Categorie archief: Bio- en bibliografie

Primaire bibliografie van het werk van Obe Postma

VerantwoordingHieronder volgt in chronologische volgorde een overzicht van het werk van Obe Postma dat in de loop van zijn leven (1868-1963) is verschenen. De bibliografie is samengesteld door Bauke van der Veen (It Beaken, jaargang 20, 1958, pag. 133-144 en It Beaken, jaargang 28, 1966, pag. 94-96), verbeterd en aangevuld met behulp van de gegevens die men kan vinden in A. Feitsma’s artikel ‘Obe Postma, un tachtiger yn Fryslôn’ (Trotwaer, 13e jaargang, 1981, pag. 12-65) en met behulp van de gegevens die Roel Demmink aan Philippus Breuker heeft doorgegeven. De bibliografie kon verder worden gecorrigeerd en aangevuld dankzij de inlichtingen verschaft door Philippus Breuker en Tineke Steenmeijer-Wielenga en na het raadplegen van Brinkman’s Catalogus en de online publiekscatalogus van Tresoar. Postume publicaties van Postma’s werk zijn in deze lijst niet opgenomen, omdat het dan meestal herdrukken betreft. Ook is afgezien van het opsommen van de bronnen van publicaties van de afzonderlijk verschenen gedichten, aangezien die reeds achterin de recent verschenen Samle fersen (2005) worden genoemd. Met betrekking tot die laatstgenoemde categorie, is een uitzondering gemaakt voor die publicaties die in Postma’s studententijd zijn verschenen en die niet in de door hemzelf samengestelde bundeling van zijn verzamelde gedichten opgenomen zijn (Samle fersen, 1949). Werk dat niet tijdens Postma’s leven is gepubliceerd, kan behalve in de laatste editie van zijn verzamelde gedichten, onder andere ook op deze website worden gevonden.

De publicaties zijn als volgt geordend: werk waarvan in de bron de datum, de week of de maand wordt genoemd komt onder het jaar van verschijnen het eerst aan bod, daarna volgt alfabetisch op titel het werk waarvan in de bron die meer nauwkeurige datering ontbreekt. Wat betreft de plaats van uitgave en de naam van de uitgever: die zijn, voor zover bekend, alleen weergegeven als het om monografieën gaat; dus niet bij jaarboeken, periodieken of kranten.

Ook deze bibliografie is niet compleet en waarschijnlijk ook niet foutloos, zo ontbreken bijvoorbeeld de zesde en zevende druk van J. Kors’ Beschrijvende meetkunde, waarvan in 1912 de vijfde door Postma herziene druk verscheen en in 1927 de achtste. Omdat echter nergens in de bestaande bibliografische beschrijvingen en catalogi de zesde en zevende drukken kunnen worden gevonden, konden die hier ook niet worden genoemd, ook al zullen ze er (geweest) zijn.

Graag spreek ik mijn dank uit aan iedereen die zijn of haar gegevens beschikbaar heeft gesteld om deze digitale publicatie mogelijk te maken. Ik hoop dat ieder die belang stelt in de persoon en/ of het werk van Obe Postma op een gemakkelijke en toegankelijke manier geholpen is met dit overzicht.

Jelle Krol, vakreferent Tresoar

1886
O. [volgens A. Feitsma is O. waarschijnlijk: Obe Postma], Lente-liefde, in: Almanak van den Amsterdamschen Studentenbond voor het jaar 1887, [verschenen eind 1886], 4-5.

O. [volgens A. Feitsma is O. waarschijnlijk: Obe Postma], In Frysk liet, in: Almanak van den Amsterdamschen Studentenbond voor het jaar 1887, [verschenen eind 1886], 4-5.

1887
Memini [volgens A. Feitsma is Memini waarschijnlijk: Obe Postma], Stille boden, in: Almanak van den Amsterdamschen Studentenbond voor het jaar 1888, [verschenen eind 1887], 5-6.

Memini [volgens A. Feitsma is Memini waarschijnlijk: O. Postma], Hwet ik woe, in: Almanak van den Amsterdamschen Studentenbond voor het jaar 1888, [verschenen eind 1887], 73-74.

1888
O. [volgens A. Feitsma is O. waarschijnlijk: Obe Postma], De dichter, in: Almanak van den Amsterdamschen Studentenbond voor het jaar 1889, [verschenen eind 1888], 4-5.

1890
O. Postma, Over latijn en grieksch en nog wat, in: Alma Mater, Orgaan van den Amsterdamschen Studentenbond, nr. 8, (Vrijdag 16 Mei).

[Niet ondertekend artikel; volgens A. Feitsma waarschijnlijk van Obe Postma], Goud of wat anders, in: Alma Mater, Orgaan van den Amsterdamschen Studentenbond, nr. 11, (Dinsdag 1 Juli).

P. [volgens A. Feitsma waarschijnlijk Obe Postma] recensie van: Graaf Essex, treurspel in 5 bedrijven en 7 tafereelen, door Heindrich Laube, in: Alma Mater, Orgaan van den Amsterdamschen Studentenbond, nr. 14, (Donderdag 16 October).

[Niet ondertekend artikel; volgens A. Feitsma waarschijnlijk van Obe Postma], Bondsnieuws, in: Alma Mater, Orgaan van den Amsterdamschen Studentenbond, nr. 14, (Donderdag 16 October).

1892
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 8 okt. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 17 okt. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 31 okt. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 7 nov. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 14 nov. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 21 nov. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 28 nov. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 5 dec. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 12 dec. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 19 dec. 1892.
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 24 dec. 1892.

1893
Brieven uit Amsterdam, in: Leeuwarder Courant, 2 jan. 1893.

1895
Iets over uitstraling en opslorping. Proefschrift ter verkrijging van den graad van Doctor in de Wis- en Natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam op gezag van den Rector Magnificus dr. D. E. J. V&ölter, Hoogleraar in de faculteit der Godgeleerdheid in het openbaar te verdedigen op zaterdag 16 februari 1895 des namiddags om 3½ uur door Obe Postma. Groningen, 1895, met stellingen.

1903
Het meten, een kennistheoretische studie. Groningen, Wolters, 1903.

1905
Kors, J., Leerboek der algebra met opgaven, tweede druk nagezien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1903 en 1905, 2 dln.

1906
Iets over de grootheid H. in Boltzmann’s, Vorlesungen über Gastheorie, in: Verslag van de Gewone Vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van 27 januari 1906 [verschenen 7 februari 1906], dl. 14, 602-611. Amsterdam, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1906.

Kors, J., Leerboek der stereometrie met opgaven, tweede druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1906.

1907
Klankboarne, Forjit my net, 1907, nr. 1/2, jan./feb. 1907, 27-38 [recensie].

Beweging van molecuul-systemen waarop geene uitwendige krachten werken, in: Verslag van de Gewone Vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van 30 november 1907, [verschenen 11 december 1907], dl. 15, 332-349. Amsterdam, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1907.

Nog iets over de grootheid H. en de Maxwell’sche snelheidsverdeeling, in: Verslag van de Gewone Vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van 29 december 1906 [verschenen 11 december 1907], dl. 15, 498-506. Amsterdam, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1907.

Kors, J., Beschrijvende meetkunde I, 4e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1907.

1908
Over de kinetische afleiding van de Tweede Hoofdwet der Thermodynamica, in: Verslag van de Gewone Vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van 31 october 1908 [verschenen 12 november 1908], dl. 16, 330-342. Amsterdam, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1908.

1909
Over de grondslagen der waarschijnlijkheidsrekening, in: Nieuw Archief voor Wiskunde, Tweede reeks, achtste dl., 214-240.

1910
De wet van het toeval, in: Nieuw Archief voor Wiskunde, Tweede reeks, negende deel, 1-21.

1912
Gevallen van gelijke kans, in: Archief voor de Verzekeringswetenschap en aanverwante vakken, dl. XIII, aflevering 3, december 1912, 1-6.

Kors, J., Beschrijvende meetkunde Deel I, 5e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1912.

1914
Korte geschiedenis der Rijks Hoogere Burgerschool te Groningen 1864-1914, in: Derde Gedenkboek van de Rijks Hoogere Burgerschool te Groningen. Groningen, Wolters, 1914, 1-20.

Dr. J. Kors, in: Derde Gedenkboek van de Rijks Hoogere Burgerschool te Groningen. Groningen, Wolters, 1914, 24.

1915
Entropie en waarschijnlijkheid, in: Verslag van de Gewone Vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van 30 november 1915 [verschenen 18 december 1915], dl. 24, 896-905. Amsterdam, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1915.

1916
Kors, J., Leerboek der stereometrie met opgaven, 3e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1916.

1918
Yetris “ús ljeave heitelân”, Fryslân, nr. 4, apr. 1918, 99-101.

Over de wrijving in verband met de Brownsche beweging, in: Verslag van de Gewone Vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van 29 september 1918, dl. 27, 388-395. Amsterdam, Koninklijke Akademie van Wetenschappen, 1918.

Fryske lân en Fryske libben: fersen. Snits, Osinga, 1918.

1919
“Sate” en “State”, in: Swanneblommen, 1e jrg., 1e nr., feb. 1919, 22-23.

It Frysk yn ‘e 16e ieu, in: Swanneblommen, 1e jrg., 2e nr., apr. 1919, 63-64.

In pear opmerkingen, it boek fen Uilkema oer it Fryske boerehûs oangeande, in: Swanneblommen, 1e jrg., 2e nr., apr. 1919, 69-71.

Pryster, Prester, Preester, in: Swanneblommen, 1e jrg., 6e nr., dec. 1919, 209-210.

1920
Eamelsman, indersman ef . . . . ?, in: It Heitelân, 1e jrg., nr. 51, 14 feb. 1920, 395.

De greatens fen ús pounsmiette, in: Swanneblommen, 2e jrg., 1e nr., feb. 1920, 34-36.

Ho is de pounsmiette ús Fryske lânmiette wirden?, in: Swanneblommen, 2e jrg., 3e nr., jun. 1920, 100-108.

Yetris de greatens fen in pounsmiet, in: Swanneblommen, 2e jrg., 4e nr., sep. 1920, 134-135.

1921.
Kors, J., Leerboek der stereometrie, 4e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1921.

Versluijs, J., Vlakke driehoeksmeting met vraagstukken, 14e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1921.

1923
Esschen op de Friesche klei, Driemaandelijkse bladen, 20e jrg., 1923, 17-26.

Fryske lân en Fryske libben: fersen, 2e form. printinge. Snits, Brandenburgh, Boschma & Co., 1923.

1924
Een Friesch dorp in 1546 [Cornwerd], in: De Vrije Fries, 27ste dl., 8-17.

Virga en Pes in de registers der kloosters te Fulda en te Werden, bijdrage tot de kennis van de oud-friesche hoeve, in: De Vrije Fries, 27ste dl., 268-301.

Versluijs, J., Vlakke driehoeksmeting met vraagstukken, 15e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1924.

1925
Westerbjirrum en Dykshoarne, in: It Heitelân, 7e jrg., nr. 22, 30 mei 1925, 267-268.

Verdronken plaatsen aan de Westkust van Friesland, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Tweede serie, dl. XLII, 1925, 386-391.

Kors, J., Leerboek der stereometrie, met opgaven, 5e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1925.

1926
Verdronken plaatsen aan de Westkust van Friesland (Naschrift), in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Tweede serie, dl. XLIII, 1926, 74-75.

Versluijs, J., Vlakke driehoeksmeting met vraagstukken, 16e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1926.

De begrenzing van de Middelzee, in: Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, Tweede reeks, dl. XLIII, 1926, 155-167.

1927
Kors, J., Beschrijvende meetkunde, 8e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1927.

1928

Boekskôging. Dage, Fersen I, fen D. Kalma: J. Kamminga, Dokkum, 1927, in: De Holder, 3e jrg., 1928, nr. 1, 14-16.

De zoogenaamde vier-jaarlijksche verdeeling van de hemrik, in: De Vrije Fries, 28ste dl., 34-52.

