Categorie archief: Filosofie

Obe Postma en Lebensanschauung van Georg Simmel

Een belangrijke, zo niet de belangrijkste gedachte bij Postma is zijn idee dat het denken de werkelijkheid begrijpt als een combinatie van duur en moment, van algemeen begrip en heel concreet verschijnsel. Er is bijna geen gedicht van hem of het is op de spanning tussen die twee gebouwd. Maar het idee is hem als natuurwetenschapper die zoekt naar wetten om de verschijnselen te verklaren, uiteraard ook heel eigen. Zo eigen zelfs, dat hij in 1913 tegen Heinrich Rickert in betoogt dat het historische, dat is het eenmalige, altijd deel van de natuurwetenschap is. Zelfs de laatste natuurwetenschap, zoals hij die – zo zegt hij – opvat, bevat wel degelijk het werkelijke (zie op deze site onder Wittenskipsfilosofy de lezing Natuurwetenschap en Historische wetenschap).

Het behoeft dan ook geen betoog dat Postma veel als eigen herkende in de ideeën van Georg Simmel, zoals deze ze in zijn Lebensanschauung (1918) ontvouwde. In dat werk definieerde Simmel het leven zoals hij dat als objectieve, transcendente werkelijkheid zag, zo (ik haal hem hier aan met Gregor Fitzi, Soziale Erfahrung und Lebensphilosophie: Georg Simmels Beziehung zu Henri Bergson (Konstanz 2002) 278): “Dass das Leben absatzloses Fliessen ist und zugleich ein in seinen Trägern und Inhalten Geschlossenes, um Mittelpunkte Geformtes, Individualisiertes, und deshalb, in der anderen Richtung gesehen, eine immer begrenzte Gestaltung, die ihre Begrenztheit dauernd ünberschreitet, – das ist seine wesenbildende Konstitution.”

Op een moment dat hij zijn filosofische studiën al had afgesloten en al zijn vrije tijd besteedde aan historische archiefstudie, maakte hij nog een uittreksel van delen van juist dat boek. Het zou het laatste zijn, alleen nog gevolgd door aantekeningen uit Het absoluut idealisme van J.A. dèr Mouw rond 1950. Hij las Lebensanschauung in de ongewijzigde herdruk van 1922, wanneer precies is moeilijk te zeggen. Men zou uit het in 1922 weer opvatten van het beeld van de levensstroom dat hij in jaren niet gebruikt had, kunnen denken dat hij het boek nog in het jaar van verschijnen las. 1 In eerste instantie had hij het beeld mogelijk ontleend aan Wilhelm Ostwald bij wie het ook voorkomt en die hij in 1902 las. 2 Het gaat terug op de levenswil van Schopenhauer, de transcendente kracht die wereld en mensen voortbrengt. 3

Het woord levensstroom komt herhaalde malen in zijn aantekeningen uit Simmel voor. Het leven is als combinatie van continue levensstroom en individuele vorm objectief gezien één. Ze vormen met een onbedoelde variant op Simmel voor Postma het Wertplan des Daseinsganzes. 4 Meer dan bij Simmel echter is er bij Postma tussen die twee een spanning. Ook met Simmel in verband lijkt te staan een tweede centrale gedachte bij Postma, het idee namelijk dat niets verloren kan gaan. Ook dat komt voor het eerst pregnant geformuleerd in zijn poëzie van de eerste helft van de jaren twintig voor. Simmel vond op dat punt herkenning bij Postma doordat die uit zijn pas begonnen historische archiefstudie het hem als dichter zo eigen leven van alledag nu ook uit ver vervlogen tijden leerde kennen. Een mooie combinatie van levensstroom en bewaard blijven van wat geweest is, geeft dan het gedicht It libben dat fergong (1925; SF 161).

Er zijn uiteraard ook verschillen met Simmel. Simmel kwam langs filosofische weg (en in confrontatie met Bergson) tot zijn ideeën omtrent het leven, Postma had zijn natuurwetenschappelijke visie verdiept niet allen met filosofische studie, maar vooral ook met zijn historische kennis omtrent het concrete, alledaagse leven. En terwijl Simmel aan genieën dacht toen hij schreef dat niets verloren kon gaan, was voor Postma juist het heel elementaire, eenvoudige bestaan het blijvende.

Hun wegen verschilden en ook de uitkomst was niet identiek, maar Postma en Simmel hebben in hun denken veel gemeenschappelijks. Onder hun kijk op het leven zit vast heel wat van wat de tijd meebracht waarin ze leefden. Het neo-kantianisme met zijn optimistische vooruitgangsgeloof èn voor wat Simmel betreft ook de desillusie van de Eerste Wereldoorlog, die hem deed zoeken naar een zin voor het bestaan, bepaalde hun denken. Lebensanschauung was het laatste werk van Simmel. Pas hierin kwam hij na een jarenlange plaatsbepaling ten opzichte van Bergson tot een eigen opvatting van het leven.

Omdat de kennismaking met Lebensanschauung veel voor Postma moet hebben betekend, geven we hier zijn uittreksel van het boek. Het kan dienen tot een nader onderzoek van zijn betekenis voor zijn poëzie. Meer dan de talloze andere filosofische studies waarvan hij uittreksels maakte, heeft dit boek hem de “schok der herkenning” gegeven. Die andere studies hadden hem gebracht tot wat hij hier vond. In een binnenkort te verschijnen studie, “Obe Postma, dichter van de sublieme ervaring,” heb ik zijn weg er naar toe geschetst. 5

Niet het hele boek las hij. Het heeft vier hoofdstukken: Die Transzendenz des Lebens, Die Wendung zur Idee, Tod und Unsterblichkeit en Das individuelle Gesetz. Postma maakte alleen een uittreksel van het eerste en het derde. En daarvan schreef hij dat hij ze ‘vluchtig gelezen’ had.


Uittreksel Postma van Georg Simmel, Lebensanschauung. Vier metaphysische Kapitel. (München und Leipzig 1922) in OPS tg. 200-03, nr. 51; Tresoar.

I. Transzendenz des Lebens

Wij zijn als schaakspelers; schaken alleen mogelijk doordat wij eenige zetten vooruit kunnen zien, maar toch niet volledig. Zo ook met het leven. Plato: Philosoof = die tusschen den wetende en niet-wetende staat. De grenzen zijn niet definitief. Maar door deze verschuifbaarheid weten we ook dat er grenzen zijn. Waren zij niet verschuifbaar (als [bij] gevangene) of konden wij niet met zekere functie er buiten komen, wij wisten er niets van. Wij kunnen grenzen voor zichtb. golflengte aangeven; maar dan hebben wij ze in zekeren zin overschreden. Begrip, speculatie, constructie en berekening voeren ons buiten onze zinlijk-reeele wereld. Het bewustzijn gaat buiten het concrete onmiddellijke leven en bekijkt het van buiten.

[Bioloog: Door verrekijker en microscoop is doorbroken de harmonie van ons organisme en omgeving. Een wezen dat oogen als telescoop had, zou heel ander organisme en uiterlijk hebben dan wij, b.v. veel langer levensduur en andere tijdsopvatting. Wij hebben harmonie verbroken evenals iemand die op hooge stelten loopt] Wij hebben een wereld die niet meer de onze is. Wij zien van buiten onze grenzen nu klein.Er is geen waarborg dat het gegevene ook werkelijk geheel door de apriorische kategorien in de vormen van ons erkennen gaat. Niet alles van de wereld kan in vormen van de kunst; niet alles in religie; zo min alle gegevens in vormen of kategorien van erkennen.

Dat wij deze mogelijkheid kunnen denken, is weer een gaan van geestelijk leven buiten zich zelf. Dat wij de eenzijdigheid (b.v. der groote filosofen) weten, als principieele noodzakelijkheid, stelt ons boven hen. “Das wir unser Wissen und Nichtwissen selbst wissen und auch dieses umgreifende Wissen wiederum wissen und so fort in dat potentiell Endlose – dies ist die eigentliche Unendlichkeit der Lebensbewegung auf der Stufe des Geistes.” “Mit dieser Bewegung in die Transzendenz seiner selbst erst zeigt sich der Geist als das schlechthin Lebendige.” “Das der Mensch sich selbst überwindet, bedeutet dass er über die Grenzen hinausgreift, die der Augenblick im steckt.”

Tegenwoordige = tezamenstooten van verleden en toekomst. Realiteit haftet aan het tegenwoordige; is dus niets tijdelijks. Oppervlakkig beschouwd neemt [men] voor Gegenwart een stuk verleden met een klein stukje toekomst. Hier niet als bij een mechanisme allerlei verleden mogelijk, maar slechts één. Er zit veel individueels in. Hineinleben in verleden alleen mogelijk in het stadium des geestes. Daarvoor 2 vormen beschikbaar: a.objectivering in begrippen en Gebilden, die het bezit van vele nakomelingen worden; b.geheugen waardoor verleden zich in het nieuwe subjectieve leven overdraagt. “Freilich ersteht damit nicht das Vergangene als solches aus seinem Grabe; aber da wir das Erlebnis nicht als ein gegenwärtiges sondern als ein dem damaligen Moment verhaftetes wissen, so ist unsere Gegenwart eben keine punktuelle wie die einer mechanischen Existenz, sondern sozusagen nach rückwärts ausgedehnt.”

Zoo ook leeft ons willen, voelen, denken in toekomst: “es transzendiert die Gegenwart.” Wij leven steeds in Grenzbezirk. “Das Leben ist wirklich Vergangenheit und Zukunft; diese werden nicht nur, wie zu der unorganischen, bloss punktuellen Wirklichkeit, ihm hinzugedacht.” Ook bij Zeugung und Wachstum van org. leven heeft men dit. Nur für das Leben ist die Zeit real. Dit hinausgreifen van het aktuelle leven “ist das Wesen des Lebens selbst.” Dus Leven = existenzart, “die ihre Realität nicht auf den Gegenwartsmoment beschränkt” [toevoeging Postma (PHB)]: [mech. ook niet door tegenw. coord. bepaald, maar ook f(t) noodig] Het leven is continuiteitsstroom, maar tegelijk in individuen geconcentreerd. Het zelfbewustzijn = buiten zich treden van bewustzijn = subject en object tegelijk zijn = Urphänomen des Lebens.

Evenals bewustzijn buiten zich zelf uit gaat, zoo gaat ook de wil buiten zich zelf uit. Wij kunnen ons dit slechts zoo voorstellen: een mehrheit wilsbestrevingen zijn levend in ons, waartusschen een hoogere definitieve wil besluit. De eerste duiken in ons op zonder verantwoordelijkheid, slechts voor de laatste voelen wij ons verantwoordelijk. Zelfs hebben wij vaak het gevoel dat wij daar ook nog boven uit kunnen stijgen, zoodat het is alsof wij dit weer van buiten bekijken. We voelen het dus weer niet als onze laatste wil.

Tusschen continuiteit en vorm, de laatste “weltgestaltende” principes bestaat diepe “Widerspruch.” De individualiteit als “geprägte form” scheint sich der Kontuität des Lebensstromes, die keine geschlossene Prägung zulässt entziehen zu müssen. Empirisch: groote genie gewoonlijk geen of weinig geslaagde nakomelingschap. Bij sterk geindividualiseerde menschen van hoogere cultuur tegenzin tegen functie: golf van levensstroom te zijn = instinct voor die onverzoenlijke tegenstelling: leven – vorm of continuiteit – individualiteit. Op de grens vormt zich een derde: de overwinning der twee. Het grondwezen van het leven is weer deze functie van transzendieren en die als één leven actualiseert wat door gevoelen, begriplijkheid in dualisme van continue levensstrooming en individueel gesloten vorm gesplitst wordt.

In de richting der concrete Erfüllung dieser Idee vom Leben ligt Schopenhauers Wille zum Leben en Nietzsches Wille zur Macht, waarbij S. meer grenzenvrije continuiteit en N. meer individualiteit in “formumschriebenheit” als het voornaamste in het oog vat. Leven = leven verwekken (zelfs physiolog. selbsterhaltung hoort daar toe); leven = buiten leven gaan. Het strekt zich 1. naar ander leven uit, 2. naar niets uit.

Zeugung en Tod transzendieren het leven naar boven en naar onderen. Het leven is zonder hen echter niet denkbaar. Beide zijn geen toevoegsels aan het leven, sondern solche Aufhebung, Überspülung der Begrenztheit [er staat: Umgrenztheit, PHB] is het leven zelf. “Vielleicht bedeutet die ganze Idee von der Unsterblichkeit des Menschen nur das akkumulierte, in ein einmaliges ungeheures Symbol hineingesteigerte Gefühl für dieses Hinausgehen des Lebens über sich selbst.” Leven produceert zelfstandige levens, maar in de wereld van den geest een zelfstandig zinvolle inhoud. Dit is het wezen van het geestelijke leven zelf. Transcendent: “Heer, uw wil geschiede, niet de mijne”. Men wil dus eigenlijk, wat buiten wil staat.

III. Tod und Unsterblichkeit

Het anorganische krijgt grenzen door uitwendige oorzaken, organische door inwendige. Door het sterven krijgt het levende een vorm. Men moet zich bevrijden van de parcenvoorstelling. Echter al van begin af worden sommige cellen oudsch. Zoo min wij geheel in eens geboren worden, zoo min sterven wij geheel in eens. De begrensdheid van het levensgeheel door den dood van vormgevende betekenis. Meeste natuurvolken hebben voorstelling dat men om te sterven gedood moet zijn. Bij Shakespeare sterven de hoofdfiguren noodzakelijk, maar de bijfiguren toevallig: zij worden omgebracht onverschillig voor wann of ob. Kant heeft ons misschien overtuigd, dat er apriorische elementen van erkennen zijn. Maar niet zeker welke precies.Wat zeker schijnt, wordt weer onzeker. Misschien later weer onze algemeene wetten weer uiteen gevallen in individueele gevallen en als bijgeloof beschouwd.

Christendom: dood kan slechts vernietigen wat niet eigenlijk leven is. Maar daar past niet belangrijkheid van stervensmoment en bekeering. Beter past: dat door heele leven toekomst bepaald wordt. Er voor is echter dat men ook in ouderdom nog tot iets goeds in staat is. [Leeft God? Is leven hoogste? Beter Spinoza: God oneindige attributen, waarvan alleen denken en aanschouwing vatbaar.] [haken hier gebruikt omdat passage uit noot komt; PHB]

Dus dood vormend element van leven. Hegelsche formuleering nergens dieper dan bij dood: Het leven vordert het andere: de dood. Dus these en antithese. Hierboven hooger: “Werte und Spannungen unseres Daseins, die über Leben und Tod hinaus sind.” Leefden wij eeuwig dan zou het leven met zijn waarden en inhouden ongedifferentieerd versmolten blijven. Door sterven ervaren wij leven als iets toevalligs, zoo opmerkzaam gemaakt op waarden van dood en leven onafhankelijk. Maar zoo echt leven tot volle beteekenis. Tot vorming van continu ik moet ook gediend hebben de Unzulänglichkeit tusschen triebe [en] vermogens en reale vervulling. Een bevredigende verhouding tusschen wil en werkelijkheid zou ik minder doen opkomen. Zo menschen, die veel teleurstellingen ondervonden meestal ausgeprägter en onveranderlijker ik dan zij, die alles glad is afgegaan. Men ziet het ook aan gelaatsuitdrukking. Hoe meer wij beleefd hebben, hoe meer het ik zich markeert als het continue.

Onsterfelijkheid – Sehnsucht om het ik ganschelijk los te maken van toevallige aparte inhouden. Het object valt dan weg. Dit behoeft geen leven van de ziel te zijn, kan andere vorm zijn. De ziel kan niet zonder lichaam leven, maar misschien wel bestaan. Naif: onsterfelijkheid = eeuwig leven. Uit niet vervuld zijn van levensproces door zijn inhouden.

Ook nog: algemeen gevoel van oneindigheid der ziel, die zich niet met sterfelijkheid verdraagt. In iedere mensch sluimeren mogelijkheden anders te zijn dan hij geworden is. Op een andere plaats geboren zou hij heel anders geworden zijn. Dus onafzienbare spankracht en energie. Dus toevalligheid in het resultaat; dus gevoel van vaderlandsloosheid en zoo mystisch gevoel van ik dat al die toevalligheden overleeft.

