dat dat zo is bij Postma en dat men de verzen wel zou mogen gebruiken, is het dan nodig om die stuk voor stuk en regel voor regel uit te pluizen om tot een onweerlegbare interpretatie te komen? En hoe staat dat met de brieven? Het lijkt erop, dat die al wat objectiever zijn, al valt ook daarop wel wat af te dingen. Het is wel prettig, dat Postma zelf brieven heeft afgestaan aan archieven en er zodoende blijk van heeft gegeven, dat hij inzag dat nagelaten correspondentie belangrijk is voor biografische studie.
Een algemene stelregel bij dit soort onderzoek is, dat één bron geen bron is, maar er zijn uit het leven van Postma heel wat dingen waarvan wij alleen maar uit brieven en gedichten wat weten. Zo stond bij voorbeeld in een nog maar kort geleden bij de familie ontdekte brief, dat het vers ‘De wandeling’ slaat op een tocht met een bepaalde leerling. Nu wij de naam van die jongen kennen, kunnen wij hem opsporen in de archieven en iets gewaar worden van zijn achtergrond, maar zonder die speciale brief was het een kwestie van raden en moeizaam reconstrueren gebleven op basis van andere gedichten en een brief uit de nalatenschap van Postma zelf van juist deze jongen.
Postma heeft met uitzondering van een klein aantekenboekje van toe hij nog naar de lagere school ging, geen persoonlijke aantekeningen in de vorm van een dagboek nagelaten, maar er worden wel 800 aantekenschriften bewaard bij de Fryske Akademy en een stuk of tien bij Tresoar uit de collectie van het FLMD. In die laatste staan de kladversies van zijn gedichten en in de andere aantekeningen die hij maakte bij het lezen van studies op het gebied van filosofie, ethiek, esthetiek, wetenschaps- en andere geschiedenis. Breuker heeft ze bekeken, geordend en er in 1983 in De Vrije Fries een overzicht van gegeven. Hij heeft er voor zijn publicaties over Postma ook gebruik van gemaakt, maar dat ontslaat mij niet van de plicht om ze ook allemaal door te nemen. Samen hebben wij al eens naar de geschiedenisschriften gekeken en zelf heb ik van ruim dertig andere schriften samnevattingen gemaakt, maar het probleem met zulke persoonlijke aantekeningen bij lectuur is, dat je niet ziet, wat hem nou precies heeft getroffen, omdat je de boeken die hij bestudeerde er niet bij hebt. Je weet niet goed, waar je om zoekt en dus valt je aanvankelijk ook niet zo veel op. Het is het verschijnsel, dat mensen die zich met dit soort onderzoek bezig houden vast wel kennen, dat je de bronnen meer dan eens moet bestuderen, omdat je naarmate je meer van je onderwerp weet, er ook meer uit oppikt dat voor je onderzoek van belang is.
Wat dat betreft is het ouderwetse archiefonderzoek bevredigender.De burgelijke stand, belastingcohieren en notariële archieven bieden meteen betrouwbare informatie. De archieven van de school en van de verenigingen waarbij Postma aangesloten is geweest, vragen al weer wat meer interpretatie. Behalve dat ze belangrijke en minder belangrijke objectieve gegevens verstrekken, brengen ze je tot een meer subjectieve meningsvorming over de persoon in een bepaalde periode van diens leven Ik heb daar in mijn verhaal al een paar voorbeelden van gegeven. De laatste schriftelijke bron wordt natuurlijk gevormd door de publicaties van de man zelf, maar het spreekt zozeer vanzelf, dat de biograaf die moet lezen, dat ik daar verder niets over zal zeggen.
Dan blijven nog de orale bronnen over, de mondeling doorvertelde verhalen van mensen die Postma nog gekend hebben of van horen en zeggen nog dingen van hem weten. Er zijn niet zoveel mensen meer die hem nog hebben meegemaakt en de mensen die hem nog gekend hebben, waren zoveel jonger, dat ze niet op voet van gelijkheid met hem omgingen. Toch ben ik blij met een echte achterneef in ons bestuur en wil ik graag in contact komen met mensen die mij nog iets over Postma, zijn familie of de situatie in Cornwerd van weleer kunnen vertellen.