De gemeene scharren van Hindeloopen en Molkwerum, (Bijdrage tot de geschiedenis van den frieschen grond), in: De Vrije Fries, 28ste dl., 353-401.

1929
De Fryske boerkerij om 1600 hinne, (lêzing hâlden to Ljouwert yn Augustus 1928), in: It Heitelân, 11e jrg., nr. 5, mrt. 1929, 137-141 en in: It Heitelân, 11e jrg., nr. 6, jun. 1929, 163-167.
Ook uitgegeven als boekje. De Fryske boerkerij om 1600 hinne, Lêzing to Ljouwert hâlden yn Augustus 1928. Snits, Brandenburgh & Co., 1929.

De ljochte ierde: nije fersen. Snits, Brandenburgh & Co., 1929. (De Fryske Bibleteek, nr. 16.)

Versluijs, J., Vlakke driehoeksmeting met vraagstukken, 17e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1929.

1931
Sporen van oud-communaal grondbezit, in: Leeuwarder Courant, 5 en 15 sep. 1931.

1932
Versluijs, J., Vlakke driehoeksmeting met vraagstukken, 18e druk herzien door dr. O. Postma. Groningen, Noordhoff, 1932.

“Truchstrinzede ritherne” en de verdeeling van de hemrik, in: De Vrije Fries, 31ste dl., 91-103.

1933
Oer B. E. Siebs: Grundlagen und Aufbau der alt-friesischen Verfassung, in: It Heitelân, 15e jrg., nr. 2, feb. 1933, 49-50 [recensie].

Gedichten fen Rilke / oerset fen O. Postma. Snits, Brandenburgh & Co., 1933. (De Fryske bibleteek, nr. 28.)

1934
De Friesche kleihoeve, Bijdrage tot de geschiedenis van den cultuurgrond vooral in Friesland en Groningen, met veertien kaarten. Uitgegeven door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden. Leeuwarden, 1934.

1935
Swannejachten, in: It Heitelân, 17e jrg., nr. 4, apr. 1935, 89-90.

It plûmgraefskip yn Fryslân, in: It Heitelân, 17e jrg., nr. 5, mei 1935, 111.

Alde Fryske Lânboutastânnen, in: It Heitelân, 17e jrg., nr. 12, dec. 1935, 269-274.

Het Rekenboek van het Hasker Convent (1500-1520), in: De Vrije Fries, 33ste dl., 1-28.

De huishouding van een Fries klooster rond 1500. [Verslag van een lezing voor de Prov. Underwysrie. Opgeplakte krantenknipsels uit:] Ons Noorden, 1935.

Maitiid; [muz. van] P.A. Hettinga. [Sneek, Hettinga], [1935].

1936
It testemint fen de mem fen Greate Pier, in: It Heitelân, 18e jrg., nr. 2, feb. 1936, 33-35. Verbetering op pag. 53.

Side 63, in: It Heitelân, 18e jrg., nr. 4, apr. 1936, 75-76.

In frjeonlik forsiik, in: It Heitelân, 18e jrg., nr. 8, aug. 1936, 183.

Eat oer winterbiswieren en winterformeits yn Fryslân by âlds, in: It Heitelân, 18e jrg., nr. 12, dec. 1936, 270-274.

1937
Das friesische Bauernhaus, seinde Verbreitung und Entwicklungsgeschichte, von dr. Kurt Junge; Verlag Gerhard Stalling Oldenburg, i.O., 1936, in: It Heitelân, 19e jrg., nr. 4, apr. 1937, 92 [recensie].

Binhûs en bûthús, in: It Heitelân, 19e jrg., nr. 10, okt. 1937, 238-239.

Presterhuzen en molkenkeamers, in: It Heitelân, 19e jrg., nr. 11, nov. 1937, 260-261. Neiskrift fan S. J. van der Molen.

Dagen: fersen. Snits, Brandenburgh & Co., [1937]. (Frisia rige, nr. 2.)

De Fryske boerkerij en it boerelibben yn de 16e en 17e ieu. Snits, Brandenburgh & Co., 1937. (Frisia-rige, nr. 5.)

Over het Friesche boerenhuis in de 16e en 17e eeuw, in: De Vrije Fries, 34ste dl., 6-28.

In pear “nomina topographica”, Aech of Aeght, Feit, in: Frysk Jierboek 1937, 124-129.

1938
Oanteikeningen oer it Fryske boerehûs fen S. J. van der Molen, Brandenburgh en Co., Snits., in: It Heitelân, 20e jrg., nr. 3, mrt. 1938, 70-71 [recensie].

Mear of mar grinssleat? in: It Heitelân, 20e jrg., nr. 4, apr. 1938, 83.

Swierrichheden by it oersetten fen de fia-eth út it Emsiger rjucht, in: Frysk Jierboek 1938, 168-173.

Cleedrift en clewendene, in: Frysk Jierboek 1938, 173-175. [Met naschrift op pag. 175.]

1939
Doarp en hemrik, in: Leeuwarder Courant, 12 jan. 1939.

De “Tesk-Laow” fen “Achelim”, histoarysk biskôge, in: It Beaken, 1e jrg., nr. 2, jan. 1939, 56-62.

Oer de namme “van Adelen”, in: It Beaken, 1e jrg., nr. 3, mrt.1939, 86-87.

Sleauwe wirden, in: It Heitelân, 21e jrg., nr. 4, apr. 1939, 83.

De Krinzerearm, in: It Beaken, 1e jrg., nr. 4, mei 1939, side 107-109.

In pear opmerkingen (Emo en Menko-, Kor-n.), in: It Heitelân, 21e jrg., nr. 6, jun.1939, 132-133.

Neiskrift by: L. Hofstra, Kleedrift en Klaauwengang, in: It Beaken, 1e jrg., nr. 5, aug. 1939, 159.

Kor-n, in: It Heitelân, 21e jrg., nr. 8, aug. 1939, 177.

Neiskrift by: G. Knop, De namme “Adelen”, in: It Beaken, 1e jrg., nr. 6, sep. 1939, 196.

Ut in pear âlde doarpsrekkenboeken, in: It Heitelân, 21e jrg., nr. 12, dec. 1939, 280-282.

De Saksische jaartax in Friesland, in: De Vrije Fries, 35ste dl., 51-82.

1940
O. Santema, Ta de Skiednis fen Toppenhuzen en Twellegea, in: Sljucht en Rjucht, 44e jrg., nr. 7, 17 feb. 1940, 107 [boekbespreking].

Eat oer grytman en skoalmaster yn Gysbert Japiks’ tiid, in: Fryslân, 21e jrg., 1e nr., feb. 1940, 4-6.

Gawech, Gaweij-Gau, Geau, in: It Beaken, 2e jrg., nr. 2, mrt. 1940, 61-64.

Fynsten en fragen [oer de ferklearring fan ‘e nammen Flieterpen en War], in: De Pompeblêdden, 13e jrg., 1940, nr. 3, 71-72. [Postma beantwoordt hierin een paar vragen van E. S. de Jong.]

Feit, in: It Beaken, 2e jrg., nr. 3, mei 1940, 95-96. Neiskrift by: G. Karsten, Nogmaals Gaweg, Gaweij-Gau, Geau, in: It Beaken, 2e jrg., nr. 4, sep. 1940, 107-109.

Naschrift bij: G. Karsten, Voor de derde maal Gawech, Gaweij-Gau, Geau, in: It Beaken, 2e jrg., nr. 5, nov. 1940, 133-134.

Op de biwegingsdei, in: Fryslân, 21e jrg., 8e nr., nov. 1940, 118-119.

Nochris “Folksbiweging”, in: It Heitelân, 22e jrg., nr. 12, dec. 1940, 265.

Eat út it iepenbiere libben fen in Fryske stêd, binammen yn ‘e 18de ieu [Boalsert], in: It Heitelân, 22e jrg., nr. 12, dec. 1940, 266-268.

’t Wie Snein; [met muz. van] P. Folkertsma; útjefte: Sintrale Boeke-Forkeap. Meppel, [R. Feenstra], 1940.

1941
Noch ris “frjemd soldatefolk”, in: It Heitelân, 23e jrg., nr. 1, jan. 1941, 8.

Over het ontstaan der oudste Friesche geslachtsnamen, in: Saxo-Frisia, 3e jrg., nr. 1-2, 1941, 8-17.

Granderen, Aenwert, Grandiuorum, Utberdum, Bydrage ta de ierdrykskinde fen middelieusk Fryslân, in: It Beaken, 3e jrg., nr. 2, mei 1941, 52-59.

Ga en gawech, in: It Beaken, 3e jrg., nr. 4, sep. 1941, 98-100. Mei neiskrift fan Tsj. G. de Vries.

Nei oanlieding fen “It Fryske doarp”, in: It Heitelân, 23e jrg., nr. 10, okt. 1941, 202.

In pear oantekeningen út ‘e 17e en 18e ieu de stêd Harns oangeande, in: It Heitelân, 23e jrg., nr. 12, dec. 1941, 239-242.

Doarpsmienskip / O. Postma, J.J. Kalma, E.B. Folkerstma. Dokkum, Kamminga, 1941. [Bevat: Doarp / O. Postma. De bitsjutting fen it doarp / J.J. Kalma. De ienheit fen it doarp / E.B. Folkertsma.]

De Friesche steden en haar “uitburens”, in: De Vrije Fries, 36ste dl., 102-130.

It Fryske doarp as tsjerklike en wrâldske ienheid foar 1795. Snits, Brandenburgh & Co., 1941. (Frisia-rige, nr. 27.)

De pallia fen Fulda en Werden, Reil en reilmerk, in: Frysk Jierboek 1941, 77-89.

1942
Bordmagad, in: Frysk Jierboek 1942, 98-99.

1943
Noch eat oer Greate Pier en syn geslacht, in: Frysk Jierboek 1943, 150-158.

1946
De “foermatten” fen Ezinge en de Fryske boerepleats, in: It Heitelân, 24e jrg., nr. 2, feb. 1946, 34-35. [Verbetering op pag. 54.]

Oer de “Corpora” fan de Fryske kleasters en hwat der út fuortkaem, in: It Beaken, 8e jrg., nr. 1, mrt. 1946, 11-16.

Oer de “Corpora” fan de Fryske kleasters en hwat der út fuortkaem (slot), in: It Beaken, 8e jrg., nr. 2, jul. 1946, 18-21. [Dit artikel is niet ondertekend met Postma, mar met “R.A. to Ljouwert”.]

Nei oanlieding fan twa Slauerhoff-Oktobernûmers, in: It Heitelân, 24e jrg., nr. 12, dec. 1946, 286-288.

Forlikinge fen de nammen út de Abtelibbens fen Sibrandus Leo mei dy út de Gesta Abbatum Orti Sancte Marie, in: Frysk Jierboek 1946, 156-169.

Personen of Geslachten in plaatsnamen en boerderijnamen? in: De Vrije Fries, 38ste dl., 29-53.

In pleats fan it jier 855 yn ús tiid weromfoun? in: Frysk Jierboek 1946, 150-156.

It sil bistean: fersen. Snits, Brandenburgh & Co., 1946 [i.e. 1947]. (Frisia-rige, nr. 37.)

1947
Oer “Nije Gedichten” fan D. A. Tamminga, in: It Heitelân, 25e jrg., nr. 4, apr. 1947, 89-90. [recensie]

Heeft het Friese boerenhuis in zandstreken en op de klei dezelfde ontwikkeling doorgemaakt? in: Een kwart eeuw Oudheidkundig Bodemonderzoek, Gedenkboek A. E. van Giffen, Directeur van het Biologisch-Archaeologisch Instituut der Rijksuniversiteit te Groningen 1922 – 17 juni -1947. Meppel, Boom, 1947, 275-288.

It Frysk Jierboek fan 1946, in: It Heitelân, 25e jrg., nr. 7-8, jul.-aug. 1947, 183-184 [recensie].

Alde kontrakten oer it bouwen fan huzen, in: It Heitelân, 25e jrg., nr. 9, sep. 1947, 193-195.