De individualiseering, die vooruitgang beteekent, is ook drager der vergankelijkheid (eencel – veelcellig). Het onindividueele wezen leeft een leven, dat niet geheel zijn eigen is. Met de laatste gaat minder verloren dan met de individueele. Zij zijn meer onsterfelijk dan de individueele. De dood is de prijs, waarvoor wij de individualiteit krijgen. Stof en vorm zijn beide onvernietigbaar, maar vormen vernietigbare enkeldingen. Maar sommige combinaties lichter te herstellen dan andere (standbeeld, bloemruiker). Individueel = moeilijk weer te krijgen (def.). Zoo dus ongehoorde spanning tusschen leven en dood. Dus hartstochtelijk verweer. Onsterfelijke leistungen = niet van geslacht tot geslacht. Maar de wereld is nu als geheel zooveel rijker geworden; mogen haar existenz formen morgen breken, dit werkelijke is niet meer ongedaan te maken. “bleibt ein überzeitlich unwiderrufliches Wertplus des Daseinsganzen” 6 Het rijk der ideeën is rijker geworden (al of niet door bewustzijn gedacht); zooals een kunstlerische vorm door alle tijden gereproduceerd kan worden als een eeuwig model, als materie-origineel weg is. Hiermee antinomie weg tusschen eenmaal ontstaan en eeuwig voortduren.

Maar men kan ook zeggen: ideeen hebben eeuwig bestaan; het is weererkennen. Het is alsof wij het al wisten. Zoo ook met leven, getracht naar beneden te verlengen. Zielewandeling. Zoo gemodificeerd: Kontinuiteit der elkaar aflossende individuen samengehouden door Wesensgesetz. Zooals door een menschelijk leven een ziel wandelt, die eigenlijk telkens een andere is, zoo kan ook de ziel door vele lichamen en levens wandelen in het groot. In het eerste geval stroomt een levensstroom; in het tweede ook.

[vluchtig gelezen]


Noten

1 (Levens)stroom in De apelbeam (als eeuwige stroom; SF 26, 1903); Ik dreamde my (als machtige stroom; SF 138, 1920); De lêste dei (als levens warme bloedstroom; SF 140, 1921); Romantyk (als stroom; SF 144, 1922); Sneintemiddei (levensstroom; SF 145, 1922); Printeboek foar rein’ge dei (levensstroom; SF 339, 1922); It libben dat fergong (verre stroom; SF 161, 1925) en meer daarna.

2 Postma las in 1902, dat is nog in het jaar van verschijnen, van Wilhelm Ostwald, Vorlesungen über Naturphilosophie. In zijn uittreksel van het boek (in de schriften Filosofie 5 en 6) noteerde hij: “leven = energiestroom in een beeld”. Hij gebruikte het beeld voor het eerst in het gedicht De apelbeam van 1903.

3 Wilhelm Wundt, Einleitung in die Philosophie; uittreksel in schrift Filosofie 6, ca. 1902.

4 Van het Wertplus bij Simmel maakte hij Wertplan: zie hierna.

5 Zie ook Breuker, Oer wittenskip en poëzy by Obe Postma op grûn fan syn oantekenskriften, De Vrije Fries 62 (1983) 69-83.

6 Simmel is bijna het laatste boek waarvan Postma in zijn schriften Filosofie een uittreksel heeft gemaakt. Er volgen alleen nog een uittreksel uit J.A. dèr Mouw, Verzamelde werken IV, Het absoluut idealisme [1948] en uit een artikel van Sjoerd Leiker in Het Vrije Volk van zaterdag 14 febr. 1953, “de Friezen hawwe net genôch eigens mear”. Maar dan volgt nog als toevoeging : “Het verleden blijft een boventijdelijk altijd onherroepelijk iets in het Wertplan des Daseinganses. Het geheel is de gehele geschiedenis van het bestaande. Er komt dus steeds iets bij, maar het latere is niet belangrijker dan het eerdere. Belangrijk is wat het meeste gevolgen heeft.” Het Wertplus van Simmel is dus Wertplan geworden. Postma kon zijn eigen schrift niet lezen, maar dat is niet erg, want met dat Wertplan drukt hij precies het bestaan uit zoals hij dat begreep en voelde. Voor hem was het voorbije leven dat bewaard zou blijven alle leven, voor Simmel alleen de prestaties van genieën.

Postma en het wezen der dingen in 1899

Kort na 20 april 1899 maakte Obe Postma de volgende aantekening:

52 – 1 = (5+1) (5-1)


*   *   *   *   *
*   *   *   *   *
*   *   *   *   *
*   *   *   *   *
*   *   *   *   *

 

Hieruit blijkt bovenstaande eigenschap algemeen. Ik kan mij niet voorstellen ooit dieper in het wezen der dingen te zullen dringen, hoewel ik haar toch nog niet geheel meen te omvatten. Men moet nu eenmaal langs kronkelwegen de waarheid naderen. Hier ben ik er in elk geval toch al zeer flink op afgegaan en dichter bij de laatste oorzaak dan 52 – 1 = 52 – 12 = (5-1) (5+1) . Maar de laatste oorzaak zal men nooit bereiken.2 maal 3 = 6


*   *   *
*   *   *   =    *   *   *   *   *   *

overziet men echter nog beter; men wijkt hoe langer hoe meer van het wezen af.

 

Het is duidelijk dat Postma hier in een Pythagoreïsche traditie staat. De Pythagoreeërs ontwikkelden de “leer van even en oneven”. Getallen werden gelegd met behulp van steentjes. Door de steentjes goed neer te leggen kan men door naar een bijzonder geval te kijken algemene getaltheoretische waarheden inzien.

Men legt dus, bijvoorbeeld, de steentjes voor het geval “52 – 1 = (5+1) (5-1)” neer zoals Postma dat heeft gedaan.
Kijkt men goed naar het patroon dat men krijgt dan realiseert men zich dat inderdaad niet alleen “52 – 1 = (5+1) (5-1)” waar is maar dat
“n2 – 1 = (n+1) (n-1)” waar is voor alle getallen n=2,3,4,5,6 etc.

De algemene waarheid die men zo inziet kan men natuurlijk zien als de oorzaak van alle bijzondere gevallen en ook als het wezen ervan.

Zo tegen de dingen aankijkend is de laatste oorzaak der dingen op te vatten als de oorzaak van alles, als het wezen van alles. Als je in een flits een oneindige rij wiskundige waarheden kan begrijpen dan begin je te denken dat het misschien wel mogelijk is om in een flits ALLE wiskundige waarheden te begrijpen en nog een stap verder zou zijn om in een flits ALLE WAARHEDEN UEBERHAUPT te begrijpen.

Het tweede patroon toont de waarheid van 2 keer 3 = 3 keer 2 = 6. Daar zien we in een flits de commutatieve wet “n keer m = m keer n”. Als Postma dan zegt “men wijkt hoe langer hoe meer van het wezen af” , dan zou hij kunnen bedoelen dat de figuren heel verschillend zijn en het inzicht niet gaat in de richting van EEN alles begrijpelijk makend inzicht. Hoewel we opstijgen qua abstractie bereiken we niet de eenheid, maar blijven we in de veelheid hangen.

In mijn eerste reactie zei ik dat “52 – 1 = (5+1) (5-1)” geen bellen deed rinkelen. Dat doet het nog steeds niet. Dat betekent dat het een vrij willekeurig voorbeeld is. Postma had net zo goed een ander voorbeeld kunnen nemen. Dit vind ik een mooi voorbeeld:

1+3=4=22
1+3+5=9=32
1+3+5+7=16=42
1+3+5+7+9=25=52
etc.

Dat er altijd een kwadraat uitkomt kan men inzien door een goed patroon te leggen. Zo dus:


| *  * | *  *  * | *  *  *  * | *  *  *  *  * |
| *  * | *  *  * | *  *  *  * | *  *  *  *  * |
| *  * | *  *  * | *  *  *  * | *  *  *  *  * |
| *  * | *  *  * | *  *  *  * | *  *  *  *  * |
| *  * | *  *  * | *  *  *  * | *  *  *  *  * |

Het gnomon dat je er omheen legt is steeds het volgende oneven getal.


 

Noot

 

1 De auteur, gevraagd naar commentaar op een aantekening die Obe Postma maakte in zijn schrift Filosofie 2 (OPS, tg. 200-03, nr. 32, Tresoar), was zo vriendelijk het navolgende te sturen en toe te stemmen in publicatie. Hij is universitair hoofddocent in de geschiedenis van de wiskunde aan de VU en mede-redacteur van het boek Mathematics and the Divine (Elsevier Science Publishers 2005)

Editie van Postma’s uittreksel van Eduard Zeller, Die Philosophie der Griechen

Toen Douwe Tamminga Postma in 1953 vroeg of Gerard Heymans invloed op hem als dichter had gehad, antwoordde hij (in het Fries): Kent U Zeller? Daarmee bedoelde hij Die Philosophie der Griechen in ihrer geschichtlichen Entwicklung van Eduard Zeller (derde, c.q. vierde druk, 1875-1881).Eduard Zeller

Dat was een verrassend antwoord, niet alleen omdat hij wel kon raden dat Tamminga het niet kende, maar ook omdat hij er impliciet Fokke Sierksma ongelijk mee gaf, die juist in dat jaar in zijn essay over Postma’s poëzie, Bern fan de ierde, nadrukkelijk op invloed van het psychisch monisme van Heymans had gewezen. De interviewer ging niet op het antwoord in. Zo bleef het de lezer onbekend dat het hier ging om een van de grote werken uit de negentiende eeuw, dat na zoveel jaar nog nauwelijks aan belang had ingeboet. De Wissenschaftliche Buchgesellschaft heeft het een paar jaar geleden zelfs in een facsimile-editie opnieuw uitgegeven. Het is een boek van duizenden bladzijden in drie delen en vijf banden.

Postma heeft zich althans in geschrifte verder nooit meer over Zeller uitgelaten en trouwens evenmin over de talrijke andere filosofen en psychologen die hij rond 1900 had gelezen. Het is alleen doordat zijn uittreksels bewaard zijn gebleven dat we ervan weten. Hij legde zijn aantekeningen vast in de reeksen schriften Filosofie, Psychologie en Geschiedenis der filosofie. Op grond van een enkele datering en van de etiketten met namen van kantoorboekhandels op de kaften van deze en andere series schriften vallen ze ten naasten bij te dateren. De reeks Filosofie moet zijn aangelegd in 1898. De eerste uittreksels erin sluiten aan op zijn als boekje gepubliceerde studie over Het meten, een kennistheoretische studie van 1903. Al wat eerder moet hij vanuit een bredere interesse zijn begonnen met het lezen van filosofisch werk. Hij leest dan Kant en Wundt, mogelijk zo rond 1900. Omstreeks diezelfde tijd begon hij met een reeks Psychologie, die opent met een uittreksel van Preyer, Die Seele des Kindes. Het is de tijd waarin hij begint met dichten. Zijn eerste gedichten zijn van 1900. In 1902 of 1903 legde hij een nieuwe serie schriften aan, Geschiedenis der filosofie. Die begint met een uittreksel van Zeller, waarop er een volgt van Windelbands Geschichte der Philosophie. In 1903 was hij lange tijd ziek. Mogelijk heeft hij Zeller dus gedaan toen hij niet naar school kon.

Postma interesseerde zich voor wat hij het ‘wezen der dingen’ noemde. Hij was er wis- en natuurkunde om gaan studeren, maar dat had hem niet gebracht wat hij ervan verwachtte. Zo vond het contact met zijn goede vriend dr. Tjitze de Boer een vruchtbare bodem voor filosofische verdieping. Ze hadden wekelijks omgang met elkaar in de tijd dat ook De Boer in Groningen woonde. Dat was van 1897 tot 1904. De Boer had bij Windelband en Nöldeke in Straatsburg gestudeerd. Bij de arabist Nöldeke was hij in 1893 ook gepromoveerd. In 1906 zou hij hoogleraar filosofie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam worden.

Over dat ‘wezen der dingen’ gaat bij uitstek de Griekse filosofie. Centraal staat erin de vraag naar de verhouding tussen geest en objecten. Als wis- en natuurkundige moest Postma zich er wel bijzonder toe aangetrokken voelen. In zijn onderzoek op het gebied van die wis- en natuurkunde zocht hij immers steeds naar het wetmatige in de verschijnselen.

Het uittreksel van Zeller betreft vrij volledig het hele werk met uitzondering van het laatste deel, dat over het Eclecticisme van de tweede eeuw voor Christus en later gaat en het daar in de tijd nog op volgend Neoplatonisme van Plotinus en anderen. Die stromingen heeft hij helemaal weggelaten. Globaal gesproken lijkt Postma’s aandacht behalve naar de opvattingen over de verhouding van geest en object en van éénheid en veelheid vooral uit te gaan naar de voorstelling van het goddelijke en van het heelal. Het zijn de dingen die hem ook in zijn poëzie bezig houden.

Bij de uitgave

Het hier volgende afschrift van Postma’s uittreksel uit Zeller staat in zijn aantekenschrift Geschiedenis der filosofie I. Het bevindt zich in de Obe Postma Samling op Tresoar te Leeuwarden. Waar nodig of wenselijk leek, zijn verduidelijkende toevoegingen uit Zeller gemaakt. Ze zijn te herkennen aan de teksthaken die ervoor gebruikt zijn. Griekse letters zijn in latijns alfabet getranscribeerd. Om te laten zien in hoeverre Postma Zeller volgde en hoe uitgebreid of hij dat deed, laat ik de inhoudsopgave van de editie volgen die hij gebruikt heeft. Eigen opmerkingen bij het uittreksel ontbreken. Het is alles Zeller.

Inhaltsverzeichniss
Eduard Zeller, Die Philosophie der Griechen in ihrer geschichtlichen Entwicklung

[deel I; 4e opl., Leipzig 1876]
Einleitung
Erster Abschnitt.
Ueber die aufgabe, den Umfang und die Methode der vorliegenden Darstellung 1-19
Zweiter Abschitt.
Vom Ursprung der griechischen Philosophie 20-105
Dritter Abschnitt.
Ueber den Charakter der griechischen Philosophie 105-131
Vierter Abschnitt.
Die Hauptentwicklungperioden der griechischen Philosophie 131-146

Erste Periode
Die vorsokratische Philosophie
Einleitung. Ueber den Charakter und Entwicklungsgang der Philosophie in der ersten Periode 147-167
Erster Abschitt.
Die älteren Jonier, die Pythagoreer und die Eleaten 168-566
Zweiter Abschnitt.
Heraklit, Empedokles, die Atomistik, Anaxagoras 566-932
Dritter Abschnitt.
Die Sophisten 932-1041

[deel II, 1e band, 3e opl., Leipzig 1875]
Zweite Periode.
Einleitung 1-41
Erster Abschnitt.
Sokrates und die unvolkommenen Sokratiker. 42-336
Zweiter Abschnitt.
Plato und die ältere Akademie. 337-900

[deel II, 2e band; 3e opl., Leipzig 1879]
Zweite Periode.
Dritter Abschnitt.
Aristoteles und die älteren Peripatetiker 1-948

[deel III, 1e band; 3e opl., Leipzig 1880]
Dritte Periode.
Einleitung. 1-25
Erster Abschnitt.
Die griechische Philosophie im dritten und zweiten Jahrhundert v. Chr. Stoicismus, Epikureismus, Skepsis. 26-527
Zweiter Abschnitt.
Eklekticismus, erneuerte Skepsis, Vorläufer des Neuplatonismus. 528-[832]

[deel III, 2e band; 3e opl., Leipzig 1881]
id. 1-418
Dritter Abschnitt.
Der Neoplatonismus. 419-[866]
[Register. 1-92]


Zeller, Die philosophie der Griechen in ihrer geschichtlichen entwicklung dargestellt von dr. Eduard Zeller. 4e auflage, Leipzig 1876

1e periode. Geest is onmiddellijk in ’t object
2e periode. Geest er tegenover
3e periode. Geest trekt zich in zich zelf terug. [I 1-146]