Ik hoop, dat ik u een indruk gegeven heb, van wat ik aan het doen ben en op welke vragen en problemen ik daarbij stuit. Tussen de bedrijven door heb ik de belangrijkste feiten uit het leven van Postma weer even opgehaald en heb ik u enkele van zijn mooiste gedichten laten horen.
Nu ik een aantal jaren bezig ben met de Postma-studie rijst er langzamerhand een wat genuanceerder beeld van de man voor mij op en worden ook de contouren van het boek, dat ik over hem zou kunnen schrijven duidelijker.
De vergelijking is niet nieuw, maar als een biografie beschouwd wordt als een legpuzzle met duizenden stukjes, dan heb ik ondertussen de rand wel zowat af en liggen er daarbinnen ook al wel wat stukjes met de gekleurde kant naar boven en aan elkaar. Dat zijn bij voorbeeld de stukjes die Postma’s ijver, zijn preciesheid, zijn oog voor ogenschijnlijk niet zulke belangrijke gegevens en zijn kritische geest laten zien, maar ook stukjes waarop zijn soberheid, zijn benieuwdheid en nieuwsgierigheid en zijn humor aan het licht komen. Het gaat hier natuurlijk om een puzzle uit een oude doos en ik weet niet of hij nog wel helemaal compleet is. En stel, dat alle stukjes nog te vinden zouden zijn, dan zal het mij vast niet lukken om ze allemaal om te keren en op de goede plaats te leggen. Van wat er nu ligt, zal ik vast ook nog wel eens wat moeten verschuiven, maar ik ben toch al wel zover, dat er een beetje tekening in komt en dat ik steeds meer plezier krijg in het werken aan deze puzzle. Gelukkig hebben anderen ook al gedeelten gelegd en zij willen mij wel helpen. Ik reken u daarbij en hoop, dat ik na verloop van tijd nog eens mag komen vertellen, hoe ver we dan met elkaar zijn gekomen.

* Peter van der Meer, documentalist bij de Fryske Akademy, op 4 november 2006 op de Genealogendag op Tresoar (mededeling dr. A.A. Bosma)

** citaat overgenomen van noot 16 van Breuker, 1996

De gedichten en de citaten daaruit zijn aangehaald uit Obe Postma, Samle fersen. Ed. Tineke Steenmeijer-Wielenga. Leeuwarden, Ljouwert, 2005

Gebruikte boeken:

Philippus Breuker, ‘It godlike fan dream en sinnen’. In ynlieding op de Samle fersen fan Obe Postma. Zie bovengenoemd boek, pp. 499-575

Ph.H. Breuker, Obe Postma als auteur van het sublieme. Ljouwert/ Leeuwarden, 1996

S. Dresden, De structuur van de biografie. Den Haag, 1956

Jan Romein, De biografie. Amsterdam, 1951.

Dr. Obe Postma…. mear as in Frysk dichter

earste lêzing fan it Obe Postma Selskip (sa likernôch sa) hâlden troch Tineke Steenmeijer-Wielenga yn de tsjerke fan Koarnwert op snein 19 novimber 2006

Achte dames en hearen, leden fan it Obe Postma Selskip en oare belangstellenden,

Oan my is de ear om yn it noch jonge bestean fan ús Selskip de earste lêzing te hâlden. Ik sil wat fertelle oer myn wurk foar de biografy fan Postma, in boek dat ik skriuwe wol as dissertaasje en dêr’t ik dan fan hoopje der yn 2009 by Philippus Breuker op promovearje te kinnen oan de Universiteit van Amsterdam, Postma syn Alma mater. Ut myn stúdzjekar, de Fryske taal- en letterkunde en út myn wurk oan it Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum yn Ljouwert, in ynstelling dy’t sûnt de fúzje mei de Provinsjale Biblioteek en it Ryksargyf ûnderdiel is fan it histoarysk en letterkundich sintrum Tresoar, docht al wol bliken, dat de ynfalshoeke, dêr’t ik út wei skriuwe sil, de literêrhistoaryske wêze moat. Lees verder Dr. Obe Postma…. mear as in Frysk dichter

Obe Postma Selskip opgericht

‘Ta skiente brocht wat net as libben wie’