Tankwurd, [s.l. : s.n.], 1947. [1 grammofoonplaat 78 tpm., 10-10-1947. Bevat: Dankwoord Gysbert Japicxpriis uitgesproken door O. Postma.]

Fan it Fryske lân, [s.l. : s.n.], 1947. [1 grammofoonplaat 78 tpm., 10-10-1947. Bevat: voordracht door Douwe Tamminga van het gedicht: Fan it Fryske lân van O. Postma].

Yn ‘e foarsimmer [voorgelezen op 10-10-1947 door D.A. Tamminga bij de uitreiking van de Gysbert Japicxpriis aan Obe Postma]. [Opgeslagen op op c.d. Pak 1 en 2, nr. 50 en op dvd. S.l : s.n.], 1947.

Gysbert Japicx’ tsjustere jierren, in: Frysk en Frij, 3e jrg., nr. 44, 31 okt. 1947.

Eat oer Fryske boargershuzen yn de 16e, 17e en 18e ieu, in: It Heitelân, 25e jrg., nr. 12, dec. 1947, 271-274.

It sil bistean: fersen. Snits, Brandenburgh & Co., 1946 [i.e. 1947]. (Frisia-rige, nr. 37.)

1948
De Huizumer school, in: Nieuw Friesland, 24 jan. 1948.

[Met M. Wiegersma en D. F. Wouda,] Forslach fan de Kommisje foar de priisfraech oer de Binnendiken en Slieperdiken fan Fryslân, in: It Beaken, 10e jrg., nr. 1, feb. 1948, 1-5.

Starum om 1600 hinne in deade stêd? De Pompeblêdden, 19e jrg., 1948, nr. 3, 69-70.

Oer merken, hânmerken, húsmerken, in: It Beaken, 10e jrg., nr. 2, apr. 1948, 35-45.

Gysbert Japicx oanhelle, in: It Heitelân, 26e jrg., nr. 4, apr. 1948, 78.

Nei oanlieding fan Psalm 130, in: De Tsjerne, 3e jrg., nr. 8, aug. 1948, 252-254.

De Joast Halbertsmapriis en Skylgeralân, in: Frysk en Frij, 4e jrg., nr. 42, 29 okt. 1948.

In dûbele lokwinsk, in: “Om it erfskip”, de útrikking fan de Gysbert Japicx en de dr. Joast Halbertsma-priis op freed 29 oktober 1948 to Boalsert, gearstald fan E. S. de Jong. Boalsert, Osinga, 1948.

Noch hwat duplyk, in: De Tsjerne, 3e jrg., nr. 11, nov. 1948, 350-351.

“Het land van Rembrand” en Fryslân, in: It Heitelân, 26e jrg., nr. 12, dec. 1948, 264-266.

Ploeggang en Hoevenstelsel, in: De Vrije Fries, 39ste dl., 17-48.

1949
Ta de moarn-Lunchroom-Jolm, in forgelykjende biskôging, in: De Tsjerne, 4e jrg., nr. 3, mrt. 1949, 65-70.

Foroarjen fan in pear nammen, in: De Pompeblêdden, 20e jrg., 1949, nr. 4, 79-80.

Harke en riuwe, in: Leeuwarder Courant, 23 mei 1949.

Handel en forkear yn Fryslân yn de tiid fan Gysbert Japicx, in: It Heitelân, 27e jrg., nr. 5, mei 1949, 99-101; 27e jrg. nr. 6, jun. 1949, 127-129; 27e jrg. nr. 7-8, jul.-aug. 1949, 153-156.

Frieslands strijd tegen het water door P. G. Bins, uitgegeven in samenwerking met de Kon. Ned. Toeristenbond (A. N. W. B.) door de Provinciale Friese Vereniging voor Vreemdelingenverkeer. Leeuwarden 1949, in: Frysk en Frij, 5e jrg. nr. 23, 10 jun.1949 [recensie].

Bylden út Grinslân I, in: Frysk en Frij, 5e jrg., nr. 37, 23 sep. 1949.

Bylden út Grinslân II, in: Frysk en Frij, 5e jrg., nr. 38, 30 sep., 1949.

Bylden út Grinslân III, in: Frysk en Frij, 5e jrg., nr. 39, 7 okt. 1949.

Bylden út Grinslân IV, in: Frysk en Frij, 5e jrg., nr. 40, 14 okt. 1949.

Bylden út Grinslân V, in: Frysk en Frij, 5e jrg., nr. 43, 4 nov. 1949.

Jong en libben, in: In materna lingua, Tinkboekje útjown ta gelegenheit fan de útrikking Gysbert Japicxpriis oan de hear Fedde Schurer, Boalsert, Osinga, 1949, 9-12.

Simboal of Skiente yn de Folkskunst, in: It Heitelân, 27e jrg., nr. 12, dec. 1949, 272-274.

Samle fersen. Snits, Brandenburgh & Co., 1949. – 2 dln.

1950
Peinjum en de gouden halsbân, in: It Heitelân, 28e jrg., nr. 1, jan. 1950, 4.

Noch eat oer Fraenkeraghae, in: It Beaken, 12e jrg., nr. 1, jan. 1950, 27-29.

Noch eat oer de Fryske pleats mei in opkeamer, in: It Beaken, 12e jrg., nr. 2, mrt. 1950, 61-64.

In stêd sûnder bilestingen? in: Frysk en Frij, 6e jrg., nr. 34, 1 apr. 1950.

De oerheit as eksploitant fan bouterrein yn de 16e en 17e ieu, in: Earebondel ta de tachtichste jierdei fan dr. G. A. Wumkes op 4 septimber 1949, Boalsert, Osinga, 1950, 131-138.

De bijl van Makkum, in: Leeuwarder Courant, 16 en 18 okt. 1950.

De Friese hoeve in de zandstreken (Een voorlopige oriëntering), in: De Vrije Fries, 40ste dl., 37-67.

De gemeene dorpsgronden in Oostergoo, wurdearringswurd, útsprutsen út namme fan de advyskommisje foar de takenning fan de dr. Joast Halbertsmapriis, in: Oer de skied fan ’t hjoed, Tinkboekje útjown ta gelegenheit fan de útrikking fan de Gysbert Japicx- en dr. Joast Halbertsma-priis, respektivelik oan de hearen dr. Y. Poortinga en mr. D. J. Cuipers, gearstald fan E. S. de Jong, Boalsert, Osinga, 1950, 24-27.

De historische ontwikkeling van het waterstaatsrecht in Friesland door mr. J. P. Winsemius, Franeker 1947, in: De Vrije Fries, 40ste dl., 217-220 [recensie].

Ir. G. J. A. Bouma, l. i., Pleatseboek, de Nije Fryske pleats, N.V. Wed. J. Ahrend en Zoon, Amsterdam 1950, in: De Vrije Fries, 40ste dl., 220-221 [recensie].

Lânnammen yn forbân mei mienskiplik lângebrûk, in: Fryske Plaknammen, dl. III, 7-11.

Over enige vreemde Gemeente- en Dorpsgrenzen in Friesland, in: De Vrije Fries, 40ste dl., 189-199.

Het rekenboek van het Klooster Selwerd 1560-1563, in: Groningse Volksalmanak, 1950, 72-89.

1951
Moadewurden, in: It Heitelân, 29e jrg., nr. 1, jan. 1951, 6.

De doarpsgrinzen, in: It Beaken, 13e jrg., nr. 1/2/3, mrt. 1951, 54-59.
Dit artikel staat in de Hantlieding foar Geakunde die ook afzonderlijk verscheen.

Hwat foar doarpsstúdzje nedich is, in: It Beaken, 13e jrg., nr. 1/2/3, mrt. 1951, 59-62.
Dit artikel staat in de Hantlieding foar Geakunde die ook afzonderlijk verscheen.

Nei oanlieding fan “De rechtsomgang van Franekeradeel” troch mrs. G. Overdiep en J. C. Tjessinga, in: It Beaken, 13e jrg., nr. 5, okt. 1951, 149-150.

Oer de wurdpearen: waar-weer en war-wer, in: Fryske Plaknammen, dl. IV, 71-74.

1952
Waren de oude burelanden van Terschelling voormalig kerkelijk bezit? in: Landbouwkundig Tijdschrift, 64e jrg. nr. 5, mei 1952, 323-324.

De Friese Boer – toen en nu, in: Friesland, toen . . . nu . . . straks, propaganda-uitgave met officiële medewerking van vele vooraanstaande autoriteiten en instanties in de provincie Friesland, Leeuwarden, Algemeen Publiciteitskantoor, 1952, 85-88.

Wydrum, in: Us Wurk, 1e jrg., wintermoanne 1952, 59.

Hoek, J. J. Spahr van der, Geschiedenis van de Friese landbouw. Met medewerking van O. Postma, Uitgegeven door de Friesche Maatschappij van landbouw ter gelegenheid van haar honderdjarig bestaan in 1952, Leeuwarden, 1952, twee delen. Hjirin: Postma, O., Eerste afdeling, 33-182. Deel 1 werd in 1954 met de dr. Joast Halbertsmapriis bekroond.

Van die éne bron : klein gedicht van het land [O. Postma; vertaald door Y. Poortinga, naar de Friese tekst in het gedenkboek van de Friese Maatschappij van Landbouw, in opdracht van het bestuur, om de Koningin te overhandigen als de Friese tekst voorgedragen werd. Leeuwarden, Landbouwhuis, 1952.] [S.l.], Fedde Dykstra, 1952.

1953
Noarderljocht, Moderne Sweedske poëzij yn oersetting fan Marten Sikkema. Reiddomp-rige, Laverman. Drachten 1953, in: Frysk en Frij, 9e jrg. nr. 22, 5 jun. 1953 [recensie].

Sport en spyljen as oanlieding ta rjochtsaken yn it 18e ieuske Gaesterlân, in: It Heitelân, 31e jrg., nr. 12, dec. 1953, 186.

De doorgaande plaatsen en de daarbij behorende meente, in: De Vrije Fries, 41ste dl., 94-104.

It Fryske doarp as tsjerklike en wrâldske ienheit foar 1795, Twadde hwat oanfolle en forbettere printinge. Snits, Brandenburgh & Co., 1953. [Deze druk is uitgegeven door de Fryske Akademy als erebundel ter gelegenheid van de 85ste verjaardag van dr. O. Postma.]

Een landmeter aan het werk in de 16e eeuw, in: Groninger Volksalmanak, 1953, 50-68.

Trije lieten foar alt of baryton mei pianobiglieding; op muzyk set fan Th. Lambooij. Ljouwert, Fedde Dykstra, 1952.

1954
Oer de wevers fan Harns yn de 18e ieu, in: It Beaken, 16e jrg., nr. 2, apr. 1954, 33-42.

Dokkum as lân- en séstêd yn it forline, in: It Beaken, 16e jrg., nr. 5/6/7, jun. 1954, 150-154.
Dit artikel staat in: Dokkum, bolwurk fan it Noarden, dat ook afzonderlijk verscheen.

Hwat oer in Snitser smid yn it midden fan de 16e ieu, in: It Heitelân, 32e jrg., nr. 9, sep. 1954, 153-154.

Het Friese zogenaamde “Kadaster van 1505” dat niet van 1505 is, in: Bijdragen voor de geschiedenis der Nederlanden, dl. VIII, afl. 1-2, 46-49.

Over de hoevevorming in de Friese Zuidwestelijke kuststreek en op Ameland, I., in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 45e jrg., nr. 1, 20-26.

Over de hoevevorming in de Friese Zuidwestelijke kuststreek en op Ameland, II., in: Tijdschrift voor Economische en Sociale Geografie, 45e jrg., nr. 2, 50-54.
English summary: Development of farmers’ holdings in the south-west Frisian area and on the isle of Ameland, on page 54-55.

1955
Inkele bisûnderheden oer Gaesterlân, in: De Pompeblêdden, 26e jrg. 1955, nr. 1, 13-15.

Boalsert, stêd en lân, in: It Beaken, 17e jrg., nr. 3/4/5, jul. 1955, 115-120.
Dit artikel staat in: Boalsert, hert fan Westergoa, dat ook afzonderlijk verscheen.