  • [Cf. Zeller I 146: Der Geist, können wir sagen, ist sich auf der ersten Stufe des griechischen Denkens unmittelbar in dem natürlichen Objekt gegenwärtig, auf der zweiten unterschiedet er sich von ihm, um im Gedanken des übersinnlichen Objekts eine höhere Wahrheit zu gewinnen, und auf der dritten behauptet er sich im Gegensatz gegen das Objekt, in seiner Subjektivität, als das höchste und unbedingt berechtigte. Weil aber damit der Standpunkt der griechischen Welt verlassen ist, ohne dass doch auf griechischen Boden eine tiefere Vermittlung jenes Gegensatzes möglich wäre, so verliert das Denken durch diese Losreissung vom Gegebenen seinen Inhalt, es geräth in den Widerspruch, die Subjektivität als das letzte und höchste festzuhalten, und ihr doch zugleich das Absolute in unerreichbarer Transcendenz gegenüberzustellen; an diesem Widerspruch erliegt die griechische Philosophie. [I 146] ]

 

[EERSTE PERIODE]

 

I. Jonische School

1. Thales van Mylete (geb. 629?), een der 7 wijzen; tijdgenoot van Kroesus en Solon. Allerlei opgaven van mathem. en astron. kennis van latere schrijvers. Water is de stof, waaruit alles ontstaat.(Arist. merkt op, dat waarschijnl. reden was: voedsel en zaad van alle dieren vochtig) (Arist.: aarde drijft op water; beweging geeft de aardbevingen) [I 168-183]

2. Anaximander (geb. 611?); oerstof is het oneindige of onbegrensde = de oneindige materie (niet de oneindigheid). Anders kunnen niet voortdurend nieuwe wezens ontstaan. Het is niet een mengsel van homogene stof. Het oneindige is eeuwig en onvergankelijk; het is levend, doet zelf de stoffen uit zich ontstaan (koud en warm; vloeistof; hieruit aarde, lucht en vuur, dat alles omgaf). Vuur in radvormig[e] omhulsels van samengeperste lucht, uit welks openingen het stroomt bij het ronddraaien (planeten en maan hebben ook eigen licht; maanphasen, verduisteringen: openingen verstopt). Aarde vormt zich uit vloeistof door verdroging door het vuur. Zij is: cylindervormig (h[oogte] = 1/3b[reedte]; wij op bovenvlak). Alle dieren eerst visch geweest. De wereld ontstaat en vergaat en een nieuwe volgt haar op in oneindig aantal. [I 183-219]

3. Anaxamines (geb. 526?). Principe van alle dingen is de lucht. Deze is onbegrensd. Vergelijking met levende wezens oorzaak? In en uitademen grond van het leven; dit eindigt: dood. Oerstof ook voor schepper zelf. Alles ontstaat uit lucht door verdunning (vuur) en verdichting (wind, wolk, water, aarde, steenen). Aarde is plat, wordt door lucht gedragen (evenzoo zon en sterren). Hemellichamen ontstaan uit vuur uit verdunde dampen van aarde opgestegen. Hieruit weer vaste aardkern.

Anaxamines –> bepaalde oerstof Thales; –> oneindig en levend Anaximander [I 219-232]

(Hippo –> het vochtige = oerstof) [I 232-235]

4. Diogenes van Apollonia (na Anaxagoron). Oerstof moet gemeenschappelijke stof en denkend wezen zijn. Dit kan de lucht zijn, die de menschen doet denken. a. Moet eeuwig en onvergankelijk zijn; b. Moet als oorzaak van alles verstandig, denkend wezen zijn: kan alles doordringen als de fijnste van alle stoffen.

Door verdichting en verdunning ontstaan allerlei soorten van lucht. Het zware gaat naar beneden: aarde, het lichte naar boven: zon en sterren. Na eerste scheiding gaat alle beweging van het warme lichte uit. Door de warmte raakt alles in cirkelbeweging, waardoor aarde ronde vorm (cylinder). Vroeger hemelas loodrecht op aarde; door onbekende oorzaak een helling ontstaan. Eerst bewogen de sterren zich dus horizontaal, maar de aarde is naar het zuiden later geheld. Nog veel later aangenomen.

De lucht doordringt de aarde ingangen; raken deze verstopt, dan ontstaan aardbevingen. Alle menschelijke aandoeningen verklaard uit de lucht in het bloed. Metalen trekken vochtige dampen aan en zweten ze uit (aantrekking magneten verklaard).

Tegenstrijdigheid: lucht is ’t fijnste dat alles doordringt en het vuur ontstaat weer door verdunning er van. [I 236-253]

 

II. Pythagoreeërs

1. Pythagoras (582?). Van reizen niets met zekerheid te zeggen. Pythagoreeërs door sagen omringd. Was godsdienstige vereeniging van ethisch karakter (muziek en gymnastiek als hulpmiddelen). Philolaus oudste bekende Pythagoreeër (470-399?) [I 270-313]

2. Pythagoreische filosofie.

Alles is getal. Dit is niet alleen de vorm, maar ook de stof, waaruit de dingen bestaan. Vorm en stof zijn nog niet gescheiden. Volgens Arist. en Phil[olaus] heeft hiertoe geleid de overweging, dat alles naar getallen geordend is (b.v. de verhouding der hemellichamen en de tonen, in verband met geheime kracht en beteekenis van sommige getallen) (7 = aantal planeten, 3tallen der mythologie enz.) (Diepe indruk eerste waarneming van mathem. wet in de verschijnselen). Zoo getal = wereldbeheerschende goddelijke macht en door een denken dat niet met abstracte begrippen maar aanschouwingen zich bezig houdt tot het wezen aller dingen gemaakt.

Oneven getallen = uit onevene factor; even getallen = uit evene factor; oneven – even = oneven – even factor –> even – oneven bestanddeelen der dingen; even = onbegrensde –> onvolkomen; volkomen <– oneven = begrensd (zet een grens aan het deelen door 2).

Zoo tegenstellingen: begrensd – onbegrensd; oneven – even; een – veelheid; rechts – links; man – vrouw; rustend – bewegelijk; recht – krom; licht – duister; goed – kwaad; kwadraat – rechthoek. Hiertoe moeten alle verschijnselen teruggevoerd worden. De band der elementen is de harmonie. Het begrip harmonie oorspronkelijk ontleend aan de toonverhoudingen (harmonie = octaaf). Aan de muziek de verbinding van het tegengestelde ontleend en nu elke zodanige verbinding harmonie genoemd.

Pythagoreeërs verwisselden symbool en begrip: 2 is de meening, 4 is de gerechtigheid enz. De getallen worden soms lichamelijk behandeld, maar niet altijd lichamelijk gedacht. Zij zochten aan de dingen een verwantschap met getallen en getalverhoudingen (soms hypothese daarvoor als tegenaarde). Gerechtigheid vergelijkt het gelijke met het gelijke dus = kwadraatgetal (4 of 9) eenheid = vernunft (onveranderlijk); 2 = meening (veranderlijk en onbepaald); 5 = echt (verbinding van eerste mannelijke en eerste vrouwelijke getal).

a. 10tal is groot, gunstig en alles volbrengend (bevat alle getallen). In 1 is ’t evene en onevene vereenigd; 2 – 3 eerste evene en onevene; 3 volkomen: bevat begin, midden en einde –> enz.

b. maat der tonen is octaaf (lengteverhouding der snaren: 1:2) verdeeld in quarten (3:4) en quinten (2:3).

c. meetkundige figuur 1 = punt, 2 = lijn (2p), 3 = vlak (3l), 4 = lichaam (4vl)

d. aard der lichamen kleinste deeltjes aarde = kubus; kleinste deeltjes vuur = tetraeder; kleinste deeltjes lucht = octoeder; kleinste deeltjes water = 20vlak; alle [overige] omv. element = 12vlak

e. wereldvorming. Eerst vuurkern in het niader (de haard en het altaar van ’t heelal). Heelal als een kogel. 10 hemellichamen bewegen zich van west naar oost om ’t centrale vuur: sterrehemel, 5 planeten, zon, maan, aarde en tegenaarde (om 10tal vol te maken). Hemellichamen bevestigd aan doorzichtige cirkels of sferen, door welker asdraaiing ze zich bewegen. Bij Pythagoreeërs uit de 4e eeuw vindt men de draaiing der aarde om een as (Hicetas en Ekphantes): tegenaarde en vuur vervallen of worden westelijke halve aarde en inwendig vuur. Aarde is een bol; zonnebaan heet tegenover aardebaan (was ook nodig omdat aarde anders ’t licht van ’t centrale vuur voor de zon zou wegnemen) C.V.● A.● Z.● Zon en maan zijn glasachtige kogels, die licht en warmte op de aarde werpen (zon van centraalvuur, maan van zon, bij maansverd. komt de aarde er tusschen, of ander lichaam, want de maan kan ook tegelijk met de zon verduisterd te zien zijn door de straalbreking). Volgorde: maan, zon, mercurius, venus, mars (deze naderhand verplaatst), Jup., Sat.

De sterrenhemel beweegt zich om het vuur, maar dat moet langzaam zijn, want wij merken er niets van door de dag. [omwenteling] van de aarde (schijnt in ’t “groote of wereldjaar” te geschieden). De uitkomsten komen overeen met draaiing aarde om as. Ieder snel bewegend lichaam geeft een toon, zoo ook hemellichamen; samen een harmonie (7 planeten –> 7 snaren van de lier) (niet hooren, 1. door nooit ontbreken; 2. groote afstand; 3. gewoone stervelingen).

Nog eens vuur om alles heen (melkweg hiermee in verband?). Olymp –> buiten vaste sterren (reine stof); Kosmos –> boven maan (geordende bew[eging]); Uranus –> onder maan (worden en vergaan)

f. religieuze en ethische leer. Zielsverhuizing. Na den dood lichaamloos leven, of voor straf aan lichaam gebonden (geen wetenschappelijke samenhang met principe). Men mag zich niet aan ’t lichaam onttrekken, omdat ziel gereinigd moet worden. Geen wetenschappelijke ethiek. Vroomheid, eerbied voor ouders en bejaarden, rein leven enz. noodig. [I 313-452]

 

3. Pythagoreismus met andere elementen vermengd

Alkmäon: hemel en sterren zijn goddelijk: keeren in zichzelf terug; menschengeslacht is vergankelijk: aanvang – einde kunnen niet verbonden worden. Goden gelijkmatig bestaan, menschen evenwicht van tegengestelde krachten.

Ekphantus: de oerbestanddeelen van de getallen zijn materieele atomen. [I 452-463]

 

III. De Eleaten

1. Xenophanes. er is één God; want god is ’t hoogste, kan maar één zijn, is ongeworden en onveranderlijk. Wij geven hem ons lichaam en evenzoo onze andere onvolkomenheden; hij gelijkt ons evenmin naar geest als naar lichaam. Waarschijnlijk bedoelde hij tegelijk de eenheid der wereld. Grieksche goden waren gepersonifieerde natuurkrachten; men kan ze tot één algemeene natuurkracht vereenigen. God en wereld = wezen en verschijning; god één, dan ook wereld één en omgekeerd. Physica zeer primitief. [I 486-507]

2. Parmenides ( ± 520 v.Chr. geb.). Das seiende ist; kan niet aanvangen of ophouden. Het niet zijnde is niet en kan niets voortbrengen. Het seiende is ondeelbaar, want nergens is iets van hem verschillend; is onbeweeglijk en begrensd. Het denken is er niet verschillend van. Het zijnde is alles, dat best met een bol vergeleken kan worden. Geen godheid; want dit is een oerwezen van de wereld te onderscheiden.

Hij stelt zich echter alles ruimtelijk voor (begrensd, gelijksoortig, ondeelbaar) dus denkt nog niet aan een onruimtelijk zijn. “Dus het werkelijke ontstaat na abstractie van gedeeldheid en veranderlijkheid der zinnelijke verschijnselen.” Het juiste inzicht doet ons alleen het zijnde erkennen; de gemeene meening volgt hierbij het nietzijnde; zoo de dingen uit 2 bestanddeelen samengesteld (licht en nacht) (warm en koud).

Wereldsysteem sluit zich aan bij het Pythagoreische. Kogels of cirkels: binnenste en buitenste uit donkere element; hierbinnen en daarbuiten uit louter vuur (buiten ether [?] en lucht); daartusschen gemengde. [I 508-534]

3. Zeno. Leerling van Parmenides en verdediger van diens leer. Zeno bewijst het indirect: door tegengestelde aanname zou men in moeilijkheid en tegenspraak komen. Door Ar. genoemd uitvinder der dialectiek. Plato zegt, dat hij iemand hetzelfde als gelijk en ongelijk, één en veel, rustend en bewegend kon laten toeschijnen.

A. Bewijzen tegen veelheid (grootte, aantal, zijn in ruimte, samenwerken); B. Bewijzen tegen beweging.

A. 1. Als ’t zijnde veel was, moest ’t tegelijk oneindig klein en oneindig groot zijn.

a. iedere veelheid is een aantal (dus ondeelbare) eenheden. Wat ondeelbaar is heeft geen grootte, want wat grootte heeft is deelbaar. ’t Doet er dus niets toe of men die eenh. ergens bijvoegt of niet. Maar wat iets anders niet vergroot als ’t er bij komt, is niets. Dus ieder bestanddeel is niets; ’t vele is dus oneindig klein.

b. De velen moeten, om te zijn, grootte hebben. Dus de deelen moeten van elkaar verwijderd zijn. Dus er moeten andere deelen tusschen liggen. Hiervan geldt hetzelfde. Er zijn dus oneindig vele grootheden of een oneindige grootheid.

2. Het aantal zou zoowel begrensd als onbegrensd moeten zijn.

a. begrensd, want er is zooveel als er is, niet meer en minder

b. onbegrensd, want om 2 te zijn, moeten ze gescheiden zijn, dus er moet iets tusschen zijn, maar dan is dit gescheiden van de beide eerste, dus daar is weer iets tusschen enz.

3. Als alles wat is, in de ruimte is, moet deze zelf ook weer in de ruimte zijn enz. tot in ’t oneindige. Dit is ondenkbaar; dus ’t zijnde is niet in de ruimte.

4. Een schepel koren geeft bij ’t uitschudden geraas. Dit moet ieder deeltje ook doen. En dit is onmerkbaar. Hoe kunnen vele samen een werking hebben, die ieder afz. niet heeft?

B. 1. Eer ’t bewegende aan ’t doel is, moet het aan het midden zijn. Voor ’t hier is, weer aan ’t midden enz. Dus moet oneindig vele ruimten doorloopen. Dit kan niet in eindige tijd. Het is dus onmogelijk van een punt naar een ander te komen, dus beweging is onmogelijk.

2. Anders. Achilles en schildpad.

3. Zoolang iets in dezelfde ruimte is, rust het. Een pijl is ieder oogenblik in dezelfde ruimte, dus gedurende geheele bew. Dus rust het (hier tijd in oneindig veel delen verdeeld, als boven de ruimte; worden eenheid en veelheid als streng gescheiden begrippen beschouwd (zonder continuiteit) dan is werkelijk een overgang, beweging onmogelijk (continue door discrete vervangen).

4. A, B, C alle even groote lichamen

A1 A2 A3 A4

B4 B3 B2 B1 –>

<– C1 C2 C3 C4

B en C bewegen zich met gelijke snelheid. B1 gaat 1/2A voorbij. C1 gaat geheele B voorbij, dus 2maal dezelfde ruimte in denzelfden tijd. Dit strijdt tegen regel: weg:tijd als de snelheid dezelfde is.

Zeno belangrijk omdat Plato en Aristoteles en nieuwere Metaphysici weer op die kwesties ingingen. [I 534-552]

3. Melissus. Deze wil directe bewijzen leveren; dus gaat van gewone opvattingen uit.

I. ’t Zijnde is eeuwig en onvergankelijk (kan niet uit zijnde en nietzijnde komen).

II. dus ook oneindig in ruimte (tijd en ruimte overgenomen in afw[ijking] van Parmenides); kan slechts door ’t leege begrensd zijn en dat is er niet.

III. Als hij oneindig is, is er maar één. De dingen zijn niet, wat ze schijnen; anders geen verandering en vergaan; de waarneming van de veelheid verdient dus ook geen vertrouwen.

IV. Beweging onmogelijk; want dit is overgaan in iets anders en het zijnde is alleen. Beweging in de ruimte zet een ledig vooruit. Het leege is het nietzijnde en dat is niet. [I 552-562]

4. Invloed Eleatische School.

Zeno –> sophisten –> socrat.-megarische phil.