Anne Wadman noemde hem in zijn bloemlezing over de Friese lyriek Frieslands dichters (1949) de Nestor der Friese dichters. En Maarten ’t Hart sprak over het uitzonderlijk hoge niveau van Postma’s poëzie in zijn bijdrage ‘Op een zondag in mei’ (in NRC Handelsblad, 18-5-1979). Deze twee getuigenissen zijn representatief voor de constante aandacht voor en de gestage stroom van publicaties over Obe Postma als dichter. Postma, deze stille en geïsoleerde figuur, die de eerste winnaar was van de in 1947 ingestelde Gysbert Japicxprijs der Provinciale Staten van Friesland. Vanaf dat moment is de aandacht voor zijn poëzie niet meer verflauwd. Fokke Sierksma’s – klassieke – Bern fan de ierde (1953) is in dat verband te noemen, maar ook de studies van Tony Feitsma, Geart van der Meer, Abe de Vries, Jabik Veenbaas, Philippus Breuker en vele anderen, onder wie Tineke Steenmeijer, die de uitgave van zijn poëzie verzorgde en nu een biografie over hem voorbereidt. Daarin zal ook plaats zijn voor Postma’s werk op het vlak van (landbouw-)geschiedenis, natuurwetenschap en letterkundige kritiek. Veel van dat werk verdient heruitgave. Zoals zijn Friesche kleihoeve (1934) heeft het nog niets aan belang ingeboet.

Obe Postma (1868-1963) was, zoals bekend, een zoon van Pieter Obes Postma en Sijbrigje Tjeerds Rinia. Hij groeide op in een Fries boerengezin. Na het behalen van het diploma gymnasium-B ging hij in 1886 wis- en natuurkunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam. In 1895 promoveerde hij te Amsterdam bij J.D. van der Waals sr. op het natuurkundig proefschrift Iets over uitstraling en opslorping. In 1902 publiceerde hij zijn eerste Friese gedichten, waaronder het bekende ‘De boerinne fan Surch,’ in het tijdschrift Forjit my net. In 1918 werd een deel van zijn gedichten gebundeld in Fryske lân en Fryske libben. In 1949 verschenen zijn Samle Fersen (Sneek, 1949. 2 dl.). Tineke Steenmeijer gaf ze in 1978 opnieuw uit met een inleiding van D.A. Tamminga. Nadat het boek al jaren uitverkocht was, bezorgde ze in 2005 een nieuwe editie van de Samle fersen, nu met een inleiding van Philippus Breuker. Deze werkt daarin de Platoonse inslag van de poëtica van Postma uit.

Het onlangs opgerichte Obe Postma Selskip wil als vereniging liefhebbers van het oeuvre van Postma bijeen brengen. Tevens wil het Selskip de bestudering van zijn werk stimuleren en de uitgave van zijn werk bevorderen.

Het Obe Postma Selskip is van plan jaarlijks minstens twee bijeenkomsten te organiseren omtrent aspecten van Postma’s oeuvre. Tevens zal de vereniging een blad uitgeven en een website ontwikkelen en onderhouden. Door middel van lezingen, tentoonstellingen en dergelijke wil het Obe Postma Selskip een kritische receptie van het werk van Postma stimuleren. Het Selskip wil de nationale en (mogelijk ook) de internationale contacten aangaande het oeuvre van Postma bevorderen. Daartoe zoekt het naar steun en medewerking van de overheid en van organisaties die op hetzelfde terrein werkzaam zijn.

Afgezien van de oprichtingsbijeenkomst in Postma’s geboortedorp Koarnwert op zondag 19 november 2006 is het Obe Postma Selskip van plan om in het voorjaar 2007 een Postma-reis te organiseren langs plaatsen in Groningen, die reminiscenties hebben in diens werk.. Voor de herfst van 2007 staat de eerste studiedag op het programma over diverse aspecten van Postma’s oeuvre.

Belangstellenden kunnen zich aanmelden als lid van het Obe Postma Selskip bij de secretaris / penningmeester van het bestuur dr. Jan Gulmans, Wagnerlaan 7, 7522 KH te Enschede. E-mailadres: klik hier.

Namens het bestuur,
Jan Gulmans, secretaris

Klik hier voor een fotoverslag van de oprichting.

Obe Postma Selskip oprjochte

Parseberjocht

‘Ta skiente brocht wat net as libben wie’

Anne Wadman hat him yn syn blomlêzing fan de Fryske lyryk, Frieslands dichters (1949), de Nestor fan de Fryske dichters neamd. En Maarten ’t Hart priizge it seldsum hege nivo fan Postma syn poëzy yn syn artikel ‘Op een zondag in mei’ (yn NRC Handelsblad, 18-5-1979). Beide tsjûgenissen binne represintatyf foar it konstante omtinken en de trochgeande stream fan publikaasjes oer Obe Postma as dichter. Postma, dy stille en op himsels libjende figuer, dy’t as earste de yn 1947 troch Provinsjale Steaten fan Fryslân ynstelde Gysbert Japicxpriis krige. Lees verder Obe Postma Selskip oprjochte