Ien en oar út it “kalverboek” fan Boalsert, in: It Heitelân, 33e jrg., nr. 7-8, jul.-aug. 1955, 116-118.

De foarkar foar Slauerhoff, in: De Tsjerne, 10e jrg., nr. 8, aug. 1955, 270-273.

Truchstrinzede Ritherne, in: Us Wurk, 4e jrg., nr. 3/4, wynmoanne 1955, 34-35.

Doarp en Pleatsen, in: It Beaken, 17e jrg., nr. 6, okt. 1955, 177-182.

Makkum en Statum (In doarp wurdt “vlek”), in: It Heitelân, 33e jrg., nr. 12, dec. 1955, 207-210.

Een grafelijk dorp in Friesland, in: De Vrije Fries, 42ste dl., 7-13.

Hoe kin it wurd “Aenwert” de bitsjutting fan “krite” krigen hawwe? in: Fryske Plaknammen, dl. VII, 39-40.

Oer it Fryske libben fan troch ‘en dei yn ‘e 16e en 17e ieu. Snits, Brandenburgh & Co., 1955, omwurke en oanfolle mei twa haedstikjes. [Nieuwe bewerkte en vermeerderde uitgave van hfdst. III, It boerelibben, in: De Fryske boerkerij en it boerelibben yn ‘e 16e en 17e ieu, 1937.]

Oer de pleatsen yn Barradiel, in: Barradeel, Rapport betreffende het onderzoek van het Lânskip-genetysk Wurkforbân fan de Fryske Akademy. Drachten, Laverman, 1955, 161-169.

Over aanvang en eerste tijd van de Floreenbelasting in Friesland, in: De Vrije Fries, 42ste dl., 132-143.

Tyole, tyolle, tsjoele ensf., in: Fryske Plaknammen, dl. VII, 3-4.

Zwaagwesteindde, het ventersdorp op de Friese heide, door K. Sikkema Sr. en K. Sikkema Jr. In het jaar 1954 uitgegeven bij T. Wever te Franeker in opdracht van de Fryske Akademy, in: De Vrije Fries, 42ste dl., 145-146 [recensie].

1956
Fan in Makkumer skipper en in Makkumer skip, in: It Heitelân, 34e jrg., nr. 4, apr. 1956, 63-65.

Oer it Snitser gymnasium goed 70 jier forlyn, Rostra Gymnasii Snecani, 1e jrg., nr. 4, sep. 1956, 66-68.

In pear opmerkingen nei oanlieding fan It Heitelân fan septimber, in: It Heitelân, 34e jrg., nr. 8, okt. 1956, 182.

Oer it Snitser gymnasium goed 70 jier forlyn, Rostra Gymnasii Snecani, 1e jrg., nr. 5, nov. 1956, 83-85.

Enkele opmerkingen naar aanleiding van deel XIV der Estrikken, in: Us Wurk, 5e jrg., nr. 3/4, wintermoanne 1956, 90-95 [Postma maakt opmerkingen over: prof. dr. B. H. Slicher van Bath, prof. dr. J. H. Brouwer, mr. P. Gerbenzon, Rienck Hemmema, Rekenboeck off Memoriael (1569-1573), 1956.]

Noch eat oer it wurd “Tsjoele”, in: Fryske Plaknammen, dl. VIII, 5-6

Over een paar moeilijkheden de geschiedenis van het Rechtsbestel van Appingedam betreffend, in: Groninger Volksalmanak, 1956, 140-147.

1957
Oer Harnzer keaplju yn de 17e ieu, in: It Heitelân, 35e jrg., nr. 2, feb. 1957, 22-24.

Oer de doarpsfolmachten yn Fryslân. Bydrage ta de skiednis fan de Fryske demokrasy, in: It Beaken, 19e jrg., nr. 1, feb. 1957, 13-24.

Eat oer in pear Bonnema’s fan Kimswert, in: It Heitelân, 35e jrg., nr. 7, sep.-okt. 1957, 136-138.

Oer in kleaster to Makkum, in: It Beaken, 19e jrg., nr. 4, okt. 1957, 145-146.

Oer it testamint fan in ûnderpastoar fan it jier 1544, in: It Heitelân, 35e jrg., nr. 9, dec. 1957, 177-179.

Essen op de Friese klei, in: De Vrije Fries, 43ste dl., 90-99.

Fan wjerklank en bisinnen: fersen. Drachten, Laverman, 1957.

[Mei mr. H. W. Kuipers,] De grinzen, in: Baerderadiel, in geakunde. Drachten, Laverman, 1957, 139-144.

In pear nammen út Wûnseradiel, in: Fryske Plaknammen, dl. IX, 13-14.

Toponymysk Probleem. Oer de adjektivyske foarmingen op -ster, -stra en -stera by Fryske plaknammen, lyk as Houster tille, Bonghuystra saet, Cambuyerstera landen, in: Fryske Plaknammen, dl. X, 3-6.

1958
In pear wurden ta forklearring [oer de gedichten yn Fan wjerklank en bisinnen], [Heliand], in: De Tsjerne, 13e jrg., nr. 2, feb. 1958, 60-61.

In pear bisûnderheden út it tsjerkerekkenboek fan Mullum, in: It Heitelân 36e jrg., nr. 2, 34-35.

Fan boer en ambacht, Oantekeningen út Weesrekkeningsboeken, in: It Beaken, 20ste jrg., nr. 1/2/3, mrt. 1958, 121-132.

Oantekeningen út in tsjerkerekkenboek [Achlum], De Strikel jrg. 1, nr. 2, mrt. 1958, 20-21.

It boerelibben yn Gaesterlûn roun der yn it forline noch al út: twa-trije hierders foar ien stik lân, oksen foar de ploege, oare nammen, in: Leeuwarder Courant, 3 mei 1958.

Liuwen yn Fryslân, in: De Strikel, 1e jrg., nr. 5, jun. 1958, 71.

Mei brea nei Koarnwert yn 1516, in: De Strikel, 1e jrg., nr. 10, nov. 1958, 158.

Noch hwat oer it Makkumer kleaster, in: It Beaken, 20ste jrg., nr. 5, nov. 1958, 240.

Enkele opmerkingen Groninger plaatsnamen betreffende, Driemaandelijkse Bladen 10e jrg., 65-70.

Enkele opmerkingen over Stellingwerver toponiemen, Fryske Plaknammen, dl. XI, 3-4.

Iets over de landerijen van het eiland Schiermonnikoog, in: Groninger Volksalmanak, 1958, 66-72.

1959
Ynbring fan man en wiif yn 1538, in: De Strikel, 2e jrg., nr. 2, feb. 1959, 30.

In pear opmerkingen nei oanlieding fan ‘Pleats en mienskip’ yn It Beaken fan 5 novimber 1958, in: It Beaken, 21ste jrg., nr. 5, sep. 1959, 203-204.

Weven en spinnen to Frjentsjer, in: De Strikel, 2e jrg., nr. 10, nov. 1959, 149.

In Fryske ynventaris yn Grinzerlân [Peije Eelkema, eind 14e ieu], in: It Beaken, nr. 6, dec. 1959, 21ste jrg., 213-216.

Ein [ingesproken door Postma zelf, op geluidsband voor Giacomo Prampolini. S.l. : s.n.], 1959.

Nog enkele Groninger plaatsnamen, in: Driemaandelijkse Bladen, 11de jrg., 90-93.

Oer in pear toponimen hjir en dêr wei, in: Fryske Plaknammen, dl. XII, 3-5.

De schar- of schaarbrief als reglement voor het gebruik van het gemene veld, in: Verslagen en mededelingen der Vereniging tot uitgaaf der bronnen van het Oudvaderlandse recht XI (1959), 481-493.

1960
In hânskrift fan Obe Sikkes Bangma, in: De Strikel, 3de jrg., nr.1, jan. 1960, 13-14.

Bode en consent, in: It Heitelân, 38e jrg., nr. 2, 28.

Fan in lyts Frysk doarpke [Offingawier], in: It Heitelân, 38e jrg., nr. 3, 40-41.

Gjin boadskip yn ‘e fastelavent, in: De Strikel, 3de jrg., nr. 4, april/mei 1960, 55.

Oer huzen mei brave keamers en deftige souders, in: It Heitelân, 38ste jrg., nr. 4/5, 60-61.

Oer it tiidskrift de Holder (1926-1929), in: Fryske Stúdzjes oanbean oan Prof. dr. J. H. Brouwer op syn sechtichste jierdei 23 augustus 1960, Assen, Van Gorcum, 1960, 251-254.

Fan healkannen bier, in: De Strikel, 3de jrg., nr. 7/8, aug./sep. 1960, 101.

De “Rimen en teltsjes” en de “Camera obscura”, in: De Tsjerne, 15e jrg., nr. 9, sep. 1960, 262-263.

Oarkonden yn it lyts, in: It Beaken, 22ste jrg., nr. 3, okt. 1960, 113-117.

De dichter Jan Starter as taksateur, in: De Strikel, 3de jrg., nr. 10, nov. 1960, 143.

De magistraat van Sneek als beheerder van gemene scharren, in: De Vrije Fries 44ste dl., 92-101.

Over de positie van het Vlek in Friesland in de tijd van de republiek, in: De Vrije Fries, 44ste dl, 51-58.

1961
Ljocht en tsjuster yn it Harnzer libben fan de sawntjinde (‘gouden’) ieu, in: De Strikel, 4de jrg., nr. 2, feb. 1961, 26-27.

Foar it gerjocht to Frentsjer, in: De Strikel, 4de jrg., nr. 6, jun. 1961, 85.

Fan ‘vierendelen’ dy’t gjin fjirdeparten binne, in: It Beaken, 23ste jrg., nr. 3, sep. 1961, 105-107.

Oer in keapman yn de Frânske tiid [Eeltsje Haitzes Bonnema te Kimswerd], in: De Strikel, 4de jrg., nr. 11, nov. 1961, 150-151.

In doarpswinkel fan 1583, in: It Heitelân, 39ste jrg., 34-35.

1962
Twa jier lang wei [Gysbert Japicx], in: De Strikel, 5de jrg., nr. 3, mrt. 1962, 45-46.

‘Eester’ en ‘hornleger’ as ûnderdielen fan it fjild by de Fryske boerepleats, in: It Beaken, 24ste jrg., nr. 2, jul.1962, 144-147.

Oer in proses tusken Bonga en Bonnema, in: De Strikel, 5de jrg., nr. 11, nov. 1962, 151.

Biskôgingen oer in pear toponimen [Opsterlân; Bân, band, bant; Keyn, Keyns], in: Fryske Plaknammen, dl. XIII, 14-17.

In lytse taheakke oan de toponimen fan Eanjum, in: Fryske Plaknammen, dl. XIII, 10.

Oude dorpsrekeningen in verschillende soorten dorpen, in: De Vrije Fries, 45ste dl., 113-121.

Slechte betalers in de Gouden eeuw, in: De Vrije Fries, 45ste dl., 155-160.

1963
Eigen kar, In blomlêzing út de Samle Fersen, Drachten, Laverman, [1963].

Lees verder Primaire bibliografie van het werk van Obe Postma

Selektive bibliografy fan wurk oer Postma

Boersma, P., De frekwinsje fan it eigenskipswurd yn it wurk fan Obe Postma, yn: Siebren Dyk en Germen de Haan (red.), Wurdfoarried en wurdgrammatika (Ljouwert 1988) 1-20.

Boersma, U.J., Birutsen vitalisme, De Tsjerne 8 (1953) 91-92.

Breuker, Ph.H., Obe Postma en Slauerhoff: noch in oerienkomst, Ut de Smidte fan de Fryske Akademy 13, nr. 1 (1979) 21. Lees verder Selektive bibliografy fan wurk oer Postma

Dr. Obe Postma ….. meer dan een Friese dichter

Eerste lezing van het Obe Postma Selskip (ongeveer zo) gehouden door Tineke Steenmeijer-Wielenga in de kerk van Cornwerd op zondag 19 november 2006.