Parm., Zeno –> Plato, Aristoteles

Emp., Atom., Anaxagoras: het onveranderlijke der elementen en atomen, door welker verbinding ruimtelijke verandering ontstaat van Eleaten.

In hoofdzaak natuurfilosofisch systeem; niet begriplijk (ontologisch). Arist.: hun zijnde = substantie der zinnelijke dingen en ruimtelijk. Socrates grondvester van begripsfilosofie. [I 562-566]

 

IV.Heraclitus (bloeitijd ± 500 v. Chr.)

a. algemeen

Eleat. school: onmogelijkheid van veelheid en beweging

Heraclit.: het eene zijnde is een beweegd iets, “in unablässiger Veranderung und Besonderung begriffenes”. De menschen weten niets. Zij geven aan de dingen een blijvendheid, die ze niet bezitten. Er is niets blijvends, alles volgt elkaar op als de golven van een stroom. Niets blijft wat het is, alles gaat in alles over (dag en nacht, hitte en koude, zon naderbij en verder weg). Dag en nacht is één wezen, nu licht dan donker, heilzaam en verderfelijk, boven en beneden, aanvang en einde, sterfelijk en onsterfelijk is hetzelfde. Uit het doode wordt het levende en omgekeerd; de stroom van ontstaan en ondergaanstaat nooit stil. Alle leven berust op deze beweging; ieder ding wordt voortdurend nieuw geschapen.

Parmenides loochent het worden, Heraclit. het zijn. Heraclit. maakt er een phys. aanschouwing van. De wereld is een eeuwig vuur (nooit rustend, niet onveranderlijke stof). Dit is het wezen, dat in alles doordringt en de polsslag van de natuur overal doet kloppen (niet een element).

Alles wordt omgezet tegen vuur en vuur tegen alles (als goud en waren) dus het is geen verbinding en scheiding; maar qualitatieve omzetting. Alles vereenigt tegengestelde bepalingen in zich, die in elkaar overgaan. Als men iets van een ding zegt, moet men het tegendeel er ook van zeggen. Strijd is de vader en heer van alle dingen; het ongelijke vereenigt zich om iets nieuws te doen ontstaan.

Aristoteles beschuldigt Heraclit: hij loochent den satz des widerspruches; Hegel roemt: eenh. van tegendelen eerst tot grondslag van systeem gemaakt. Geen van beide waar.

Alles vereenigt zich ook weer in harmonie. God en wereldwet = oervuur.

b. kosmologie

aarde

vuur–> water (ziel wordt water, water aarde, aarde water, water ziel, ziel = vuur)

warme, vluchtige

vuur – water – aarde en terug is de voortdurende gang. Het blijvende is alleen de gelijkmatige stofwisseling. De zon is een brandende nevelmassa en iedere dag nieuw (door de toestroomende nevelmassa’s). Na bepaalde tijden verbrandt de wereld (lost in oerstof op) en ontstaat opnieuw. Meer in overeenstemming met systeem zou geweest zijn: de deelen telkens te laten vergaan en ontstaan; maar dit is zoo ver van gewone voorstelling, dat de filosofie lang werk had zover te komen). Zoo ontstaat een wereldjaar, grootjaar (10800 of 18000 zonnejaren).

c. De mensch stamt uit het vuur (lichaam indirect, geest direct); de dronkene is zijn ziel niet meer meester omdat de ziel vochtig is geworden. Zoolang de mensch leeft is het goddelijke deel van zijn wezen met de lagere stoffen verbonden en wordt met den dood weer vrij. Hij draagt op de aparte zielen over de eigenschap van de algemeene.

De mensch moet de algemeene orde volgen; niet zijn eigen luimen. De wereld is steeds zo als ze zijn moet; het hangt maar van den mensch af er gelukkig in te zijn.

d. Heraclit staat onder invloed van de Joniers. Maar nieuw het albeheerschende van een eeuwige natuurwet. Hier nadert hij de Pythagoreeërs. In 4e eeuw had men nog Heracliteeërs. Kratylus waagde het niet meer een oordeel uit te spreken, omdat ieder oordeel er een was over het zijn. Eerst die leerlingen, die ook van Parmenides geleerd hadden, beproefden een verklaring van het worden. [I 566-677]

 

V. Empedocles

a. algemeene grondslagen.

Tusschen Heraclit ( –> toch ontstaan-vergaan dingen en toestanden wisselen) en Parmenides (–> worden en vergaan is onmogelijk, dus ook qualitatieve verandering) in. Dus de veranderingen verklaard uit ruimtelijke beweging, verbinding en scheiding van ongewordene stoffen (die er meerdere moeten zijn om de vermenigv. [Zeller: Mannigfaltigkeit] der dingen te verklaren). Wat wij ontstaan noemen is verbinding; wat wij vergaan noemen is scheiding der stoffen. Ontstaan en vergaan = een uit veel en veel uit één. Empedocles 1e de 4 elementen: aarde, water, vuur en lucht (vroegere systemen wel oerstoffen, maar niet kwalitatief onveranderlijk, verder 3 of 5). Elementen zijn in meest verschillende verhoudingen vermengd (dit is mechanische vermenging). Hoe meer de openingen van een lichaam met de deeltjes van een ander overeenstemmen, des te sterker inwerking. Consequentie moet voeren tot atomen en leege tusschenruimten; maar Emp. had ze nog niet.

Wat is de bewegende oorzaak? Emp. is de eerste, die de kracht van de stof onderscheidt. Hij neemt een verbindende en scheidende kracht aan (liefde en haat).

b. wereld en haar deelen

Liefde en haat komen afwisselend tot heerschappij. Kosmogonie begint met de menging aller stoffen (bolvormig). Wereld kon eerst ontstaan, als de haat de scheiding bewerkte. Toen de liefde tusschen getreden en wervelende beweging bewerkt. Hieruit, eerst de lucht, die alles kogelvormig omsloot. Dan vuur en zoo twee halve bollen, die elkaar afwisselden bij dag en nacht. Uit het overige de aarde. Hieruit: planten, dieren, menschen (vruchten pl.; voortplanting d. ).

c. godsdienst

Zielsverhuizing. Zielen van verstootene demonen in planten, dieren, menschen. [I 678-760]

 

VI. Atomistiek

a. grondslagen

Stichter is Leucippus, van wien de grondideeën. Democritus (Abdera geb. 460) de voornaamste. Veelheid en beweging onmogelijk zonder het niets, dus ’t niets bestaat. Er moeten deeltjes zich door bewegen, die de lichamen vormen. Deeling gaat niet in het oneindige (Zeno). Op de atomen worden alle kenmerken van het zijnde der Eleaten overgedragen. Zij hebben geen leege ruimten in zich, zijn ondeelbaar, enkelvoudig en gelijksoortig (verscheidenheid is een gevolg van het niet-zijn). Het zijnde is een onbep. stof, want iedere bepaling is een uitsluiting, is niet wat de anderen zijn, dus ook een niet-zijnde.

Atomen onderscheiden zich door vorm, orde en ligging (grootte en zwaarte evenredig). De lichte groote lichamen hebben vele tusschenruimten. Alle werking door aanraking verklaard (n.l. atomen door magneet en ijzer uitgezonden). Eigenschappen van lichamen zijn tweeërlei: 1. werkelijke uit atoomverhouding (gewicht, dichtheid, hardheid; gewicht:dichtheid, hardheid kan bij zwaarder lichaam kleiner zijn, als de massieve deelen grooter zijn) 2. schijnbare (warmte, koude, smaak, kleur, afh. van zint. gewaarwordingen; hangt af van aard der uitgezonden atomen).

b. kosmogonie

Beweging der atomen is aanvangloos. Gewicht is drijvende kracht. Zon en maan zijn door draaiing der hemel gloeiend geworden.

c. organische natuur. Ziel bewerkt de beweging der levende wezens; uit fijne gladde ronde atomen (vuur), tusschen de atomen van het lichaam verspreid: denken-hersenen; toorn-hart; begeerte-lever. Gehoor en gezicht ontstaan door uitstroming van atomen uit de lichamen; door de lucht verbreid.

d. geschiedk. betekenis. Meeste oudere systemen zijn materialistisch. Hier zuiverst doorgevoerd. Navolgers: Metrodorus, Anaxarchus. [I 760-864]

 

VII. Anaxagoras (500 v. Chr., tijdgenoot van Empedocles en Leucippus).

a. grondslagen Vriend van Pericles; moest in den laatsten tijd Athene verlaten (beschuldiging verloochening der goden). Werk peri fyseos zooals de meeste oudere filosofische werken. Verwant aan Empedocles en Leucippus.

Verschil: 1. alle eigenschappen der dingen reeds in de oerstof; 2. tegenover de stof staat de geest als oorzaak van beweging. Ontstaan is eigenlijk verbinding; vergaan is scheiding. Oorspronkelijke lichamen zijn de individueel bepaalde als: vleesch, been, goud enz.; de elementaire zijn een mengsel (hierdoor schijnb[are] eenv[oud] dat bij een mengsel alleen het gemeenschappelijke gemerkt wordt). Het elementaire ontstaat dus uit de bestanddeelen van het organische (andersom dan bij de vorigen). Oorspronkelijk de stoffen zoo gemengd, dat de eigenschappen van geen der dingen merkbaar zijn. De geest ordent ze (bepalingen: eenvoudigheid van wezen, macht, weten). Zijn werkzaamheid is verwerkelijking van zijn gedachten door middel van de stof. Zooveel mogelijk geschiedt dit mechanisch (dus hoofdzakelijk materialistische theorie).

b. ontstaan der wereld. De geest brengt in chaos wervelbeweging teweeg, waardoor scheiding der stoffen in 2 groote massa’s: ether en lucht (warm, licht, dun – kort, donker, zwaar). Het laatste binnen; hieruit water, aarde, steen. De aarde is een vlakke schijf wegens haar breedte door de lucht gedragen (eerst loodrechte daarna scheve as). Planten en dieren hebben ziel = bewegende kracht.

c. Empedocles: 4 elementen, 2 krachten (liefde en haat); Atomici: 1 element, 1 kracht (zwaarte); Anaxagoras: oneindig vele elementen (grondstoffen), geest.

Na Anaxagoras moet het nieuwe principe “de geest” onderzocht worden. [I 864-932]

 

IX. [nummering is van Postma zelf; heeft bij vergissing VIII niet gebruikt] De Sophisten

1. ontstaan. In 5e eeuw Athene tot grooten bloei gekomen. Tot nog toe alleen muziek en gymnastiek onderwezen. Er moest nu aan hooger doel voldaan worden: redeneerkunde; zoo ontstond sofistiek en redenaarsschool in Sicilië. Maar ook meer wetenschappelijk onderwijs. De Nus [geest] van Anaxagoras was van de menschelijke, naar haar wezen, niet verschillend. Verdergaande werd het wereldscheppend bewustzijn tot een menschelijk; de mensch de maat aller dingen. Verder beschaving aan godsdienst, democratie aan ethiek en eerbied voor de wet vijandig. Als de mensch de maat aller dingen is is hij ook de maat van het gebodene en veroorloofde. Men wist geen weg meer in de tegengestelde systemen (veelheid en eenheid, zijn en worden) en tusschen de velerlei moraal der volken. Eerst Socrates stelde de verschillende ervaringen dialectisch tegenover elkaar en zocht het gemeenschappelijke er uit op. [I 932-942]

2. uitwendige geschiedenis. Protagoras uit Abdera eerste sophist (2e helft 5e eeuw). Trok door de Grieksche steden om onderricht te geven (zie Plato, “Protagoras”) (alle sofisten werken voor geld). Gorgias kwam in 427 te Athene. Thucydides onde invloed Prodikus leerling van beide vorige; Socrates leerling van hem. Hippias van Elis; zeer algemeene wetenschap. Vele anderen nog, maar verloopt in ’t begin 4e eeuw. [I 943-964]

3. Karakter.

a. spraakgebruik van dien tijd. Sophist = iemand, die de wijsheid als beroep heeft. De wijsheid echter wordt zeer verschillend opgevat (verstand, deugdleer, rhetorica, physica).

b. Plato en Aristoteles hebben begrip sophistiek begrensd: dialectische critiek en schijnweten.

c. Men begreep dat wetenschap voor praktijk nuttig was, maar nu ook beperkt voorzooverre ze dit was. Plato en Aristoteles zeggen: de leeraar mag slechts door dankbaarheid beloond worden. Toch in Griekenland ook kunstenaars en olympische overwinnaars betaald. Welsprekendheid, levenswijsheid, met menschen omgaan waren het die geld opbrachten. Het is echter gevaarlijk, dat de leerlingen zelf betalen en dus eischen stelden, waardoor wetenschap lijdt.

Sophistische levensfilosofie berust op twijfel aan de waarheid van het weten. Algemeen geldige zedenwet is onmogelijk als een algemeen geldige waarheid. [I 964-978]

4. erkenntnisstheorie en critiek

Protagoras laat skepsis steunen op Heraclitische physik. Alles is in beweging; eerst doordat de dingen zich ten opz. van elkaar bewegen, zich vermengen en op elkander inwerken, worden ze tot iets bepaalds; men kan dus nooit zeggen, dat ze iets bepaalds zijn. Als een voorwerp in ons oog raakt zien we de kleur; maar het oog is niet ziende zonder kleur en er is geen kleur zonder oog. Iets wordt dus alleen iets voor het waarnemende subject. De dingen zijn voor ieder slechts dat, wat ze hem schijnen, de mensch is de maat aller dingen, van het zijnde, zooals het is, van het nietzijnde zooals het niet is. Er is geen algemeen geldig weten, slechts een meenen.

Gorgias: 1. er is niets: het kan niet een zijnde (A) en niet een nietzijnde (a) zijn: A moet ontstaan of niet ontstaan, een of veel zijn; a uit het zijnde kan het niet worden, want als het iets anders wordt, is het niet meer het zijnde); 2. als er iets is, is het toch onkenbaar; 3. als het ook erkennbar is, laat het zich door de taal toch niet meedeelen (berust op Melissus en Zeno).

Praktische toepassing van Skepsis is de Eristiek. Iedere aanname is slechts waar voor wien ze waar schijnt, dus iedere stelling is even waar. Langzamerhand sophistiek de kunst iedere bewering tegen te spreken. Hierbij zeer onmethodisch tewerk gegaan. Lieten hun leerlingen vragen en fangschlüsse van buiten leeren (Euthydem van Plato en Trugschlüsse van Aristoteles). Het doel is maar den tegenstander vast te zetten: a. wil men een antwoord, dan vraagt hij; 2. op dubbelzinnige vragen wil hij ja of neen; c. de schuchteren worden overbluft; d. oordeelen op bepaald geval bedoeld worden uitgebreid; e.van ’t subject geldende op het praedicaat toegepast.

Voorb. Men kan niets leeren, want wat men weet, dat kan men niet meer leeren en wat men niet weet, dat kan men niet zoeken. Als A niet B en B is een mensch is A geen mensch enz. Onduidelijke taalkundige uitdrukkingen overal benut, die twee beteekenissen kunnen hebben. [I 978-1000]

5. deugd, recht, staat, godsdienst

Deugdleer was eigenlijk hoofddoel, omdat ze aan wetenschappelijke kennis niet geloofden. De eerste sofisten sluiten zich vrijwel bij volksopvatting aan. De leer brengt echter van zelf tot een leer dat ieder zijn eigen recht heeft. Natuurrecht en positief recht. Het laatste door menschelijke willekeur gemaakt (de goden zijn uitgevonden om de menschen bang te maken – Kritias) (Prodikus – al het nut brengende [door] goden gemaakt: Nijl, wijn, water, vuur). Bij rhetorica bijna alles techniek. Taalkunde ook. Protagoras eerst drie geslachten zelfst. naamw. en tijden der werkwoorden. Prodikus synonima; zinverwante woorden tegen hoog honorarium geleerd. Gorgias verwierf grootste roem; maar te gekunsteld.

6. beteekenis sophistiek. ’t Was de tijd der grootste genieën, waaronder ze optraden: Pericles, Thucydides, Sophocles, Phidias, Euripides, Aristophanes en hierop invloed uitgeoefend. Het zijn de encyclopaedisten van Griekenland. De oude natuurwetenschap is niet meer voldoende, maar in plaats van er een ethiek naast te zetten, zet men alles aan kant. Zonder sophisten was Socrates onmogelijk geweest. Hij zocht in het denken zelf een diepere grondslag voor wetenschap en zedelijkheid. [I 1000-1041]

 

[TWEEDE PERIODE]

 

IIe deel, 2e periode
Inleiding

1. Dichters. De verschillende filosofieën konden versmelten, nu Athene het middelpunt van het wetenschappelijke leven was geworden. Socrates kon een nieuwe wetenschap er uit opbouwen. De tragoedie is geschikt om te doen, wat het volk bewoog (berust op conflict van zedelijk standpunt en belangen). Wij zien zoo de verandering gedurende 3 geslachten: Aeschylus, Sophocles, Eurypides. Aeschylus: diepe ernst, overweldigende kracht. Trots, kracht, noodlot. Sophocles: ook mensch kan niets tegenover de goden. Maar fijnere tekening van het zieleleven; zachter. Aesch. zedelijke orde = vreeselijke [Zeller: furchtbare] macht; behandelt uitersten; titanen; Soph.: zedelijke orde = stille natuurkracht, behandelt menschen. Euripides: geeft zich niet meer met diepe overtuiging aan de oude zedeleer. Skeptische stemming. Fabels bestreden, ver van het oude geloof. Herodotos is tijdgenoot van Sophocles; reeds twijfel in geloof. Thucydides laat de goden er buiten; natuurlijke verklaring. Zijn redenaars spreken duidelijk de meest egoïstische redevoeringen uit. Aristophanes geselt zijn tijd en verheft de oude. Maar vindt alles toch zeer natuurlijk.

2. Karakter der 2e periode

Vroegere filosofie gaf den denkenden geest geen inzicht in wezen en bestemmimg. Verder moest uit het veranderlijke het gemeenschappelijke gehaald worden met behulp van dialectiek = kunst van begripsvorming. Zo kwam er dus: ethiek, veelzijdiger onderzoek, dialectiek, begripsfilosofie, idealismus.

Vroeger wendde het denken zich direct tot het object, nu denken –> begrip –> object. Vroeger van enkele eigenschappen der dingen uitgegaan (dogmatisch). Nu alle eigenschappen vergeleken (dialectisch). Zoo kwam men er toe het ware zijn in het onstoffelijke (vorm en doel) der dingen te zoeken (idealismus). Natuuronderzoek wordt dus zelfonderzoek. Wetenschap is echter het hoogste; niet het goed handelen. Men twijfelt niet aan mogelijkheid wetenschap.

Kiem Socrates: menschelijk denken en weten heeft zijn norm in begriplijk weten.

Bloei Plato: slechts objectieve begrippen hebben werkelijkheid.

Vrucht Aristoteles: begrip of vorm is het wezen; maar is niet van de dingen te scheiden, omdat deze door haar bestaan. [II-1 1-41]

 

I. Socrates

1. leven

Geboren in de laatste jaren der Perzische oorlogen (± 469-399) te Athene. Van jeugd weinig bekend. Op rijpere leeftijd in connexie met sofisten. Vader beeldhouwer, zelf ook geweest. Noemde zelf beroep aan zedelijke en wetenschappelijke volmaking van hem en anderen te arbeiden (overtuiging nam vorm van goddelijke openbaring aan). Huiselijk leven niet aangenaam (Xantippe). Wilde zijn behoeften tot een minimum brengen. Geen staatsman wilde hij zijn (beter anderen er toe op te voeden). Dapper gevochten in 3 oorlogen. Hij wilde ook niet belehren, maar samen met anderen lernen. Liep dagelijks op markten, werkplaatsen enz. rond om te spreken met bekenden en onbekenden. Een kring van jonge mannen verzamelde zich om hem heen (hieruit langzamerhand een Socratische school).

2. karakter

Met eerbied tegen opgezien. Xenophon: “hij was de beste en gelukzaligste man.” Plato “beste, verstandigste en rechtvaardigste man.” Man uit het merg der natie (matigheid niet ascese. In symposion (Xenophon) kleine beker verlangd om niet al te snel sich zu steigern. Plato: alleen met drinken overwinnen, zonder dronken te worden. Een zinnelijk element laat zich niet verkennen [lees: ontkennen; Zeller: verkennen] in omgang met jongelieden). Het ongrieksche en toen onbegrijpelijke was: contrast tusschen uiterlijk en innerlijk. Schoolmeesterachtig en vorm verwaarloozen. Afgetrokken; zoo geloof aan goddelijke openbaringen (droomen, daemonium = inwendig orakel) (daemonium = levendige gevoel van onbetamelijkheid eener handeling; voor hem zelf was de psychologische oorsprong verborgen).

3. philosophie

a. bronnen, principe

Uit Xenofon. Plato niet dezelfde figuur. Vroeger Xenophon geheel vertrouwd. Xenofon geeft zich voor historisch uit, Plato niet. Hier ook vooral Xenofon (Plato en Aristoteles hulp). Plato meer volkomen denker, Xenophon voortreffelijke mensch.

Lang alleen voor moraalphilosoof gehouden, maar dan groote invloed door philosofen hem toegekend, onmogelijk. Weten was hem niet alleen doel om te handelen. Ook op ethiek alleen invloed kunnen uitoefenen door wetenschappelijke grondvesting. Het weten heeft het handelen niet slechts te dienen, maar ook te leiden en te beheerschen. De menschen moeten ook weten waarom ze zóó moeten doen: “het streven naar het ware weten wordt het bewuste doel”. Ieder ware weten moet van juiste begrippen uitgaan en tot zijn algemeen begrip teruggevoerd worden. Vroeger zoolang mogelijk van waarneming uitgegaan; nu alzijdig onderzoek om tot begrip te komen. Weet echter wetenschap en deugd niet te scheiden. Philosofie is nog een methode, geen bezit.

b. methode

Het begrip wordt uit de gewone voorstelling ontwikkeld.

I. zelfkennis is nodig om te zien wat wij weten.

II. daardoor tot conclusie: niets te weten (hij had nog geen positieve lehrsätze). De physici wisten ook werkelijk niets, hadden reeds sophisten beweerd. Verschil met Socrates, dat deze ware wetenschap wel voor mogelijk hield, al had hij haar nog niet.

III. dit voert tot zoeken; dit geschiedt door gezamenlijk filosoferen, dit is een wetenschappelijke, zedelijke en persoonlijke behoefte. Eros. Veelal in ironische vorm.

Hij moet dus methode hebben om wetenschap te ontdekken, om te kunnen weten, dat hij niets wist (inductie). Begint bij eenvoudige, dagelijksche ervaringen; omdat deze beperkt zijn., moet hij tegengestelde zaken ook gebruiken. Voorb. Onrechtvaardig (ungerecht) is zegt Euthydemus, die liegt, bedriegt, rooft enz. Maar zijn vijanden zegt Socrates mag men dit doen. Maar vrienden soms ook wel (vriend, die vriend wapen ontsteelt als hij een moord [Zeller: sich ermorden] wil begaan). Dus [onrechtvaardig] wie zijn vrienden bedriegt enz. om ze te schaden. Zoo worden uit voorstellingen begrippen afgeleid. Bij bewijzen ook steeds tot begrippen teruggevoerd, maar nog geen bepaalde logische gang. De filosofie naar den vorm dialectiek is naar den inhoud ethiek.

c. ethiek

Socrates verachtte speculatieve physica. Men moest niet over het goddelijke nadenken voor men het menschelijke kende; het was boven menschelijke kracht en zonder praktisch nut (overeenkomst met Kant; ook historisch; beiden behielden alleen moraal). Deugd moet berusten op klare wetenschap van norm. Zonder weten geen deugd. Vroom = die weet, wat den goden recht is; rechtvaardig, die weet wat den menschen recht is; dapper = die de gevaren goed te behandelen weet. Hoofdzaak is het vormen door goed onderricht.

Ethiek blijft echter bij de algemeene formule staan, evenals filosofie. Bepaalde zedelijke werkzaamheid nog afgeleid uit: 1. bestaande zeden; 2. gevolgen van handelen. Hoofdzakelijk gegrond op nut en schade. Toch ook weer geestelijk goed ’t hoogste. Hoofdvoorwerp van zedelijke werkzaamheid is de staat, niet de familie (echt Grieksch) (vrouwen om kinderen te krijgen). Aristocratie der intelligentie ideaal; wetenschappelijke beamten stand.

d. natuur, god, mensch

Alles goed voor den mensch ingericht; dit moet verstand gedaan hebben (zon, maan, warmte, koude, huisdieren). Goddelijke voorzorg in alle dingen (grooten invloed op verdere natuurvorsching). Hoogste God staat tot wereld als menschenziel tot lichaam. Onzichtbaar, alomtegenwoordig, almachtig. Spreekt behoedzaam over onsterfelijkheid der ziel.

4. noodlot van Socrates

399 v. Chr. aanklacht: afval van staatsgodsdienst; invoering van nieuwe godheden; verderfelijke invloed op de jeugd (hoofdklacht Meletus). Wilde zich niet verdedigen, want het was onwaardig anders dan door de eenvoudige waarheid te werken; onmogelijk een vreemde vorm van kunstige redeneerkunde zich eigen te maken en de godheid zou wel ’t goede beschikken. Waarheid kan alleen het goede doen komen. Hij spreekt voor de rechter dan ook als een derde, die er niet mee te maken heeft, maar onjuiste voorstellingen wil tegengaan. Meerderheid rechters was genegen vrij te spreken, maar deze trotsche houding deed veroordeling volgen (Plato in hoofdzaak juist). Maar nu ook Socrates trotsch; wilde alleen een boete van 20 [Zeller: 30] minae hebben, als hij dit doen kon zonder zich schuldig te bekennen (keuze tusschen eisch aanklager en aangeklaagde). Zoo ter dood veroordeeld (rechters 400-600, volksrechtbank). Nog 30 dagen in gevangenis in verkeer met vrienden. Dronk beker met scheerling. Gevoel van bewondering dreef dat van smart terug.

Beschuldigingen moeten diepe wortels in ’t volk hebben gehad, zou Xenofon ’t noodig vinden 6 jaar na dood apologie te schrijven (godsdienst en invloed op jeugd reden tot ergernis; aristocratische neigingen reden tot vervolging). Socrates wilde de voorvaderlijke zeden onderzoeken; men moest ze autoritair aannemen. Men had echter geen recht meer hem te straffen, omdat Athene al ver van oude denkwijze was afgeraakt (bewijzen komediën van Aristophanes). Maar dood heeft grooten en bezielenden invloed op navolgers gehad. De tijd was rijp voor Socrates denkwijze. [II-1 42-196]

 

II. Die Unvolkommenen Sokratiker

1. School van Socrates

Niet erg best begrepen (alleen Plato). Xenophon b.v. wel karakter bewonderd. Als hij alle lieden uitvraagt zegt Xen. dat hij zich zelfs handenarbeiders nuttig wist te maken. Zelfkennis is noodig, dat niemand iets boven zijn krachten zal beginnen. Alles praktisch opgevat. Aeschines evenzoo.

2. Megarische en elisch-eretrische school

Euclides stichter van eerste (ongeveer 360 overl.). Zinnen –> doen ons het veranderlijke kennen; denken het onveranderlijke. Het ware zijn komt dus de onlichamelijke dingen toe (overeenkomst met Plato). De krachten worden tot het worden, ’t zinnelijke verbannen. Het vermogen is niet langer aanwezig dan de uitwerking; slechts het werkelijke is mogelijk. Met Socrates noemt hij het voorwerp van het ware weten: het goede en geeft deze alle eigenschappen, die Parmenides aan het zijnde geeft (godheid, verstand is er aan gelijk). Megariten gebruikten de methode der Eleaten om hun tegenstanders te bestrijden.

De “begripsfilosofen” zegt Plato wrijven in hun reden het stoffelijke, deeltje voor deeltje fijn om te toonen, dat het slechts iets vlietends, onwezenlijks is. Langzamerhand haarkloverij (als iemand zegt: ik lieg, liegt hij dan of spreekt hij de waarheid; horens enz.). Dialectische kunststukken. Stilpo verwierp elke verbeelding van een subject met een praedicaat, omdat de begrippen verschillend zijn (cynisch). Hoogste goed = apathie, die geen gevoel van Uebel laat opkomen. De wijze moest aan zichzelf genoeg hebben. Elisch-eretrische school is na verwant aan megarische. Stichter Phedo uit Elis, lieveling van Socrates.

3. cynici. Deze school ontstond evenals de vorige door verbinding van socratisch soph.-eleatrisch. De stichter is Anthistenes uit Athene. Had onderwijs van Gorgias en Socrates genoten. Een leerling was Diogenes. Oefende groote aantrekkingskracht uit. De cynische filosophie wil echt-Socratische leer zijn. Antisthenes bewonderde vooral de geestkracht van Socrates. Alle weten, dat niet tot handelen voerde was onnut. De deugd = daad kan woorden ontberen. Antisthenes achtte theoretisch weten onmogelijk: men kan ieder ding slechts met haar eigen uitdrukking benoemen (de mensch is goed, is onmogelijk). De definities treffen dus de zaak zelf niet. Al het werkelijke is dus individueel (alleen eigennamen mogelijk) = nominalismus. Algemeene begrippen zijn slechts gedachte dingen (juist tegenover Plato heftige polemiek). Zoo dus onderzoek naar de namen van groot belang. Daar bleef het dan ook bij.

Het werkelijk eigendom van den mensch is zijn geestelijk bezit. Deugd alleen is noodig voor geluk (moraalfilosofen). De lust is het grootste kwaad. Geen behoeften hebben is ideaal. Er zijn weinig wijzen en tallooze gekken (grondstelling: zelfgenoegzaamheid der deugd). Leven als bedelaars. Diogenes en lateren sliepen nachts in zuilengangen. Familieleven was veracht. Zij zijn wereldburgers; staat laat hen koud. Zij veroorloofden zich overal alles, wat hun natuurlijk scheen.

Er is slechts een God, die niet op iets zichtbaars gelijkt. Zij werkten ook op het volk om ondeugden te verbeteren (capucijners van ouderdom [Zeller: des Alterthums]; ascese der nieuw-pythag. en cynismus der keizertijd zijn tusschenvormen tusschen hen en monniken).

4. Cyrenaiker

Aristippus van Cyrene was de stichter. Leerling van Socrates. Filosofie sluit aan bij praktische zijde van Socrates philosofie. Slechts genot is een onbedingd goed. Al onze waarnemingen zijn gewaarwordingen van persoonlijke toestanden. Slechts van de gew. weten we dus iets af (van ons zelf alleen). Er zijn gemeenschappelijke namen, maar niet gemeensch. gewaarwordingen. Overeenkomst met Protagoras. Physische vorsching dus onnut. Het zal nu het beste zijn dat te doen, wat onze gewaarwordingen het beste bevalt. Dit is niet gemoedsrust maar lust. Men moet de gevolgen echter mee in rekening brengen. Maar moet zich ook de rechte gemoedsstemming eigen maken en dus de geest opvoeden. Ernstig en gevat (op zeereis banger dan niet filosofen: maar zij vreezen ook niet voor een gelijke ziel). Men moet de dingen altijd op de beste wijze opvatten (overeenkomst met cynici: de mens moet zich door inzicht boven het lot verheffen; middelen anders).