Mij valt de eer te beurt om in het nog prille bestaan van ons Selskip de eerste lezing te mogen houden. Ik zal u wat vertellen over de biografie van Postma, een boek, dat ik bij wijze van proefschrift wil schrijven en waarvan ik hoop, dat ik er in 2009 bij Philippus Breuker op kan promoveren aan de Universiteit van Amsterdam, de Alma mater van Postma. Uit de keuze van mijn studievak, de Friese taal- en letterkunde, en uit het feit, dat ik gewerkt heb bij het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum, een instelling die sinds de fusie met de Provinsjale Biblioteek en het Rijksarchief yn Fryslân deel uitmaakt van het historisch en letterkundig centrum Tresoar, blijkt al wel, dat ik niet anders dan vanuit een literairhistorische hoek zo’n biografie kan schrijven.

Er zijn over Friese auteurs nog niet veel biografieën verschenen. Weliswaar zijn er dissertaties gewijd aan Gysbert Japicx, Joast en Eeltsje Halbertsma en aan Hjerre Gjerrits van der Veen, maar alleen de boeken over de twee laatstgenoemde schrijvers zou ik biografieën willen noemen. In de andere proefschriften wordt wel aandacht besteed aan het leven van de auteurs, maar vormde het werk (of aspecten daarvan) het eigenlijke onderwerp. Dat gaat ook op voor de dissertatie van Babs Gezelle Meerburg die Anne Wadman en Trinus Riemersma heeft behandeld als voorbeelden van vernieuwing in de Friese literatuur. Met een biografisch doel voor ogen schreef Sjoerd van der Schaaf een boekje over Geert Lourens van der Zwaag en J.J. Kalma over Nynke van Hichtum en over Oebele Stellingwerf. Doeke Sijens maakte een uitgebreide beschrijving van het leven van Reinder Brolsma, Johanneke Liemburg werkt aan een proefschrift over het leven van Fedde Schurer en Joke Corporaal aan een biografie van Wadman, maar daarmee heb ik dan wel wel zo’n beetje alles genoemd. Ook autobiografieën en memoires worden er in Friesland niet vaak geschreven. Natuurlijk zijn er in encyclopedieën, handboeken, schrijversprentenboeken en in de inleidingen op uitgaven met verzameld werk en in de toelichtingen bij de heruitgaven van bekende romans en verhalenbundels in de serie ‘Fryske Klassiken’ wel levensschetsen gemaakt over de auteurs waar het om ging. Wumkes legde in zijn Bodders yn de Fryske striid (Friese strijders) heel wat biografische informatie vast en datzelfde deed ook Jaap Kalma in zijn serie Dit wiene ek Friezen (Dit waren ook Friezen), maar grote biografieën zoals die de laatste jaren zijn verschenen over in het Nederlands schrijvende Friese auteurs als Vestdijk, Slauerhoff en Nynke van Hichtum en zoals er een onderweg is van Theun de Vries, zijn er dus nauwelijks te vinden van Friesschrijvende Friese auteurs.
Eigenlijk hoeft dat geen groot probleem te zijn voor iemand die de biografie van Postma wil schrijven. Voorbeelden van schrijversbiografieën zijn er buiten Friesland genoeg te vinden, omdat het genre in Nederland de laatste jaren bloeit als nooit tevoren en een precies passend model om naar te werken, bestaat toch niet, omdat ieder mens uniek is, op zijn eigen plaats en in zijn eigen tijd leeft, een individuele ontwikkeling doormaakt en zijn eigen levenspad bewandelt. Daarom verdient iedere auteur een op zijn persoonljkheid afgestemde biografie. Bovendien zijn alle schrijvers – en in Friesland waar niemand van de pen kan leven – geldt dat des te sterker, meer dan schrijver alleen en wat zij meemaken in hun andere rollen, zal het literaire werk beïnvloeden.
Andersom is dat trouwens ook het geval – Dresden wijst daar in zijn boek De structuur van de biografie op: het schrijven en wat hij geschreven heeft, hebben ook invloed op het leven van een auteur. Dat Postma als dichter een goede naam had, heeft zijn entree bij de uitgevers die zijn geschiedkundig werk op de markt moesten brengen, zeker gemakkelijker gemaakt, al zal het altijd de kwaliteit van dat werk geweest zijn, dat de doorslag gaf. Het is maar een voorbeeld. je kunt je van alles voorstellen bij die invloed: feiten, maar ook niet eenvoudig te meten dingen, zoals het toenemen van gevoel van eigenwaarde, van de moed om zich uit te spreken, iets waar men – in overdrachtelijke zin – ‘een ander mens’ van kan worden.
Misschien heeft Postma’s werk op het terrein van de landbouwgeschiedenis ook wel de belangstelling voor zijn dichtwerk vergroot in milieus waar men verder niet veel op had met poëzie en die waardering kan ook de literaire kritiek milder gestemd hebben.
Dr. Obe Postma is meer dan een Friese dichter. Hij is ook natuurkundige, wiskundeleraar, docent mechanica en cosmografie; hij heeft zich diepgaand bezig gehouden met de filosofie en hij heeft belangrijk pionierswerk gedaan op het gebied van de landbouwgeschiedenis. Ik hoorde, dat onlangs op een genealogendag de spreker die uit moest leggen wat ‘hisgis’ op internet voor mogelijkheden heeft, zijn verhaal begon met te zeggen, dat dit systeem voortbouwde op wat Postma ooit begonnen is bij zijn onderzoek naar de verdeling van de grond in Friesland.

Daar doemt dan al het eerste probleem op. Hoe kan een biograaf bepalen van hoeveel belang diens werkzaamheden buiten de poëzie zijn geweest, hoe dat werk zelf met enige kennis van zaken beschrijven en de invloed ervan op het leven overzien als de te beschrijven persoon zich met zulke uiteenlopende dingen heeft bezig gehouden? Men hoeft – om met Fedde Schurer te spreken – geen eieren te kunnen leggen om ze te mogen keuren, maar om nu iets steekhoudends te zeggen over bij voorbeeld de natuurkundige publicaties van Postma, zou je toch op z’n minst graag wilen begrijpen waar die over gaan. Bij mijn onderzoek vind ik het een probleem, dat er over Postma als dichter langzamerhand al heel veel is geschreven, maar over zijn andere kwaliteiten maar bitter weinig. Ik kan dus ook nauwelijks terugvallen op grotere geleerden!

Op dat probleem zal ik in de loop van mijn verhaal nog wel terugkomen, maar ik wil het nu eerst hebben over de Friese dichter, omdat ik er vast van overtuigd ben, dat het het dichterschap van Postma is geweest dat hem tot een bekende Fries heeft gemaakt.
Met opzet zei ik de Friese dichter. Het had immers ook heel anders uit kunnen pakken. Postma – in 1868 in Cornwerd geboren – kwam al in 1882 in Sneek in een kosthuis te wonen, toen hij in die stad leerling van het gymnasium werd. Van ongeveer zijn veertiende af heeft hij – met uitzondering van de tijd toen hij thuis verbleef na het overlijden van zijn vader in 1891 en misschien nog een paar maanden tussen zijn doctoraal en zijn eerste leraarsfunctie – nooit meer in een volledig friestalige omgeving gewoond. Na Sneek kwam Amsterdam en daarna kwamen Tiel en Tilburg, plaatsen waar hij korte tijd leraar was, voordat hij zich in 1894 in Groningen vestigde na zijn benoeming aan de Rijks-h.b.s. aldaar.
Nadat hij 10 jaar lang op diverse kamers had gewoond in het centrum van de oude Martinistad, zette hij in 1904 een eigen huishouding op samen met zijn zuster Liezabeth. Vanaf dat moment zal de taal die hij thuis sprak weer het Fries zijn geweest, de brieven die hij schreef waren meestal in het Fries, hij werd tegelijk met zijn vriend Tjitse de Boer uit Wirdum, die van 1897 tot 1904 in Groningen woonde, lid van het Selskip foar Fryske Taal- en Skriftekennisse en van de ‘krite Halbertsma’ met de daarbij behorende studieclub in Groningen en hij las de Friese tijdschriften, maar op school en in zijn overige maatschappelijke contacten, moest het Nederlands wel zijn eerste taal worden.

Interessant, maar niet zo vruchtbaar want totaal hypotetisch is de vraag of de poëzie van Postma van hetzelfde niveau geweest zou zijn als die van tijdgenoten als Boutens (1870-1943) en Leopold (1865-1925), als hij – zoals zo veel Friezen die buiten de provincie moesten gaan wonen voor studie en werk – vervreemd geraakt zou zijn van zijn moedertaal en voor het Nederlands gekozen zou hebben als dichterstaal.
Hoe dan ook: onze dichter heeft behalve in een enkel jeugdvers wel altijd zijn moedertaal gebruikt en hij moet die in het toen nog volledig Friese milieu van zijn jeugd dus zo goed hebben leren beheersen dat hij er zich over meer dan alleen maar de dingen van alledag in kon uitdrukken. Met behulp van de Beknopte Friesche Spraakkunst van Philippus van Blom uit 1889 heeft hij al in zijn studentejaren het Fries ook leren spellen.

Nu iets over die andere kant van zijn persoonlijkheid: over wat Postma tot meer dan een Friese dichter maakt:

In het gedicht ‘In Groningen’ (SF, 400) schrijft hij, letterlijk vertaald:

In Groningen heb ik mijn meeste verzen gemaakt;
Maar die verzen hadden hun leven voor het grootste deel in Friesland;
Dat was het land van mijn jeugd en mijn liefde.
Maar een enkele keer was er daar een lichte dag of een ontmoeting met een vriend, die zijn eigen poëzie had.
Mijn verzen konden mijn Groninger vrienden ook niet zo boeien;
Het was een ‘vreemde taal’ en het ging over een ander land.
Zij beschouwden mij meer als een man van studie dan als een dichter.
In een Groningse encyclopedie zullen zij mij karakteriseren als een schrijver van kleine historische stukjes.

Dat ‘een schrijver van kleine historische stukjes‘ is naturlijk een understatement, maar wat Postma’s publicaties in de Groningse Volksalmanak betreft, is zijn bewering wel steekhoudend. Wat hij echter op het gebied van de Friese landbouwgeschiedenis heeft geschreven, is wel heel wat meer dan klein werk.
Ik heb deze strofe uitgekozen, omdat eruit blijkt, dat Postma zich ervan bewust was, dat hij twee kanten had: die van de dichter en die van de man van studie en beide zullen in de biografie belicht moeten worden.

Maarten ’t Hart heeft op 18 mei 1979 in zijn openingstoespraak bij de Postma-tentoonstelling in het Nederlands Letterkundig Museum in Den Haag vier redenen genoemd waarom Postma voor hem een ‘merkwaardig dichter’ is en één daarvan zou zijn ‘buitengewoon oninteressante biografie’ zijn. Hij bedoelt met ‘biografie’ hier natuurlijk de levensgeschiedenis en niet een boek daarover. Als ik dat met ’t Hart eens was geweest, zou ik er natuurlijk niet over peinzen het leven van Postma te gaan beschrijven. Juist vanwege die beide kanten: het dichterschap en zijn veelzijdige wetenschappelijke activiteit is de levensloop van Postma in mijn ogen bijzonder interessant. Het mag waar zijn, dat er op het eerste gezicht weinig schokkende gebeurtenissen te melden zijn. Postma heeft immers geen spectaculaire ontdekkingen gedaan in de natuurkunde, zijn studievak, hij heeft geen carrière gemaakt in zijn beroep, al is hij aan het einde van zijn veertigjarige loopbaan aan steeds dezelfde school, nog waarnemend direkteur geworden – vrijwel de enige promotiekans voor een leraar -, hij heeft geen verre reizen gemaakt, hij heeft maar jaar in jaar uit kalm en sober voortgeleefd met zijn zuster, er zijn van hem geen affaires en schandalen bekend, al heeft hij dan wel zijn vrienden gehad, zoals hij schrijft in het vers, dat begint met de regel ‘Ik ben een eenigszins stille en eenzelvige persoon’ (SF, 222).
Aan de buitenkant mag zijn leven dus arm lijken, maar wat denk- en verbeeldingskracht betreft, is Obe Postma ongetwijfeld buitengewoon rijk geweest. Hij heeft een rijk zielsleven gehad, omdat hij zo’n brede belangstelling had en omdat kleine en gewone dingen -een lach, een oogopslag, een vriendelijk woord, het licht op het water of door de ramen van de kerk, een hek in Noord-Friesland, het geluid van de ganzen op de waard, een arbeidershuis – als schatten bewaarde en daarin een rijkdom vond, waar hij op kon teren.