Theodor trok de uiterste conclusie uit Aristippus leer. De dingen zijn er om te gebruiken. Iets geldt als schande om de massa in toom te houden. Vroolijkheid is het goede; droefheid het slechte. Hegesias. Vrijheid van smart is al veel. En het hangt van onze opvatting van de dingen af. En nu wordt de leer zoowat gelijk met die van de cynici. Met Anniceris is de leer zoowat vervluchtigd. [II-1 196-336]

 

III. Plato

1. Plato’s leven

Geboren in de eerste jaren der Pel. oorlog. Jongelingsjaren vallen in ongelukstijd. Eerst ongeluk door onbeperkte democratie; dan mislukken van aristocratie. Zo Plato in richting van het ideale. In jeugd met poëzie bezig. Socrates heeft de grootste invloed op hem uitgeoefend. Na Socrates dood reizen (Megara, Aegypte, Sicilië enz.). Eerst na 10-12 jaar terug (vooral kennis met Pythag. school en wiskunde opgedaan). Nu als leeraar opgetreden. Waarschijnlijk eerst meest in vorm van gesprekken, naderhand meer rede. Niet voor geld; waarschijnlijk wel geschenken. Niet zelf staatsman, mar leidde wel staatslieden op. Bij Dionys van Sicilië om theorie toe te passen, maar mislukte. Stierf op hoogen leeftijd op een bruiloft. Plato’s geest toonbeeld van harmonie (vuur en zelfbeheersching, ernst en zachtheid, streng zedelijk en ontvankelijk voor schoon). [II-1 337-378]

2. Geschriften

Meer dan 50 jaar lang schrijver en niets verloren. Er zijn echter onechte bij. Aristoteles beste getuige hieromtrent. [II-1 379-422]

3. Volgorde der geschriften

In den tijd van Socrates leven weinig boven hem uit. Eerst naderhand verheven. Gastmaal-Phaedo schilderen de wijze in leven en sterven. Daarna o.a. republiek en ideaalstaat. [II-1 422-469]

[Filosofie]

4. Karakter, methode, indeeling

Evenals bij Socrates het rechtschapen handelen innig verbonden met het juiste erkennen. Plato maakt de Socr. philosofie tot een wetenschappelijk systeem. De Socr. ethiek verbonden met voorsocr. natuurphilosofie en voor beide de grond gelegd in de zuivere begripswetenschap (dialectiek). Het eenige werkelijke weten = weten van ’t begrip, dan dit ook weten van de werkelijkheid. Het werkelijk zijn komt dus alleen toe aan ’t in het begrip voorgestelde wezen der dingen. Plato heeft al zijn voorgangers in systeem gebruikt.

Dialectiek van Socr.-Plato is van anderen aard, dan die van Zeno en sophisten. De laatsten was ’t alleen te doen om bestrijding van anderen, de eerste om positieve resultaten (begripsvorming). Bij Socrates werd dialectiek nog een zaak van persoonlijke oefening, hier een algemeene methode.

Waar leven en wetenschap elkaar zoo doordringen als hier moest de schildering een levendige zijn; waar ze zoo ideaal is als hier, moet het een dichterlijke zijn. Ze moet dialectisch zijn om haar begripsfilosofische inhoud; dus gespreksvorm (’t midden tusschen het persoonlijker gesprek van Socrates en wetenschap. vorm van Aristoteles). In de latere dialogen is dit slechts vorm; de behandeling wordt meer logisch dan in de eerste.

Dialoog

Zegt ergens: schriftelijk stuk kan zich niet tegen misvattingen verdedigen als mondeling; wil nu zooveel mogelijk de voordelen van ’t m. in s. behouden. Denken is een gesprek met zichzelf. Vooral voor vrienden bestemd, dus in oorspronkelijken vorm gegeven. Socrates is de hoofdpersoon of geestig toehoorder en de band, die de deelen verbindt. Boven dien moet de ware filosofie ook de persoonlijkheid maken.

Mythen gebruikt; waar de philosoof iets als werkelijk erkent, waarvan de wetenschappelijke vaststelling zijn middelen te boven gaat.

Indeeling: dialectiek of logica, Sophist, Parmenides enz.; physiek Timaeus, Phaedo; ethiek Republiek, Gorgias enz. [II-1 470-491]

4. propaedeutische grondslagen

Uitgangspunt –> gewoon bewustzijn: waarneming; voorstelling (meening) = doxa

Het weten is iets anders dan deze 2. a. de waarneming toont ons iets telkens anders. b. weten is ook iets anders dan juiste voorstelling. De laatste n.l. sluit de mogelijkheid van een valsche voorstelling niet uit; door het weten is deze uitgesloten. Aan de voorstelling ontbreekt het inzicht in de noodzakelijkheid der zaak.

Hetzelfde onderscheid als tusschen weten en voorstelling bestaat tusschen gewone en philosophische deugd. De eerste berust op gewoonte zonder klaar inzicht; de gewone deugden strijden tegen elkaar. Het is toeval als men de gewone deugd heeft. Men zou evenwel zeker deugdzaam zijn, als men het goede kende. Niemand is vrijwillig slecht. Het zelfbedrog is erger dan ’t bewuste bedriegen van anderen. Alleen de onnadenkendheid zegt dat er meerdere deugden zijn; filosoof kent er slechts één.

Bestrijding sofistiek

Soph. theor. ieder is waar, wat hem waar schijnt; prakt. ieder is goed, wat hem goed schijnt.

a. behalve dan toch toekomst. Zoo is er geen waarheid meer. En geen onderscheid tusschen weten en niet weten.

b. soph. hoogste geluk in de macht te doen, was man möge; Plato was man wolle.

De lust behoort tot het gebied van het worden; het goede is iets “wesenhaftes” (het worden heeft een zijn tot doel en het goede is het hoogste doel). De lust is het stoffelijke verwant; het inzicht het goddelijke verstand. Er is een [lees: geen] verstandig en doelmatig handelen mogelijk, als ieder zijn willekeur tot wet maakt.

Beteekenis philosophie

Grondslag is de philosophische trieb die geeft ’t streven. Wij vinden de waarheid door “dialectische methode.” Zij geeft het zuivere begrip 1. synagoge = begripsvorming (veelheid der ervaring tot een klassebegrip terugvoeren); 2. diëresis = indeeling (deze tot (meerdere) soort-begrippen verdeelen).

1. van Socrates afkomstig, nu uitgebreid. Het wezen van het begrip bestaat in het gemeenschappelijke der soort. Uit voorbeelden afgeleid ontstaat een zekere willekeur. Men moet dus ook telkens het tegengestelde onderzoeken en zien, wat daaruit volgen zou.

2. bestaat in ’t zoeken der onderscheiden. Men moet echter zorgen de natuurlijke indeeling te krijgen. Men moet zoover gaan totdat de regelmatige geleding van het begrip ophoudt en de onbepaalde menigvuldigheid der verschijning begint. Liefst verdeeling in 2.

Er is nog geen samenhangende logica. Wel de hoofdregels uitgesproken: satz des widerspruchs en toereikende grond; maar niet hieruit de denknormen afgeleid.

Muziek is het begin der opvoeding (zin voor het ideale). Hierop moet volgen de wetenschap van de idee van het goede. Theorie en praktijk (wetenschap en ethiek) hangen ten nauwste samen. Wiskunde is zuiverste voorbereiding voor de dialectiek; ze stelt de begrippen voor in zinnelijke vorm, die de filosofie zuiver beschouwt. [II-1 491-541]

5. dialectiek of ideeënleer

Voorzoover onze voorstellingen waar zijn; voorzoover is hun onderwerp werkelijk. De voorstellingen zijn gemengd waar; het weten is geheel waar. Het werkelijke bestaat in de ideeën. Weten: begrip, voorstelling; zijn: wezen – onzinnelijk, verschijnsel – zinnelijk. Geen ding stelt zijn wezen geheel zuiver voor; eigenschappen komen voor met tegendeel (gemiddelde tusschen zijn en niet-zijn ).

Idee

De ideeën = het onveranderlijke, dat het wezen der dingen uitmaakt = hetgeen het vele gelijknamige gemeen is (substantie in den zin van Aristoteles = iets voor zichzelf bestaands, geen eigenschap van iets anders; niet van Herbart = een ding met meerdere veranderlijke eigenschappen, waarvan het de onveranderlijke drager is) (ideeën iets objectiefs, niet subjectief als b.v. begrippen of gedachten van mensch of godheid).

Het werkelijke kan 1. niet alleen één zijn (anders zou men er niets van kunnen zeggen), 2. ook geen veelheid alleen. Dus beide tegelijk. Het werkelijk zijnde is niet een zuiver, maar een bepaald zijn, er zijn dus vele soorten van zijn in allerlei verhouding tot elkaar staande van identiteit, onderscheid, uitsluiting en gemeenschap. Het ware zijn = een “die vielheit in sich befassende einheit.”

Getal

Getallen en math. verhoudingen staan als verbindingslid tusschen ideeën en verschijnselen. Als in de plaats van het zuiver begriplijke een symbolische uitdrukking gezet zou worden, dan lag het voor de hand de idee en hare bepalingen in rekenkundige formules uit te drukken (in ’t werkelijke zijn zoowel als in rekenkunde eenheid en veelheid verknüpft).

Krachten

Ideeën zijn tegelijk werkende krachten. Plato’s systeem echter meer ingericht op beschouwing van het zijn dan op verklaring van het worden.

Ideeënwereld

Er is een wereld van ideeën (onbepaald veel). Alle klasse en soortbegrippen stellen een idee voor. Hij kent ideeën van haren, vuil, tafel, bed, grootte, kleinheid, ongelijk, dubbel enz. Zoodra er maar een gemeenschappelijk karakter van eendere verschijnselen bestaat (naderhand volgens Arist. niet ideeën van kunstvoortbrengselen, ontkennende en verhoudingsbegrippen).

Men moet een wetenschap vormen die de geheele ideeënwereld omvat door optelling en vergelijking van alle begrippen. Hij is hier evenwel pas mee begonnen. Voorbeelden van algemeene begrippen geeft hij: zijn en niet-zijn, gelijkheid en ongelijkheid, hetzelfde en ’t verschillende, een en getal [Zeller: Zahl], even en oneven. Hij gebruikt de kategorieën van qualiteit, quantiteit, relatie. Onderscheid van ’t “an und für sich seiend” en “relative” is grondslag van systeem: idee: an und für sich; ’t verschijnsel, materie: slechts in verhouding tot andere.

’t Begrip zijn wordt bepaald door de kenmerken van ’t doen en lijden.

Tot gewichtigste klassebegrippen behooren: ’t zijnde; rust; beweging; eenerlei; verschillend (begin van Arist. kategorieëntafel). ’t Hoogste in de rij der ideeën is het goede (te vergelijken met de zon in de zichtbare wereld). Het goede = göttliche vernunft. De godheid bij de ouden iets tusschen persoonlijks en onpersoonlijks schommelend). [II-1 541-602]

6. physica

materie

Het zinnelijk zijn is maar een schaduwbeeld van het werkelijk zijn. Haar komt slecht een worden toe; niet werkelijk zijn. Tegenover de idee wordt aangenomen het tegengestelde = materie (zijnde (onveranderlijke) en niet zijnde (verandering)). Philebus: “alles wat meer-minder, sterker en zwakker kan zijn.” Materie is dat “waarin” alles wordt; dus de ruimte (bij ’t komen in het leven wordt de vernunft verloren), maar de materie is iets objectiefs; subjectief idealisme is oudheid vreemd.

De grondslag van alle stoffelijk zijn is het “onbegrensde” als subject = onbegrensdheid; de leege ruimte als de voorwarde voor het uit elkaar zijn en de “gedeeldheid.” Dus in plaats van een eeuwige materie dus ” vorm der materialiteit.” “Het uit elkaar” en “het worden” zijn de vormen van het zinnelijk zijn en niet subjectief in de voorstelling maar in het verschijnsel. Er zijn moeilijkheden in dit begrip ook van Plato’s standpunt uit die hij zelf niet heeft kunnen oplossen. [II-1 603-623]

’t zinlijke en de idee

Deze 2 bestaan niet naast elkaar. Het zinlijke is een afschaduwing der idee. Hoe ontstaat het echter? Door P. niet verklaard. Er is tegenstrijdigheid: behoort het verschijnsel niet tot de idee, dan bestaat ze naast haar en dus de idee bevat niet al het werkelijke. Vernunft is eindoorzaak; physische gronden zijn bij-oorzaken. De noodzakelijkheid weerstaat het verstand. Zoo bij de mensch het lichaam, dat hem verhindert de zuivere erkenntnis te verkrijgen. [II-1 623-646]

wereldziel

De wereld is volkomen; het verstand is volkomener dan het onverstandige, dus de wereld moet een ziel hebben. De ziel is her eerste en heerschende; het lichaam het tweede en dienende. De ziel is verdeeld naar de verhoudingen van het harmonische en astronomische systeem. De ziel is geheel getal en harmonie. De muzikale harmonie en ’t systeem der hemellichamen zijn de voornaamste openbaringen van de onzichtbare getallen. “Het mathematische” en de “wereldziel” spelen ongeveer dezelfde rol (beide ’t midden tusschen verschijnsel en idee). De ziel beweegt zichzelf en daarmee ook het lichaam (de wereld). De wereldziel heeft volkomen weten en volkomen beweging (weten = een in zichzelf terugkeerende beweging). [II-1 646-664]

heelal en zijn deelen

a. De wereldbouwmeester verdeelt de zielen in haar cirkels; de chaot. vloeiende materie in haar 4 elementen en voegt de materie in de cirkels der wereldziel in (nogal mythisch) (Timaeus). Als tijdmeter de sterren. De tijd dus eerst met de wereld ontstaan (allerlei tegenstrijdigheden).

b. De aarde moet zichtbaar en grijpbaar zijn: dus vuur en aarde moet er zijn. Een derde moet ze verbinden; als ’t vlakken waren was ’t middellid voor de harmonie voldoende; nu ’t lichamen zijn, moeten er 2 wezen (4:6 = 6:9); 8:12 = 12: 18 = 18:27). Vuur (tetraeder):lucht (octaeder) = lucht:water (ikosaeder) = water:aarde (kubus). Dodekaeder is de oorspronkelijke vorm van het heelal (of van de sterren). Hij laat de lichamen niet uit lichamelijke atomen maar uit vlakken (driehoeken) bestaan ([tekening van:] driehoek met hoek van dertig graden: 6 zulke vormen een gelijkh. driehoek; 8 een vierkant). En uit gelijkh. driehoek en vierkant vormen zich de regelm. lichamen.

c. Om de wereldas ligt de aarde als bol (vast). Hieromheen in 7 cirkels maan, zon en planeten; dan vaste sterren. Een wereldjaar is om, als alle planeten weer dezelfde plaats tusschen de sterren innemen. De sterren zijn de edelste van alle wezens. [II-1 664-689]

d. antropologie.

De zielen eerst op de sterren geplaatst, daarna aan lichamen gebonden en op aarde en planeten geplaatst (man, vrouw, dier bij toenemende slechtheid). De ziel is het levende; kan niet als dood gedacht worden (dus vóór en ná ons leven). [II-1 689-733]

7. ethika

Deugd is wat de menschen gelukkig maakt. Naast de ware deugd die op weten berust, heeft echter de gewone die op gewoonte berust ook wel waarde. Niet verheven boven de geringschatting van de vrouw en van de lichamelijke arbeid. Keurt goed dat menschen van geringe geestelijke capaciteit slaven zijn.

8. staat

a. Plato noemt niet als andere Grieken als voornaamste deugd de werkzaamheid voor den staat; staat alleen noodzakelijk voor gemeenschappelijken arbeid, en om wetenschap en deugd te verwerven. Staat eigenlijk opvoedingsinstituut. De filosofen moeten de macht in handen hebben.

b. ’t Zal wel niet gaan zonder strenge tucht. Aristocratie heerscher (door deugd en inzicht verheven). Ieder moet den staat de diensten bewijzen, waarvoor hij ’t meest geschikt is. Drie standen: 1. landbouwer en zaken menschen (werkers); 2. krijgers; 3. beambten of regeerenden. De twee laatsten hebben geen privaatbezit en worden door 1 onderhouden. Met 1 houdt hij zich niet bijzonder bezig.

c. De staat zal uitmaken, hoeveel kinderen zullen gekweekt worden; zal de ouders bijeenbrengen en ’t kind bij de geboorte overnemen. Men zal zorgen zoo min mogelijk kinderen van slechte ouders te krijgen (wegmaken, vruchten afdrijven). De kinderen en ouders mogen elkaar niet meer kennen. De staat plaatst ieder in de klasse, waarin ze passen.

Krijgers opgevoed met gymnastiek en muziek (deze zeer hooggesteld). Krijgers en regenten zoo weinig mogelijk privaat belangen (geen eigendom). Gemeenschappelijke woningen en maaltijden. Vrouwen zullen ook aan oorlog en staatszaken deelnemen. Rechters en dokters zullen weinig te doen hebben. Voor zulke menschen behoeft men weinig moeite te doen.

In hoofdzaak naar Spartaansch model; maar belangrijkste dingen niet (phil. reg.). Zooals in physica: wereldvormer noodig om materie aan idee te onderwerpen, zoo hier absolute macht om egoismus der individuen te beteugelen. [II-1756-784]

9. godsdienst en kunst

Hierover slechts bij gelegenheid gesproken. [II-1 785-804]

10. latere vorm van platonische leer

Volgens Ar. naderhand gewijzigd: ideeën alleen op natuurdingen toegepast en als getallen beschouwd (ideaalgetallen). In ’t geschrift “de wetten” wil Plato aangeven hoe de staat zonder ideale grondslag toch nog haar opgave vervullen kan (blijken van hoogeren leeftijd: dogmatismus, getallensymboliek). Godsdienst komt hier in de plaats van de filosofie. In ander opzicht de wiskunde (Pythagoreisch). Zij doet ons in de ordening der sterren de goddelijke wijsheid erkennen. Men moet de gelijkheid en hetzelfde en het overeenstemmende in het getal eeren en in alles wat schoon en goed is. De staat is nu meer bereikbaar voor gewone menschen (Gesetze niet verder van Republiek dan 2e deel van Faust van eerste). Waarschijnlijk na dood door een ander uitgegeven; dus laatste hand niet aan gelegd. [II-1 805-835]

 

IV. Platonische School

Tuin bij de academieplaats verzamelplaats, die van den een op den ander overging.

1. Speusippus neef van Plato (de oudere academie behield en vervolgde Plato’s leer, maar vooral de latere jaren). Volgens Sp. moest men alles weten om iets te kunnen weten; n.l. hoe zich iets van iets anders onderscheidt. De getallen treden geheel in de plaats van de ideeën. Er zijn 5 elementen (ook de ether).

2. Xenocrates. Schreef vele math. werken. Voor de oergronden: éénheid en tweeheid (vader en moeder der goden). Uit de verbinding daarvan ontstaan de getallen (niet tijdelijk ontstaan). Getal = idee. Ethiek uitvoerig behandeld. Het voordeel der filosofen bestaat hierin, dat zij vrijwillig doen, waartoe anderen de wet dwingt.

3. overige leden

Heraclides evenals Plato de sterren als zichtbare goden beschouwd (naast onzichtbare god). Met Hicetas en Ekphantus draaiing aarde om as.

Epinomis. Voor alle ware inzicht is de kennis der getallen nodig (zonder dat dapperheid en zelfbeheersching enz. niets waard). Alle kunsten hebben haar noodig; zonder haar wanorde en slechtheid, met haar rechtvaardigheid en schoonheid. Toppunt de sterrekunde, die te doen heeft met het schoonste en goddelijkste van het zichtbare; zij maakt ons bekwaam de hemelsche goden te vereeren. [II-1 835-900]

 

V. Aristoteles

 

1. Levensloop

Geboren 384 v. Chr. in Stagira (Thracië). Vader Nikomachus was lijfarts en vriend van macedonische koning Amyntas. Weten niets van opvoeding voor komst in Platonische school (in 18e jaar in Athene en in Plat. school). Hiertoe behoorde hij 20 jaar; tot dood des meesters. Waarschijnlijk ook deze tijd gebruikt voor geleerdheid in natuurwetenschap en zelf onderwijs in rhetorica gegeven. De geschriften uit dezen tijd bootsten leeraar naar inhoud en vorm na. Verbleef bij vriend Hermias en huwde met diens familielid Pythias. 343 naar macedonische hof om 13-jarige Alexander op te voeden (van onderwijs ook heel weinig bekend). Alexander door edelmoedigheid, zedenreinheid en beschaving boven alle andere wereldbedwingers uitgemunt; wel voor een deel aan opvoeder te danken. Na 16 jaar niet meer geregeld voortgezet (oorlogen). 13 jaar na Plato’s dood keert hij weer naar Athene terug en werkt hier 12 jaar. Alle leerschriften nu geschreven en school gehouden (in de lanen van ’t gymnasium op en neer wandelend). Verzamelde zich met leerlingen in gemeenschappelijke maaltijden. De eerste, die een groote bibliotheek aanlegde (welgesteld en koninklijke hulp). Verwandte Kallisthenes door A. aan Al. aanbevolen, verdacht van verraad; gedood; nu ook A. verdacht. Na dood van Alexander Aristoteles door Atheners aangeklaagd. Nam de vlucht en als leeraar door Theophrastus opgevolgd (erfde later ook zijn boeken). Stierf spoedig (322 v. Chr.). [II-2 1-50]

2 en 3. geschriften van Aristoteles

Verschillende lijsten geven 40 boeken. De grootste ruimte nemen de natuurwetenschappelijke werken in (physica, hemel, ontstaan-vergaan, meteorologie, nat. historie),. Er zijn zeer vele onechte werken van perip. school. Exoterische en Akroa[ma]tische geschriften. De eerste voor groote menigte bestemd (bijna geheel verloren); de tweede leerschriften voor leerlingen. De eerste door Ar. zelf uitgegeven; de tweede na zijn dood. Er wordt namelijk telkens naar latere verwezen. De meesten door Aristoteles wel zelf opgesteld, na ’t onderwijs. Volgorde: 1. logische; 2. natuurwetenschappelijke; 3. ethiek; 4. politiek [II-2 50-160]

4. standpunt; methode; indeeling

Ondanks de voortdurende polemiek tegen Plato toch een voortzetting van diens begripsfilosofie. Philosofie meer dan Plato van ’t praktische leven afgescheiden en met de ervaring in verbinding gebracht: 1. de praktische werkz. heeft haar doel in het voortgebrachte; ’t kunstenaarswerk in ’t resultaat; 2. wetenschap heeft wel met het algemeene wezen der dingen te doen; maar moet het gegevene, de verschijnsels daaruit verklaren. Is niet zoo streng als Plato in het afscheiden van ’t streng wetenschappelijke; alles moet niet op dezelfde wijze behandeld worden.

Gaat evenals S. en P. de begrippen van de dingen eerst opsporen (uit heerschende meeningen, andere filosofen, beteekenis der woorden). Alles dialectisch behandeld: verschillende opvattingen tegen elkaar gesteld. De physische dingen moeten er ook door verklaard worden. De natuurkundige moet eerst de verschijnselen kennen, dan naar oorzaak zoeken. De emp. vorsching begon echter pas; dus dial. deel staat vooraan.

Slechts het in ’t begrip gedachte is wezenlijk. Het overige voor zoover het daaraan deelneemt. Principe: het begrip behoort tot de dingen (niet een aparte wereld). Zinnelijke = stof (als anlage, streeft naar de vorm); onzinnelijke = vorm (tot werkelijkheid ontwikkeld, moet zich in de stof verwezenlijken). Toch blijft ook hier de onmogelijkheid een werkelijke eenheid te doen ontstaan uit deze 2 grond-tegenstellingen.

Indeeling: 1e philosophie (A.): logica, metaphysica (theologie); 2e philos., prakt. wet. (A.): physica, ethica. [II-2 160-185]

5. logica

Aristoteles heeft logica geschapen; maar alleen als wetenschappelijke techniek. Studie van bewijsvoering.

De ziel moet haar weten reeds in zekeren zin bij zich dragen (Plato herinnering vroeger leven) in de ziel ligt de mogelijkheid van het erkennen der hoogste principes reeds. Men begint deze principes door “geistige anschauung” door inwerking van het gedachte op den denkenden geest (evenals de waarneming door inwerking van het waargenomene op het waarnemende). Tijdelijk klimmen we langs de voorstellingen in omgekeerde volgorde als begriplijk.

Ontstaan weten. Zinnelijke waarneming. Deze neemt enkele dingen waar, maar daarin het algemeene (niet een tode [dit], maar een toionde [zulk). Uit hare waarneming kan zich dus het algemeene ontwikkelen. Vele ervaringen geven algemeene uitspraken, tot men eindelijk de algemeenste gronden krijgt.

bewijs –> leidt het bijzondere uit het algemeene af (algemeene = an sich zekerder)

inductie –> leidt het algemeene uit het bijzondere af (bijzondere = onzekerder)

’t algemeene (afgeleide wezensbestemming = eigenschap; wezen zelf = gattung) –> wat meerdere dingen toekomt

art = samengesteld uit gattung en artbildende eigenschappen. Wordt het eindelijk zoo bepaald, dat het maar op een voorwerp past dan krijgen we het begrip. Het begrip is de gedachte van het wezen. Wat onder één begrip valt is identisch, anders verschillend (voor volkomen identiteit is echter ook nog dezelfde stof nodig).

contrair tegengesteld –> wat in dezelfde gattung er zoover mogelijk vandaan ligt

contradict tegengesteld –> waartusschen niets in ligt, waarvan ieder voorwerp het eene of het andere moet hebben; begrippen zijn niet waar of valsch; dit komt eerst in “satz” of oordeel.

Onderscheidt copula nog niet van praedicaat.

Quantiteit der oordeelen (algemeen, particulier, individueel).

Modaliteit des oordeels (werkelijk, noodzakelijk, mogelijk).

Disjunctieve, hypoth. niet behandeld. De leer van het besluiten is zijn eigen ontdekking. Besluit = gedachtenverbinding, waardoor uit zekere aannamen iets nieuws van zelf volgt. Ieder besluit moet 3 begrippen bevatten, waarvan 1 en 2 in 2 oordeelen met het 3e verbonden waren, en nu onderling verbonden worden.

Er zijn 3 soorten: a. middelbegrip = subj. hooger en praed. lager; b. middelbegrip = praed. van beide; 3. middelbegrip = subj. van beide; d. middelbegrip bespreekt A. niet, kan ook bij strenge redeneering niet voorkomen. Zo de kategorische schlussvorm; 4e figuur ontbreekt.

Dit echter zeer in bijzonderheden behandeld. Ieder bewijs is een besluit; alleen een wetenschappelijk besluit is een bewijs. Een bewijs en een erkennen is slechts daar, waar iets uit zijn oorspronkelijke oorzaken verklaard wordt. Dat bewijs, dat oorzaken verklaart is beter dan hetgeen alleen vaststelt.

Van ’t algemeene naar ’t bijzondere en omgekeerd zijn grenzen. Wij eindigen of beginnen bij het onmiddellijk zekere. Van alle grondstellingen is het zekerste de satz des widerspruchs (hiernaast het uitgesloten derde).

Wat voor een bewijs vatbaar is moet door inductie afgeleid worden. Alle inductie is echter onzeker. Vergoeding in waarschijnlijkheidsbewijzen (dialectiek bij A.). Zulk een onderzoek gaat uit van de heerschende aanname der menschen en wijst de verschillende opinies af.

Voor definitie noodig indeeling bij het dalen van algemeen naar bijz.; samenvatting bij het klimmen van bijz. tot algemeene (van de kenmerken). De bovenste gattungsbegrippen zijn niet te vereenigen; dus zooveel wetenschappen als gattungsbegrippen. Deze hoogste gattungsbegrippen worden in de kategorieënleer behandeld (verbinding tusschen logica en metaphysica). [II-2 185-258]

6. metaphysica

A. Inleidend onderzoek

1. Kategorieën (wat men van het werkelijke zeggen kan): substantie; quantiteit; qualiteit; relatie; waar; wanneer; ligging; hebben; werken; lijden. a. hiertoe niet de zóó algemeene begrippen, dat men het van de verschillendste dingen zeggen kan (het zijnde, het ééne; b. ook niet het bepaaldere, waardoor concrete toestand, physische, ethische eigenschappen worden aangeduid; c. niet de metaphysische begrippen, die de concrete eigenschappen en vorgänge verklaren (wenselijk, mogelijk, vorm, stof): niet op ’t formale zooals kat. maar op het reale hebben ze betrekking.

De kategorieën willen niet de dingen beschrijven zooals ze werkelijk zijn; maar geven de verschillende zijden aan, die men hierbij in ’t oog kan vatten. Het vakwerk houdt hij voor volledig. Principe voor afleiding is niet te vinden. In latere geschriften slaat hij wel eens echein en keisthai over, als hij een schijnbaar volledige optelling geeft (ti esti, poson, poion, pros ti, pou, pote, keisthai, echein, poiein, paschein)

[1. ]1. substantie is de gewichtigste kategorie (einzelsubstanz). [1. ]2. Wat verdeelbaar is, is een quantum (deelen gescheiden = discreet (menge); deelen samenhangend = continue (grösse. .). In een bepaalde “Lage” = ruimtelijk; in een bepaalde “orde” = onruimtelijk. Wat in deelen verdeelbaar is, laat zich ook weer voor de voorstelling uit deelen samenstellen = is meetbaar. [1. ]3. De qualiteit = onderscheiden, waardoor ’t begriplijk geheel gedeeld wordt (a. wesensbestimmung; b. bewegung und thätigkeit).

Aristoteles komt zelf in de war bij de verdeeling: moet dun en dicht, ruw en glad tot qualiteit gerekend worden of een keisthai (ligging der lichamelijke deeltjes). Latere niet uitvoerig behandeld.

2. Eerste filosofie = wetenschap van het zijnde (ook theologie genoemd door A.). Deze moet alles tot haar laatste oorzaken terugbrengen (op het onbeweegde en onstoffelijke). Zij behandelt alleen de eigenschappen, die al het zijnde, als zoodanig toekomen.

3. Behandeling der metaphysische grondvragen bij voorgangers.

[3. ]1. Is het werkelijke stof of onstoffelijk? [3. ]2. Wat is het oorspronkelijke: de “einzelwesen” of de algemeene begrippen? [3. ]3. Kan één tegelijk veel zijn? [3. ]4. Kan iets in iets anders overgaan? Is ontstaan, vergaan en bewegen mogelijk? [II-2 258-303]

7. [Vervolg]

B. Metaphysisch hoofdonderzoek

1. Het afzonderlijke en het algemeene

Volgens Plato is het algemeene, dat in een “soort” ligt, het wezen der dingen. Volgens A. blijft dit steeds praedicaat, wordt geen subject. Het algemeene heeft zijn bestaan slechts in het enkele. Het enkele is de substantie. Toch heeft de wetenschap met het algemeene te maken (moeilijkheid in systeem).

2. Vorm en stof; het werkelijke en mogelijke

Voorwerp van het weten is de onzinnelijke vorm. Het worden = een stof neemt een bepaalde vorm aan. Oorspronkelijk moet de mogelijkheid aanwezig zijn, die werkelijkheid wordt (de beschaafde mensch ontstaat uit de onbeschaafde, maar die als mensch de kiem er toe in zich heeft). Het warme wordt koud niet dat de warmte zich in het tegendeel omzet, maar de drager, het subject, verwisselt de eene eigenschap voor de andere. De grondslag van het gewordene is de stof (het mogelijke). De stof = ’t potentieele zijn; de vorm = begriplijke wezen van een ding = werkelijkheid. Stof is iets anders dan materie; ook ’t onstoffelijke, dat zich in de begrippen en math. figuren bevindt en zich daartoe evenzoo verhoudt, als in de lichamen de materie tot het lichaam (begrip: gattung = stof; artunterschied = vorm; heelal: buitenste spheren – elementen = vorm; binnenst = stof; levende wezen: ziel – vorm; lichaam – stof).

Er zijn trappen te onderscheiden in de ontwikkeling van stof tot vorm. De mogelijkheid wordt langzamerhand werkelijkheid.

4 oorzaken zijn er: 1. stoffelijke = noodzakelijke (werking materie); 2. begriplijke of formale = eindoorzaak (werking begrip); 3. bewegende; 4. eindoorzaak. 3 en 4 valt samen met het begin van de zaak; 2, 3 en 4 eig[enlijk] één. Toevallig is alles, wat niet in ’t wezen van een ding opgesloten ligt. Dat het bestaat, bewijst hij uit wilvrijheid. Al ’t eindige heeft de mogelijkheid van zijn en niet zijn in zich.

Stoffelijke oorzaak: de stof verzet zich tegen de vorm. Daardoor de dieren onvolkomen gevormd (niet menschen nog geworden). De vergankelijkheid van ’t aardsche is ’t gevolg van de stoffelijke natuur. De vorm is steeds iets algemeens. En ’t bijzondere is alleen! Toch noemt hij de vorm: substantie.

3. De beweging en het eerst bewegende

Beweging = overgang van de mogelijkheid tot de werkelijkheid. Er is noodig: het bewegende (vorm) en het bewogene (materie). Het bewegen geschiedt door aanraking. Het denken zal het gedachte door aanraking in zich opnemen.

De beweging heeft begin noch einde; evenmin de wereld. In ander opzicht is er wel einde: er moet een “bewegendes” zijn, dat niet weer door iets anders bewogen wordt. a. beweegt alleen: godheid; b. beweegt en wordt bewogen: natuur; c. wordt alleen bewogen: stof ; –> Godheid afgeleid uit zelfbeschouwing en beschouwing des hemels.