Vrienden

Ik ben een enigszins stille en eenzelvige persoon, maar toch heb ik wel vrienden.
Het kan een kelner op een station zijn of iemand die op de markt werkt,
Of iemand anders met wie ik wel eens een woord gewisseld heb.
Ook zijn er wel mensen wier leven dichter bij mij geweest is;
Ik zie hen zo door de dag niet, maar ergens bewaar ik een lach of hun handdruk
En soms herinner ik mij die weer.
Ook bewaar ik wel eens een woord. Zo heb ik in mijn jeugd een oudere vriend gehad,
En na vele jaren bracht mijn weg me bij zijn huis en ik noemde mijn naam;
Mijn P….’ hoorde ik hem toen zeggen, en die woorden heb ik bewaard.

Er is niet zoveel voor nodig om vrienden te hebben;
Soms als ik in een dorpje aan zee kom, zijn er mensen die lachen als ze mij zien lopen;
Dan denken ze: daar is die rijmer, die over Klaas en Keimpe gedicht heeft
En over oude Oetske, over jagers en visserlui;
En zij zijn mij wel genegen.
En nu ook, zoals ik zomaar wat onnozele dingen zeg,
Kunnen er mensen zijn, die ik weet te boeien, omdat zij het leven zelf voelen,
Niet opgesierd als een beeld, maar zoals de ziel het laat zien.

Dat is de zielerijkdom van Postma en zijn verbeeldingskracht; hij kan oude beelden opnieuw oproepen en er het licht op laten vallen, zodat ze weer gaan leven, niet door er een prachtige verbeelding van te geven, maar zoals de ziel het laat zien. Aan die andere betekenis van ‘verbeelding’, die van opschepperigheid moeten we helemaal niet denken. De tweede reden die ’t Hart noemde voor het bijzondere van deze dichter, is juist Postma’s bescheidenheid. (Maar dat tussen haakjes; de andere zijn zijn late debuut en het geringe aantal thema’s in zijn poëzie.)

Wanneer Postma in 1962 nog een vers maakt met als titel ‘Alles wat ik schrijf, is waar gebeurd’ en hij die woorden tussen aanhalingstekens zet, dan citeert hij uit eigen werk en wel uit het gedicht ‘Het geschenk’ uit 1925, opgenomen in wat de dichter zelf zijn beste bundel achtte, De ljochte ierde (De lichte aarde) van 1929. In dat gedicht verklaart hij, dat hij ‘geen kracht van hoge fantasie’ heeft; hij kan geen ‘wonderbaarlijk sprookjesland’ ‘schilderen’ of de mensen utopieën voor ogen toveren, maar wat hij in zijn verzen geeft, is het beste wat hij heeft, het zijn zijn gelukkige uren, ‘de schoonste droom van jeugd en licht’ en hij schenkt die aan ‘wie maar de oude taal verstaat’. Dat is zijn geschenk, dat hij de mensen hun eigen rijkdom laat zien. Immers: ‘dat ruime veld’, ‘de gloed, de geur van klaver, de zee van het land, die golft en oprijst’ die zijn van iedereen en ook ‘wat al lang voorbij is’; ‘hun kracht, hun jeugd’ kan hij weer oproepen, zodat ze zacht glanzend opnieuw te voorschijn komen ‘als een blijer ding’. Dat is de kracht van zijn verbeelding. En ook al is bij voorbeeld dat beeld van het land dat golft en oprijst als water waar de wind overheen strijkt niet oorspronkelijk en heeft Postma dat ontleend aan de Engelse dichter Keats, zoals Breuker heeft ontdekt, Postma heeft er wel zijn eigen emotie in herkend en kan het nu op en oorspronkelijke manier toepassen.

Bij een dichter die zo concreet zegt, dat alles wat hij schrijft echt gezien en beleefd is, is het voor de biograaf natuurlijk wel een uitdaging om de bronnen van diens dichterlijke inspiratie op te sporen en na te gaan door wie en door wat hij is beïnvloed. Ik vind, dat zulke dingen nog wel in een biografie passen, ook al omdat er door de jaren heen een ontwikkeling in valt te ontdekken die steeds een andere nuance geeft aan de poëzie, maar naar mijn mening hoeft een biograaf geen definitief commentaar bij alle gedichten te schrijven. Dat is iets voor een ander boek. De vraag hoe oorspronkelijk Postma was in zijn werk moet natuurlijk wel worden gesteld.

Ik heb nu al drie zaken genoemd die behandeld moeten worden: de primaire vraag of het leven van Postma interessant genoeg is om erover te schrijven, dan het feit, dat zich in Postma een groot dichter en een bekwaam wetenschapper verenigen, een niet unieke, maartoch wel vrij zeldzame combinatie van ‘dichter’ en ‘studiemens’ en als derde de vraag naar de oorspronkelijkheid van de dichter. De kwesties zijn niet gelijkwaardig, maar wel alle drie belangrijk.

Laat mij nu eerst maar eens vertellen, hoe ik mij voorstel het leven van Postma te kunnen schetsen, dan kom ik daarna nog op de bronnen, waar ik informatie uit zou kunnen putten. In principe kies ik voor een chronologische behandeling, omdat een leven loopt van geboorte tot dood en omdat het nu eenmaal zo gesteld is, dat het voorafgaande wel invloed kan hebben op wat volgt, maar het omgekeerde onmogelijk is. Ik ben mij er wel van bewust, dat consequent toepassen van het chronologische principe het boek er niet logischer op zou maken. Daarom zal ik me er niet strikt aan houden, maar soms eerst een verhaal, bij voorbeeld dat over het leraarschap, afmaken. Ook al betekent dat, dat ik na veertig jaar wiskundeonderwijs terug in de tijd moet om de draad van Postma’s ontwikkeling als dichter weer op te pakken of om zijn wetenschappelijke belangstelling te schetsen die zich in die veertig jaar aanmerkelijk heeft verlegd van de natuurwetenschappen naar de filosofie in engere zin en daarna naar de landbouwgeschiedenis. Een mens blijft niet z’n hele leven gelijk, maar verandert steeds, soms gestaag, soms min of meer met schokken. Breuker heeft mij aangeraden om vooral aandacht te besteden aan de overgangen in Postma’s belangstelling en die als caesuren te kiezen voor de hoofdstukindeling. Dat betekent dat niet ieder hoofdstuk een vast aantal jaren zal omvatten. Ik wijk daarmee af van de methode van Charlotte Bühler, die, als ik de uiteenzetting van Jan Romein in diens boek De biografie goed begrepen heb, vooral uitgaat van de diverse fases in de menselijke ontwikkeling, waarbij in het begin steeds meer dimensies worden veroverd en na het bereiken van de volwassenheid dat aantal geringer wordt door specialisatie. Haar schema acht ik voor Postma minder gschikt, omdat die als dichter laat begint en als wetenschapper zich na zijn veertigste nog eens inwerkt in een voor hem geheel nieuwe discipline en omdat hij tot op hoge leeftijd produktief is gebleven.

Als werktitel heb ik gekozen Obe Postma (1868-1963), een leven bloeiend naar zijn aard, waarbij de ondertitel is ontleend aan de laatste regel van mijn favoriete gedicht ‘Geluk’, een gedicht, waarin Postma zelf al in 1916 het antwoord heeft gegeven op mijn eerste vraag, namelijk of zijn leven boeiend genoeg is om het te beschrijven. Ik lees de innerlijke tweespraak, want dat is dit gedicht volgens mij, nog even voor: het lijkt wel of in de vragensteller de mannelijke kant van de dichter aan het woord is die hem confronteert met de nuchtere feiten, terwijl hij in de antwoorden zijn meer gevoelige, vrouwelijke kant laat zien, die zich met het lot heeft kunnen verzoenen.

Geluk

Heb jij het land van jong verlangen
t Hoge geluk op aarde gevonden?

Ver heb ik mijn dromen laten gaan
En de hemel open gezien.

Maar je was een eenzame zwerver
En de liefde kende je niet.

Lichte aarde was mijn liefde
Met haar hartslag ging mijn hart.

Klein en pover was je leven
En je kracht wel vroeg verbruikt.

Maar op zachtste adem trillend
Heb ik Schoonheids stem verstaan.

Als jij heengaat, zullen er niet blijven
Troostrijk, liefsten van jouw bloed

Als dit eigen leven bloeide
Naar zijn aard, dan is het goed.
(SF, 87)

Ik heb niet alleen de voorlopige titel van het boek aan een gedicht van Postma ontleend, maar in de opzet heb ik ook de hoofdstukken gekarakteriseerd met dichtregels. Mijn eerste hoofdstuk heet ‘Ik ben van het land, van boeren- en dorpsvolk’, de eerste regel van ‘Land en Stad’ (SF, 283). Ik wil daar Postma’s kinderjaren tot 1879 in behandelen tegen de achtergrond van de geschiedenis van de families Postma en Rinia en hun positie in Cornwerd. Romein heeft er al op gewezen, dat een mens, behalve door biologische en psychologische factoren ook wordt gevormd door zijn sociale omgeving. Bij wijze van overgang naar het volgende hoofdstuk zal ik wat schrijven over waar de ouders belangstelling voor hadden en over hoe zij tegenover doorleren stonden. Postma heeft niet zomaar gezegd, dat zijn vader ‘geen gewone boer’ was.

In het tweede hoofdstuk met de titel ‘Jij mocht leren’ uit ‘De bank in de stal’ (SF, 273) loopt van 1879 tot 1886 en gaat over Postma’s leerjaren in het voortgezet en voorbereidend hoger onderwijs. In die jaren wordt de belangstelling die hij van huis uit al had meegekregen voor de Friese literatuur groter en begint hij ook zelf te dichten. Al stelt dat -zoals hij zelf zegt – nog niets voor.

Dat verandert in de periode die in het derde hoofdstuk behandeld wordt onder de titel ‘Het ging om de wetenschap, maar die kon alleen de open geest niet bevredigen’ uit ‘Van twee steden’ (SF, 295). Het is de periode tot en met zijn promotie, de tijd waarin hij hoopt door de natuurkundestudie dichter bij het wezen van de dingen te komen. De ‘open geest’ blijkt in die jaren uit zijn enthousiaste deelname aan het studentenleven en zijn toenemende belangstelling voor de Nederlandse literatuur. Maar de jonge Postma beleefde ook vreugde aan de stad Amsterdam met z’n pas geopende Rijksmuseum. Hoewel hij verschillende functies bekleedde in de Amsterdamsche Studenten Bond en het natuurwetenschappelijk genootschap H.A.R.T.I.N.G. studeerde Postma vlot en slaagde hij in 1889 cum laude voor zijn kandidaatsexamen.
Door het overlijden van zijn vader in de zomer van 1891 werd het leven ernstiger. Als oudste zoon steunde Obe zijn moeder bij het leiden van het boerenbedrijf, al zal hij zich ook in die tijd niet veel bezig gehouden hebben met het echte werk op de boerderij. In de herfst van 1892 doet hij – terug in Amsterdam – zijn doctoraal en gaat meteen verder met zijn promotie-onderzoek. De sinds 1863 geopende h.b.s.-en vroegen veel leraren, maar hadden een voorkeur voor docenten met een doctorstitel. Postma is dan geen redacteur meer van een studentenblad maar schrijft tot in januari 1893 ‘Brieven uit Amsterdam’ voor de Leeuwarder Courant. Terwijl hij al aan het werk was in Groningen, promoveerde hij bij Van der Waals senior in Amsterdam.