Het eerste bewegende = onruimtelijk en onstoffelijk = zuivere energie = absolute werkelijkheid. Slechts het zuivere denken evenwel is vrij van stoffelijkheid. God is de absolute denkwerkzaamheid. God kan alleen het beste denken en dat is hij zelf, dus zijn denken is het denken van het denken. Het denken en zijn voorwerp valt bij God samen (dit is absolute zaligheid) (God wil dus niet; hiermee persoonlijkheid verloren). [voor zwart geblokte later twee strepen gezet] [II-2 303-384]

8. physica

A. Natuur en algemeene gronden van ’t natuurlijke zijn

Physica behandelt: het bewogene en lichamelijke. Het lichamelijke alleen voorzoover het beweging en rust toekomt. De mathem. lichamen behooren er niet toe. Deze heeft niet met beweging te maken. Het bewogene is ook slechts natuurding voorzoover het de grond der beweging in zich zelf heeft. Het blijft duister, welke krachten dit doen. God geeft alleen de eerste beweging en toch ook weer moet de natuurkracht een uitvloeisel daarvan zijn.

3 bewegingen: quantitatief = toename of afname; qualitatief = verandering; ruimtelijk; plus 4. ontstaan-vergaan. Alles berust ten slotte op het 3e. 2e kan alleen ontstaan door inwerking van een handelend op een lijdend en dit kan alleen door aanraking, waarvoor beweging noodig is. Toch bestrijdt hij atomici, die alles willen verklaren door ruimtelijke beweging der atomen (alle worden is een ontwikkeling, niet alleen verplaatsing). Het onbegrensde bestaat als iets mogelijks; niet werkelijk. Verdeeling en vermeerdering kan steeds voortgezet, nooit beëindigd worden. Ruimte = grens van het omsluitende tegen het omslotene lichaam. De ruimte in ’t geheel wordt gevormd door de grenzen der wereld. Tijd = maat of getal der beweging.

Uit ruimtedefinitie volgt, dat geen leege ruimte mogelijk is. Ook anders uitvoerig bestreden (men kan zich niet voorstellen, dat een lichaam in ’t ledig naar een bepaalde richting zich zou bewegen: ’t geeft in alle richtingen evenveel mee).

Tijd is oneindig, zonder begin of einde. Zonder ziel zou ze er niet zijn (het getal is er niet zonder het tellende). Ruimte en tijd zijn nog geen abstracties of waarnemingsvormen (niet te scheiden van de lichamen en de beweging). In cirkelbeweging is de begrensdheid der ruimte met onbegrensdheid vereenigd.

Bestrijdt atomistiek. De stoffen zijn qualitatief verschillend en kunnen in elkaar overgaan. Vooral zwaartekracht bezwaar (maar met feiten onbekend).

God en de natuur doen niets zonder doel. De natuur streeft naar het meest volkomene. Het zoeken der eindoorzaken = hoofddoel der natuurvorsching. De werken der kunst hebben het bewegingsprincipe buiten zich, die der natuur in zich. De stof werkt de vorm tegen; zoo allerlei onregelmatigheden verklaard (misgeboorten enz.) Ook zelfs als ’t kind niet op den vader gelijkt en al ’t vrouwelijke, omdat de vormende kracht van den man de stof der vrouw niet kon overweldigen. Dieren en menschen enz. [II-2 384-431]

9. [Vervolg]

B. Heelal en Elementen

Heelal is ongeworden (eerste) en heeft geen einde. Dus niet ontstaan maar beschrijving. Er is aardsch deel (rechtl. bew.) uit 4 elementen; hemelsch deel (cirkelv. bew.) uit ether.

Warm-droog = vuur; warm-vochtig = lucht; koud-vochtig = water; koud-droog = aarde. Hemel is bolvormig, omdat ze de geheele ruimte inneemt en zich dus in zichzelf beweegt. Eudoxus van Knidos had 27 sferen noodig. Calippus 34. Aristoteles bevestigt ze alle aan elkaar en nu moeten weer telkens na een planeet eenige volgen om de vorige bewegingen op te heffen. Zoo 33 + 22+ 1 = 56. [II-2 431-478]

10. [Vervolg]

Nat. historie

A.kent de zenuwen nog niet: het vleesch empfindet. A. veel studie van dieren gemaakt. [II-2 479-563]

11. [Vervolg]

De mensch

De mensch is het volmaaktste wezen; dus de anderen zijn tot zijn gebruik bestemd (het minder volkomene heeft aan het meer volkomene zijn doel). Wil = van ’t verstand geleide begeeren. De vrije wil laat het verstand op ’t begeeren inwerken (bewezen uit algemeen erkende vrijwilligheid der deugd en toerekenbaarheid). [II-2 563-607]

12. [Praktische filosofie]

[A] Ethik

1. hoogste goed = zuivere verstandswerkzaamheid

2. de natuur”anlage”, heeft men niet in zijn macht; maar deze is nog geen deugd. De deugd heeft men wel in zijn macht. Kinderen en slaven hebben nog geen deugd; omdat ze nog een onvolkomen wil hebben. [II-2 607-672]

13. [Vervolg]

[B] Politik

Zonder wetten en opvoeding is de mensch niets. Dus de staat brengt de ethik tot voleinding. De staat zorgt niet alleen voor uiterlijk welzijn maar voor gelukzaligheid. Diegenen behooren slaven te zijn, die door de natuur daartoe bestemd zijn (alleen tot lichamelijke verrichtingen in staat). Geen gemeenschap van goederen, kinderen, vrouwen (als bij Plato) (in overeenstemming met metaphysica).

Staatsleer = onderzoek van wat onder gegevene omstandigheden het best bereikbare is (einzig und unerreicht, Z[eller?]).

I. voordeel van staat [ = indien gericht op gemeinen Besten]: koningdom; aristocratie; politie; voordeel van regeering [= indien gericht op voordeel des Herrschers]: tyrannie; oligarchie; democratie; II. deugd = aristocratie; rijkdom = oligarchie; vrijheid = democratie; III. openlijke [Zeller: obrigkeitlichen] ambten verdeeld naar lot = democratie; beschaving = autocratie; monarchie: koningdom [indien] naar wet; [anders] tyrannie. [II-2 672-754]

15. Aesthetica

Het wezen der kunst bestaat in nabootsing. [II-2 763-754]

18. Tot een meer naturalistische wereldbeschouwing komt de Peripatetische school. Theophrast nam de school van Aristoteles over. Boeken over botanie, metaphysica en geschiedenis physica. Evenals A. godheid “schlechthin” de eeuwige bewegingsoorzaak; maar ook de hemelsche sferen goddelijke wezens. Bezwaren tegen de 4 elementen: aarde niet zonder vocht. Vuur komt niet ongemengd voor. In oudheid en middeleeuwen geen beter boek over plantkunde. In ethik op privaatbezit gericht. Trouwen niet wenschelijk; belet rustig werken. [II-2 806-864]

19. Eudemus naast Th. de voornaamste. Schuift tusschen ethik en politik de oeconomie in. [II-2 869-897]

20.Strato leerling van Th. was vooral natuuronderzoeker. Geeft de godheid als een van de natuur gescheiden wezen op en neemt de natuur als kracht zonder bewustzijn en verstand. Toch tegen Democritus; kon zich geen ondeelbare lichamen en onbegrensde leedige ruimte denken. Warmte is het hoofdprincipe dat de qualiteiten bewerkt. Tegen Aristoteles kende hij aan alle lichamen zwaarte toe. Slechts (A. vuur absoluut licht) met relatieve zwaarte te maken. Tijd is geen getal. Een getal is discreet, de tijd continue. Tijd = grootte der “thätigkeiten”, de grootte of maat der beweging en rust. Hij onderscheidt van den tijd, wat in den tijd plaatsvindt. Dus dag en jaar zijn geen deelen van den tijd. [II-2 897-921]

 

IIIe PERIODE
Inleiding

Gemeenschappelijke grondfout van Plato en Ar. phil. ligt hierin: overwicht dialect. methode boven waarneming (begrippen, die het wezen der dingen uitdrukken, uit de heerschende aannamen en het spraakgebruik logisch af te leiden). (Plato ’t ergste natuurlijk, want begrippen uit herinnering).

Richting van ’t Grieksche volk, geestelijk en natuurleven één. De godsdienst leidde er toe natuurleven als menschelijk op te vatten. Zoo aan de geest te veel waarde toegekend. Onderscheid tusschen objectief en subjectief eerst duidelijk, als individualiteit meer op den voorgrond trad (christenen, germanen). Toestand Griekenland hopeloos. De filosoof trekt zich in zich zelf terug. Moraal gescheiden van politiek. Stoische, Epicurische, Skeptische school van begin 3e eeuw tot einde 2e eeuw, 300-100. Nieuw pythagoreeërs en platonici daarna. Theoretische bij ’t praktische achter in alle 3 scholen. Eenige weg tot gelukzaligheid = gemoedsrust en afwering van storingen. Men laat af van wetenschappelijke productiviteit (skeptische loochening van alle weten of aansluiten bij oude systemen). Verdieping van ’t zelfbewustzijn is doel.

Stoici zoeken ’t algemeene: mensch moet daarin opgaan; denkend wezen; Epicurici zoeken ’t individueele: losmaken van de buitenwereld; empfindend wezen. Vrijheid van ’t zelfbewustzijn is ’t gemeensch. doel, dus blijkbaar van het systeem onafh. omdat ’t op verschillende wijzen te vinden is. Zoo: Skeptici, zoeken gemoedsrust uit bewustzijn van niet weten; onverschilligheid.

Eerst afzonderlijk naast elkaar; maar onder de heerschappij der praktische Romeinen: eklecticismus. Door vermenging met Oostersche elementen ontstond in Alexandrië school, die zich nu platonisch, dan pythagoreisch noemde en eindelijk als nieuw-platonismus heerschappij kreeg. De menschheid kan nu alleen waarheid van godheid krijgen door demonen of goddelijke openbaring. Vermenging grieksche wetenschappelijke vormen met Oostersche mystiek. Met Grieksche godsdienst gaat nu ook filosofie onder. [III-1 1-25]

 

I. Stoïsche filosofie

Stichter was Zeno (320 v. Chr. geboren in Cyprische stad Citium). Chrysippus, Eratosthenes behoorden er toe. Werken bijna geheel verloren. Bronnen zijn nu: Seneca, Marcus Aurelius, Cicero enz.

Doel der filosofie = deugd beoefenen. Deugd = zich aan de wereldorde onderwerpen. Daarom moet men haar natuurlijk kennen. 3 deelen filosofie = logik (hulpmiddel), physik (wereldorde), ethik (deugd beoefenen).

1. logica. Waarneming is de bron van voorstellingen. Hieruit ontstaat herinnering; daaruit de ervaring. Uit ervaring worden besluiten getrokken. De begripsvorming is methodisch of van zelve (choinai ennoiai) = (niet aangeboren dus).

2. physica. Hierbij vallen op: materialismus, dynamische wereldbeschouwing en pantheïsmus.

3. ethika. De affecten komen voort uit verkeerd begrip van natuurwet. Ze ontstaan uit valsche voorstellingen. Er zijn wijzen en dwazen. Bij praktische moraal overeenkomst met cynici (vrouwengemeenschap, knapenliefde). Hoewel zedelijk leven persoonlijk boven twijfel verheven. Verschil met cynici: dezen beschouwden zich onafhankelijk van de maatschappij; geen studie van natuur en maatschappij noodig. [III-1 26-363]

 

II. Epicureïsche filosofie

Epicur geboren 341 v. Chr. op Samos. In 306 te Athene school gesticht. De Romeinsche Lucretius een der bekendste volgelingen (veel later). School bleef tot 4e eeuw na Christus bestaan.

Eenzijdig praktische filosofie (veel verder dan Stoici). 3 deelen: kanonik, physik, ethik.

1. Kanonik = kriterium de waarheid zoeken (formale onnoodig). De zinnen kan men volkomen vertrouwen; het oordeel is niet altijd juist.

2. physik belangrijker om praktische beteekenis. Zooveel mogelijk uit natuurlijke oorzaken verklaren, niet uit doel. Physica moet den mensch van zijn vooroordeelen bevrijden.

3. ethik. Het eenige goed is de lust; ’t kwaad de smart (pijn). Het geestelijk genot staat echter hooger dan ’t lichamelijk. Verstand is hoofdzaak; de wijze kan onder grootste pijn gelukkig zijn. De deugd wordt niet om haar zelf, maar als middel om onrust te verliezen nageleefd. De wijze beperkt de begeerten. Vliedt hartstochten en vrees. Vriendschap zeer hoog gesteld. [III-1 363-477]

 

III. Skepsis. Pyrrho en de Nieuwere Academie

I. Skepsis geeft de aanspraak op alle weten op. Pyrrho stichter; Timon voornaamste leerling. a. De zinnen bedriegen ons; men ziet alleen hoe de dingen schijnen. b. Het verstand is ook niet zeker; het zekerste is nog het ethisch gebied en ook hier berust het op gewoonte en erfelijkheid. [III-1 478-490]

II. De Nieuwere Academie en Plato’s school nu tot de skepsis overgegaan. Kameades hoofdpersoon.

1. bestrijding dogmatiek. De voorstellingen kunnen ons geen waar weten geven. Men heeft geen middel het ware en valsche te scheiden.

2. waarschijnlijkheid. Wij moeten ons toch door sommige veronderstellingen in ons handelen laten leiden. Wij kennen ze echter niet waarheid, maar schijn van waarheid toe. Als de schijn van waarheid groot genoeg is, bewerkt ze in ons een geloof. a. eerste graad als een voorstelling den indruk van waarheid geeft; b. tweede graad als zij bekrachtigd wordt door alle met haar in verband staande voorstellingen; c. derde graad, als een onderzoek van deze laatste ook weer dezelfde bekrachtiging heeft gevonden. Nu heeft men voor ’t eene de zwakkere, voor ’t andere de hoogste graad nodig. De vraag naar de zedelijke grondstellingen heeft ’t hoogste belang; dus uitvoerigst onderzoeken. [III-1 490-527]

 

IV. Eclecticismus

1. Karakter

In de tweede eeuw langzamerhand de Grieksche filosofie bij de Romeinen gekomen. Grieksche geleerden kwamen naar Rome. Cicero en Lucretius maakten de filosofie voor de Romeinen geschikt; maar Romeinsche invloed laat zich gelden. Ook op Grieken zelf invloed van trotsche en wilskrachtige Romeinen. Zoo ’t praktische er uit gezocht.

Eclecticismus neemt onmiddellijke waarheden aan (niet zooals Plato en Stoicismus op ervaring berustende); zoo overgang tot openbaringsfilosofie (waartusschen nog een nieuw scepticisme, toen men zag dat de stellingen der verschillende systemen zich niet lieten vereenigen). [III-1 528-545]

6. Cicero, Varro

Cicero had met de verschillende richtingen kennisgemaakt en veel gelezen (niet grondig genoeg om groot geleerde te heten). Op ouderen leeftijd te boek gesteld om Romeinen er mee bekend te maken. De mensch weet niets zeker, maar ’t eigenlijke doel der filosofie laat zich toch bereiken, we weten het belangrijkste toch zeker genoeg. Beste filosofie is die van Socrates. Door hem voor ’t eerst uitgesproken de onmiddellijke zekerheid (aangeboren weten).. Recht en zedelijkheidsbewustzijn is den mensch aangeboren. Plato –> herinneringen vroeger leven; Aristoteles –> inductie; Stoici –> directe afleiding uit ervaring.

In ethik geslingerd tusschen stoïci (te streng) en nieuw-academici. Varro had veel minder invloed. [III-1 648-675]

8. Seneca

Invloedrijk woordvoerder der Stoicijnen in tijd keizer Nero. Voor de wijsheid is geen geleerdheid nodig; het is een eenvoudige zaak. Physica echter belangrijk, omdat ze inzicht in de dingen des hemels geeft; ethica in de dingen der menschen. Meent het echter niet zoo erg. Natuurwetenschappelijk werk heeft echter geen groote waarde. Marcus Aurelius ook stoicijns. [III-1 693-726; 754]

10. Cynici des Keizertijds. [III-1 763]