Hierna past een hoofdstuk over Postma als leraar onder de titel ‘De jeugd heb ik helpen opkweken’ uit ”U bent vast een oude schoolmeester’ (SF, 297). Nadat hij afgestudeerd was, is Postma begin 1893 drie maanden leraar geweest in Tiel aan het gymnasium, de burger-avondschool en de gemeentelijke h.b.s.. Van oktober 1893 tot de grote vakantie in juli aan de Rijks-h.b.s. Willem II in Tilburg. Uit een brief van Van der Waals weten wij, dat hij bedankt heeft voor een benoeming in Haarlem, maar het is niet duidelijk, waarom hij voor Groningen gekozen heeft. Wilde hij graag terug naar het noorden? Dichter bij zijn familie wonen? Of was het de universiteit die hem trok?
Hij werd in Groningen benoemd per 1 september 1894 voor de vakken wiskunde en mechanica. Onlangs heb ik in her archief van de Groningse Rijks-h.b.s. een brief gevonden van Minister van Houten aan Postma’s direkteur Groneman van 29 september 1896 waarin die hem machtigt om het onderwijs in de cosmografie in de 4e klas op te dragen aan Postma. In augustus 1897 schreef de inspekteur, nadat hij van de direkteur gehoord had, dat dat vak prima aan deze docent kon worden toevertrouwd, dat hij hem machtigde zulks te doen. Sindsdien heeft Postma in de twee hoogste klassen altijd niet alleen de werktuigkunde, maar ook de sterrenkunde gedoceerd.
Door het archief van de school te bestuderen is mij ook duidelijk geworden, dat het onderwijs Postma niet licht viel. In 1903, 1912 en 1915 is hij voor langere tijd met ziekteverlof geweest om uit te rusten en toen de inspekteur in dat laatste jaar vroeg, hoeveel lessen iedere docent gaf, antwoordde direkteur Jensema, die in 1905 Groneman was opgevolgd, dat Postma niet meer dan 22 uren gaf, maar om gezondheidsredenen ook niet meer uren wilde hebben.
Over hoe de leerlingen zich deze wiskundeleraar herinneren, is wat bekend geworden uit een enquète die Freark Dam in 1978 heeft gehouden. De meningen zijn verdeeld: sommigen vonden dat hij op een heldere manier les gaf en goed uit kon leggen, anderen uitten hun spijt, omdat ze hem, die toch al niet zo’n sterke orde had, gepest hadden. In de antwoorden overheerst het idee, dat Obe ‘een goed mens’ was, maar de leerlingen vonden hem wel een beetje eigenaardig, ouderwets, kwetsbaar, maar wel sympathiek en altijd rechtvaardig. Bij het interpreteren van de antwoorden moeten wij wel bedenken, dat het vooral de jongste lichtingen uit Postma’s lange leraarschap zijn naar wier mening in 1978 nog gevraagd kon worden. Bij een enquète onder de leerlingen van rond 1900 of uit de jaren ’10 van de twintigste eeuw zouden de uitkomsten een heel ander beeld hebben kunnen opleveren. In die periode nam Postma ook deel aan buitenschoolse activiteiten zoals de reciteervereniging ‘Demosthenes’. In 1914 was hij lid van de feestcommissie en eindredacteur van het gedenkboek dat verscheen bij het 50-jarig bestaan van de school.
De leerlingen die al dan niet met name genoemd worden in gedichten van Postma, stammen allemaal uit de lichtingen van de jaren ’10. Dat is de tijd geweest, dat Postma met enkelen van hen meer persoonlijk omgang had. Als biograaf moet ik mij wel afvragen of die jongensvriendschappen en de gevoelsworsteling die daarmee gepaard ging, misschien mede de oorzaak waren van de overspanning, waaraan hij in diezelfde periode leed. Ik wil nu op zijn homosexualiteit, waar al eerder over geschreven is, maar niet ingaan, omdat het een te complexe problematiek is om hier op een zondagmiddag in november te bespreken. In plaats daarvan lees ik liever ‘De wandeling’ voor, een gedicht dat gaat over een tocht langs het Hoornsche Diep met een van die jonge vrienden.

De wandeling

Samen liepen wij, mijn jonge vriend en ik,
Het pad langs, dat mij lief was, door het blijde land;
Mij trekt zijn vrolijke jeugd; wat was het in mij,
Uitgebloeid, verdord, dat invloed op hem had?

Gewillig voegde hij zich nu naar mijn rustiger gang
En hield in, als ik even bleef staan,
Om aan te wijzen, waar ik het mooie wist
Want hij moest zien, wat ooit mijn vreugde was.

In diepste pronk lag lentes groene land;
In de verte loeit een koe, de kikkers kwaken zo;
Het voorjaar zingt in mij zijn machtige lied,
De blanke weg loopt naar ’t oneindige toe.

En naast mij klinkt de ranke, jonge stem,
Die makkelijk dan vooruit schiet dan weer keert,
En almaar zingt van jeugd; de blijde zang
Van wie geen ander geschenk dan het leven zelf begeert.

Voor hem kan de klank van het voorjaar niet zijn als voor mij
Een roep die jeugdigheid geeft aan het oude geslacht
Maar ook voor hem is zang en kleur en licht,
Alle kostelijke dingen van lentes vroege pracht.

Zo gaan we ons lichte pad. Wie geeft, wie neemt?
Aan het eind staan we stil en aarzelen en verroeren ons niet,
Maar hebben geen keus. Dan draaien we ons zwijgend om;
En in mij klinkt: jou na staat ’t het jonge hart!
(SF, 177)

Nadat het leraarschap van 1893 tot 1933 is behandeld, moet ik in hoofdstuk V terug naar de natuurkunde, waarmee Postma zich na zijn promotie in 1895 nog tot 1918 af en toe bezig heeft gehouden. Ik doe dat onder de titel ‘Hun gedachten geven houvast, waar ons begrip breekt’ uit ‘Bij de dood van een groot sterrenkundige’. (SF, 213) en ik heb die dichtregel uitgekozen, omdat de wat sneue constatering die erin vervat is, voor mijn gevoel Postma’s teleurstelling in de natuurwetenschappen en in zichzelf als natuurkundige wel goed onder woorden brengt. Hij had voor het vak gekozen om dichter bij het wezen van de dingen te komen, maar dat doel had hij niet bereikt.
Het bleef overigens wel iets om na te streven. In 1914 omschreef hij in zijn bijdrage aan het Derde Gedenkboek van de Rijks Hoogere Burgerschool te Groningen de taak van de leraar in het middelbaar onderwijs die volgens hem ‘tegelijk opvoeder en man van de wetenschap moet zijn.’ (…) zo: ‘hij kan liefde opwekken voor het vak zijner keuze, of meer algemeen den drang doen ontwaken door te dringen tot “het wezen der dingen”, hij kan de smaak ontwikkelen voor literatuur, hij kan, laatst, maar niet minst, geregeld en ordelijk leeren werken.’ Het is een mooi programma, waarin je de man zelf als filosoof, dichter en consciëntieus onderzoeker herkent.
Over de kwaliteit van de publicaties die Postma op het gebied van de wis- en natuurkunde heeft geleverd, inclusief zijn dissertatie onder de titel Iets over uitstraling en opslorping van 1895 en het boekje Het meten van 1903 kan ik zelf geen oordeel vellen. Ik ben blij, dat mijn man, die theoretisch fysicus is van studie, zich daar in wil verdiepen en ik hoop, dat ik, als ik aan dit hoofdstuk toe ben, gebruik kan maken van zijn conclusies.
Terwijl Postma nog in de marge deelneemt aan het natuurwetenschappelijk discours, heeft zijn belangstelling zich onder invloed van zijn vriend De Boer omstreeks 1898 al verlegd naar de filosofie en in 1918, als zijn laatste bijdrage aan de Verslagen en Mededelingen van de KAW verschijnt, biedt hij ook al zijn eerste historische artikel aan De Vrije Fries aan, het jaarboek van het Friesch Genootschap voor Geschied- , Oudheid- en Taalkunde.
In dit hoofdstuk moet ook nog genoemd worden, dat Postma in 1905 heeft meegewerkt aan het onderzoek van de vermaarde Groningse sterrenkundige Kapteyn en dat hij in 1908 op verzoek van de Faculteit een poosje college aan pre-kandidaten heeft gegeven in hogere algebra en in differentiaal- en integraalrekenen.

In hoofdstuk VI wil ik onder de titel ‘Naar de verste tijden neemt het geruis ons mee’ uit ‘Augustuszondag’ (SF, 117) uitleggen, hoe Postma zich van een liefhebber van historische studie heeft ontwikkeld tot een autoriteit op het terrein van de Friese agrarische geschiedenis. Wanneer precies zijn belangstelling voor de geschiedenisstudie werd gewekt, is niet helemaal duidelijk. Ook hier zal er wel sprake zijn van invloed van De Boer, die al in 1898 had gepubliceerd over het leven van de Friese boer en in 1907 over de Friese grond. In de lezing die Postma in 1939 hield voor de Provinciale Onderwijsraad, verklaarde hij, dat er in de tijd na zijn promotie andere wetenschappen dan de wiskundige op hem afkwamen, ‘vooral de filosofie en de geschiedenis van de wetenschappen, want eigenlijk was het de wiskunde zelf nier die mij zo in beslag nam als het bij een echte wiskundige behoort te zijn.’ **
Op 12 april 1913 sprak Postma voor de wetenschappelijke afdeling van het Natuurkundig Genootschap in Groningen over ‘Natuurwetenschap en historische wetenschap’ en toen had hij zich al goed ingelezen in de theorie. Uit zijn aantekenschriften, waarover ik het dadelijk bij de bronnen nog zal hebben, blijkt ook, dat hij zich eerst heeft bezig gehouden met literatuurstudie en pas in 1918 een regelmatige bezoeker van het Rijskarchief in Groningen is geworden.
Hoogtepunt is in 1934 de uitgave van De Friesche Kleihoeve, waarin veel van zijn kleinere werk is samengebracht. Dat hem gevraagd werd om het behandelen van de oudste perode op zich te nemen voor het in 1952 te verschijnen jubileumboek van de Friesche Maatschappij van Landbouw, was de kroon op het werk en betekende erkenning van Postma’s deskundigheid als historicus ook al was hij in dat vak autodidact.

Het zevende is een beetje een bijzonder, niet aan jaartallen gebonden, hoofdstuk, waain ik onder de titel ‘Het geluk van het leven zien’ uit de cyclus ‘De droom van een gelukkig leven’ (SF, 71) wil laten zien, wat het voor Postma heeft betekend dat hij kon dichten en de poëzie tot zijn beschikking had om zich te uiten. Het gaat daarbij ook over het verschil tussen wetenschap, waarbij volgens Postma de geest actief was en poëzie, waarbij hij de geest meer passief kon laten dwalen.

In het daarop volgende hoofdstuk, ‘Dit is het kostbaarste wat het leven te bieden had’ uit een van de allerlaatste gedichten ‘U leest vast vaak in uw eigen gedichten?’ (SF, 380) wilde ik de poëzie bundel voor bundel behandelen. Postma schreef zijn eerste verzen, die hij – na die uit zijn studententijd – wel wilde publiceren, in 1900. Zijn eerste bundel is van 1918. Ik ga in dit hoofdstuk dus opnieuw een heel eind terug in de tijd.
Naast overgangen in de belangstelling van natuurkunde naar filosofie en van filosofie naar geschiedenis zijn er ook overgangen in de poëzie. Ik volg wat dat betreft Breuker die zowel in zijn rede Obe Postma als auteur van het sublieme uit 1996 als in zijn inleiding op de nieuwe uitgave van de Samle fersen van 2005 heeft aangetoond, dat Postma omstreeks 1911-’12 voor het eerst niet meer met beelden van de natuur en eigen herinneringen komt, maar ook mensen en dingen uit vroeger tijden laat figureren. De ziel sloeg de vleugels uit wat ruimte en tijd aanging, schreef hijzelf in 1922.Vanaf 1932 is het de alledaagse werkelijkheid met bestaande personen, waaraan hij in zijn verzen aandacht besteedt. Die caesuren vallen niet samen met de indeling in bundels, terwijl er bovendien nog perioden met invloed van andere dichters onderscheiden kunnen worden van Gorter en Verwey in het begin, Wordsworth en Keats, die hij een aantal jaren later ontdekte, naar Boutens, Rilke, Slauerhoff, Dickinson en de Chinese dichters. Hoe ik dat na en naast elkaar moet vertellen, weet ik nog niet precies en misschien blijkt bij het schrijven wel dat het handiger is om de overgangen in de poëzie te verbinden met Postma’s ontwikkelingsgang wat zijn wetenschappelijke belangstelling betreft. Ik zou ze dan daarbij kunnen behandelen en er in dit hoofdstuk over de poëzie naar terug kunnen wijzen. In principe wilde ik dit hoofdstuk laten ophouden bij 1937, toen de bundel Dagen is verschenen.

Tussen die bundel en It sil bestean (Het zal bestaan) van 1946 ligt de oorlog en ik wil in hoofdstuk IX, dat de tijd van 1937 tot 1963 omvat, in de eerste plaats laten zien, hoe Postma en zijn zuster daar doorheen zijn gekomen. Daarbij heb ik dan ook de gelegenheid om over Postma’s politieke opvattingen te schrijven. Hij zag niets in het socialisme en nog veel minder in het nationaal-socialisme. De oorlogsomstandigheden hinderden hem bij zijn archiefstudie en hij had er last van, dat zijn werk niet uitgegeven kon worden. Aan de verzen die hij na 1937 schreef, valt af te lezen, dat zijn wereld kleiner werd en zijn denkkracht afnam. In zijn dichtwerk geeft hij vrijwel alleen nog maar bespiegelingen over nogal alledaagse dingen en commentaar op wat mensen gezegd of geschreven hebben. ik noem dit hoofdstuk dan ook maar ‘Dan kijk ik naar mijn eigen leven’ met een regel uit de cyclus ‘Zo’n leven’ (SF, 321).

Als afsluiting volgt dan nog ‘Wie aan mij wil denken, gedenke mij zo’ uit het kwatrijn ‘Mens’ (SF, 242), een laatste hoofdstuk om conclusies te trekken en om misschien nog iets te vertellen over de receptie en de ‘nawerking’ van Postma, hoewel dat laatste misschien ook niet eens hoeft in een biografie.

Ik heb de laatste tijd veel nagedacht over wat er wel en niet in mijn boek moet en kan komen en ik ben daarbij tot de conclusie gekomen, dat er over Postma’s werk op het gebied van de wis- en natuurkunde een apart artikel geschreven zou kunnen worden en over de onderwerpen ‘filosofische ontwikkeling’ en ‘werk op het terrein van de landbouwhistorie’ beide een volledig boek. En ook dat een biografie niet de plaats bij uitstek is voor het behandelen van vragen over de literaire theorie of voor commentaar op de afzonderlijke gedichten. Zodoende moet ik mij beperken tot een overzicht van dit lange leven, waarin al die genoemde thema’s aandacht krijgen en in hun tijd geplaatst worden, zonder dat ze op zichzelf uitputtend behandeld worden.

Dat brengt mij bij de bronnen, omdat een van de vragen waar ik nog geen antwoord op weet, is of men gedichten als bron van informatie mag gebruiken. Ik denk, dat dat in principe niet mag, omdat literatuur per definitie de waarheid liegt en fictie geen feit is. Maar ligt dat niet iets genuanceerder bij een dichter die zo autobiografisch dicht en zo aanwijsbaar reflecteert op gebeurtenissen uit zijn eigen leven en die bovendien nog zelf verklaart, dat alles wat hij schrijft, werkelijk gebeurd is en dat hij ‘geen kracht van hoge fantasie’ heeft? En stel, dat dat zo is bij Postma en dat men de verzen wel zou mogen gebruiken, is het dan nodig om die stuk voor stuk en regel voor regel uit te pluizen om tot een onweerlegbare interpretatie te komen? En hoe staat dat met de brieven? Het lijkt erop, dat die al wat objectiever zijn, al valt ook daarop wel wat af te dingen. Het is wel prettig, dat Postma zelf brieven heeft afgestaan aan archieven en er zodoende blijk van heeft gegeven, dat hij inzag dat nagelaten correspondentie belangrijk is voor biografische studie.
Een algemene stelregel bij dit soort onderzoek is, dat één bron geen bron is, maar er zijn uit het leven van Postma heel wat dingen waarvan wij alleen maar uit brieven en gedichten wat weten. Zo stond bij voorbeeld in een nog maar kort geleden bij de familie ontdekte brief, dat het vers ‘De wandeling’ slaat op een tocht met een bepaalde leerling. Nu wij de naam van die jongen kennen, kunnen wij hem opsporen in de archieven en iets gewaar worden van zijn achtergrond, maar zonder die speciale brief was het een kwestie van raden en moeizaam reconstrueren gebleven op basis van andere gedichten en een brief uit de nalatenschap van Postma zelf van juist deze jongen.
Postma heeft met uitzondering van een klein aantekenboekje van toe hij nog naar de lagere school ging, geen persoonlijke aantekeningen in de vorm van een dagboek nagelaten, maar er worden wel 800 aantekenschriften bewaard bij de Fryske Akademy en een stuk of tien bij Tresoar uit de collectie van het FLMD. In die laatste staan de kladversies van zijn gedichten en in de andere aantekeningen die hij maakte bij het lezen van studies op het gebied van filosofie, ethiek, esthetiek, wetenschaps- en andere geschiedenis. Breuker heeft ze bekeken, geordend en er in 1983 in De Vrije Fries een overzicht van gegeven. Hij heeft er voor zijn publicaties over Postma ook gebruik van gemaakt, maar dat ontslaat mij niet van de plicht om ze ook allemaal door te nemen. Samen hebben wij al eens naar de geschiedenisschriften gekeken en zelf heb ik van ruim dertig andere schriften samnevattingen gemaakt, maar het probleem met zulke persoonlijke aantekeningen bij lectuur is, dat je niet ziet, wat hem nou precies heeft getroffen, omdat je de boeken die hij bestudeerde er niet bij hebt. Je weet niet goed, waar je om zoekt en dus valt je aanvankelijk ook niet zo veel op. Het is het verschijnsel, dat mensen die zich met dit soort onderzoek bezig houden vast wel kennen, dat je de bronnen meer dan eens moet bestuderen, omdat je naarmate je meer van je onderwerp weet, er ook meer uit oppikt dat voor je onderzoek van belang is.
Wat dat betreft is het ouderwetse archiefonderzoek bevredigender.De burgelijke stand, belastingcohieren en notariële archieven bieden meteen betrouwbare informatie. De archieven van de school en van de verenigingen waarbij Postma aangesloten is geweest, vragen al weer wat meer interpretatie. Behalve dat ze belangrijke en minder belangrijke objectieve gegevens verstrekken, brengen ze je tot een meer subjectieve meningsvorming over de persoon in een bepaalde periode van diens leven Ik heb daar in mijn verhaal al een paar voorbeelden van gegeven. De laatste schriftelijke bron wordt natuurlijk gevormd door de publicaties van de man zelf, maar het spreekt zozeer vanzelf, dat de biograaf die moet lezen, dat ik daar verder niets over zal zeggen.
Dan blijven nog de orale bronnen over, de mondeling doorvertelde verhalen van mensen die Postma nog gekend hebben of van horen en zeggen nog dingen van hem weten. Er zijn niet zoveel mensen meer die hem nog hebben meegemaakt en de mensen die hem nog gekend hebben, waren zoveel jonger, dat ze niet op voet van gelijkheid met hem omgingen. Toch ben ik blij met een echte achterneef in ons bestuur en wil ik graag in contact komen met mensen die mij nog iets over Postma, zijn familie of de situatie in Cornwerd van weleer kunnen vertellen.

Ik hoop, dat ik u een indruk gegeven heb, van wat ik aan het doen ben en op welke vragen en problemen ik daarbij stuit. Tussen de bedrijven door heb ik de belangrijkste feiten uit het leven van Postma weer even opgehaald en heb ik u enkele van zijn mooiste gedichten laten horen.
Nu ik een aantal jaren bezig ben met de Postma-studie rijst er langzamerhand een wat genuanceerder beeld van de man voor mij op en worden ook de contouren van het boek, dat ik over hem zou kunnen schrijven duidelijker.
De vergelijking is niet nieuw, maar als een biografie beschouwd wordt als een legpuzzle met duizenden stukjes, dan heb ik ondertussen de rand wel zowat af en liggen er daarbinnen ook al wel wat stukjes met de gekleurde kant naar boven en aan elkaar. Dat zijn bij voorbeeld de stukjes die Postma’s ijver, zijn preciesheid, zijn oog voor ogenschijnlijk niet zulke belangrijke gegevens en zijn kritische geest laten zien, maar ook stukjes waarop zijn soberheid, zijn benieuwdheid en nieuwsgierigheid en zijn humor aan het licht komen. Het gaat hier natuurlijk om een puzzle uit een oude doos en ik weet niet of hij nog wel helemaal compleet is. En stel, dat alle stukjes nog te vinden zouden zijn, dan zal het mij vast niet lukken om ze allemaal om te keren en op de goede plaats te leggen. Van wat er nu ligt, zal ik vast ook nog wel eens wat moeten verschuiven, maar ik ben toch al wel zover, dat er een beetje tekening in komt en dat ik steeds meer plezier krijg in het werken aan deze puzzle. Gelukkig hebben anderen ook al gedeelten gelegd en zij willen mij wel helpen. Ik reken u daarbij en hoop, dat ik na verloop van tijd nog eens mag komen vertellen, hoe ver we dan met elkaar zijn gekomen.

* Peter van der Meer, documentalist bij de Fryske Akademy, op 4 november 2006 op de Genealogendag op Tresoar (mededeling dr. A.A. Bosma)

** citaat overgenomen van noot 16 van Breuker, 1996

De gedichten en de citaten daaruit zijn aangehaald uit Obe Postma, Samle fersen. Ed. Tineke Steenmeijer-Wielenga. Leeuwarden, Ljouwert, 2005

Gebruikte boeken:

Philippus Breuker, ‘It godlike fan dream en sinnen’. In ynlieding op de Samle fersen fan Obe Postma. Zie bovengenoemd boek, pp. 499-575

Ph.H. Breuker, Obe Postma als auteur van het sublieme. Ljouwert/ Leeuwarden, 1996

S. Dresden, De structuur van de biografie. Den Haag, 1956

Jan Romein, De biografie. Amsterdam, 1951.

Dr. Obe Postma…. mear as in Frysk dichter

earste lêzing fan it Obe Postma Selskip (sa likernôch sa) hâlden troch Tineke Steenmeijer-Wielenga yn de tsjerke fan Koarnwert op snein 19 novimber 2006

Achte dames en hearen, leden fan it Obe Postma Selskip en oare belangstellenden,

Oan my is de ear om yn it noch jonge bestean fan ús Selskip de earste lêzing te hâlden. Ik sil wat fertelle oer myn wurk foar de biografy fan Postma, in boek dat ik skriuwe wol as dissertaasje en dêr’t ik dan fan hoopje der yn 2009 by Philippus Breuker op promovearje te kinnen oan de Universiteit van Amsterdam, Postma syn Alma mater. Ut myn stúdzjekar, de Fryske taal- en letterkunde en út myn wurk oan it Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum yn Ljouwert, in ynstelling dy’t sûnt de fúzje mei de Provinsjale Biblioteek en it Ryksargyf ûnderdiel is fan it histoarysk en letterkundich sintrum Tresoar, docht al wol bliken, dat de ynfalshoeke, dêr’t ik út wei skriuwe sil, de literêrhistoaryske wêze moat. Lees verder Dr. Obe Postma…. mear as in Frysk dichter