Categorie archief: Studiedagen

Verslag studiedag ‘Friese Geschiedschrijving’

Op vrijdag 30 november 2012 vond in Tresoar onder auspiciën van het Obe Postma Selskip een studiedag plaats over Friese geschiedschrijving in de periode 1913 tot 1938. Die periode is door de initiatiefnemer (Philippus Breuker) gekozen vanwege het feit, dat in 1913 Postma zijn eerste historische studie verscheen, terwijl in 1938 de Fryske Akademy werd opgericht; Postma was daarbij actief betrokken. Afgezien van de sprekers namen ruim veertig geïnteresseerden deel aan deze in alle opzichten geslaagde studiedag. Zie ook het interview met Maarten Duijvendak, één van de sprekers, in de Leeuwarder Krant.

Foto’s en diapresentatie met uitgebreide onderschriften van George Huitema: klik hier

Bert Looper, directeur van Tresoar, opende de studiedag. Hij memoreerde, dat er zo langzamerhand een traditie opgebouwd is wat betreft OPS-studiedagen; deze studiedag is de zesde op rij. Hij liet de deelnemers aan de studiedag het filmpje zien, dat onlangs in het Friese Filmarchief opgedoken is en dat bewegende beelden van Postma bevat. De Bolswarder amateurfilmer Klaas Mol maakte in november 1950 opnamen voor dit filmpje van de gasten bij de uitreiking van de Gysbert Japicxpriis (literatuur) en de Joast Halbertsmapriis (wetenschappelijk werk). Hij filmde een aantal mensen, die het stadhuis in gingen en het later weer verlieten. Onder hen dus ook Obe Postma, Gysbert-prijswinnaar van 1947. In 1950 was Postma 82 jaar. Bert Looper besloot zijn openingswoorden met het gedicht ‘It hat west, it is’, de tekst waarvan op een fles Tresoar-wijn vermeld is.

Op de studiedag voerden vijf sprekers het woord, te weten Marnix Beyen, Maarten Duijvendak, Hanno Brand, Philippus Breuker en Johan Frieswijk. Goffe Jensma, die een lezing zou houden over ‘Geschiedschrijving in Friesland 192-1940’, moest wegens omstandigheden verstek laten gaan. Marnix Beyen, steunend op zijn dissertatie ‘Een bewoonbare geschiedenis. De omgang met het nationale verleden in België en Nederland, 1938-1947’, gaf een karakteristiek van de geschiedschrijving aan het begin van de vorige eeuw. De historische wereld, aldus Beyen, vertoonde geen dynamiek en was sterk gesloten (‘een kleine wereld’). De institutionele onderbouw schoot tekort en er was sprake van chronische onderfinanciering. Later, zei Beyen, kwam er een periode van verwetenschappelijking, chronologische en thematische verruiming, ook geschiedtheoretische verdieping en academische erkenning van de (nog verzuilde) historiografie. Deze ontwikkeling is voor een deel ook te volgen in Tollebeek’s ‘De Toga van Fruin’, waarnaar Marnix Beyen dan ook een aantal malen verwees. Maarten Duijvendak, hoogleraar te Groningen ging in op de (pre-) professionele regionale geschiedenis. Izaak Gosses, oud-Dokkumer, stond centraal in de lezing van Hanno Brand. Deze gaf onder de trefwoorden homogenisering en diversificatie een profiel van (het oeuvre van) Gosses. Hij verwees meermalen naar Gosse’s proefschrift met de titel ‘Stadsbezit in grond en water gedurende de Middeleeuwen. Een historisch-oeconomische beschouwing’. Philippus Breuker ging vervolgens in op Postma als historisch onderzoeker. Breuker’s lezing lag in zeker opzicht in het verlengde van zijn schets van ‘Postma als landbouwhistoricus’, zoals die als inleiding in het boek ‘Veld, huis en bedrijf. Landbouwhistorische opstellen’ is opgenomen. Tal van interessante aspecten (Postma’s receptie van het werk van Karl Lamprecht en Heinrich Rickert, zijn visie op ‘verandering’ in/van het historisch proces) kwamen aan de orde. Johan Frieswijk, tenslotte, ging in op het oeuvre van G.A. Wumkes. Deze schreef een groot aantal historische studies, biografieën en boekbesprekingen, onder meer zijn ‘Bodders yn de Fryske striid’. Als bijdrage aan de Friese geschiedschrijving wordt dit boek als een klassieker binnen de Friese literatuur beschouwd.

Tentoonstelling

Parallel aan de studiedag was er, dank zij het werk van Tineke Steenmeijer-Wielenga en Bert Looper, een tentoonstelling ingericht. In vijf vitrines stonden de volgende onderwerpen centraal: (I) Obe Postma, (II) de geschiedschrijving in Nederland van circa 1913 tot 1938, (III) regionale geschiedschrijving uit dezelfde periode, (IV) I.H. Gosses en, tenslotte, (V) G.A. Wumkes. In het volgende een korte beschrijving (van de hand van Tineke Steenmeijer, waarvoor veel dank) van deze vijf thema’s:

I. Postma als historicus

De grote historische publicaties: ‘De Friesche kleihoeve’ en de ‘Geschiedenis fan de Friese Landbouw’ met de oorkonde van de dr. Joost Halbertsmaprijs, die hij samen met de hoofdauteur J.J. Spahr van der Hoek in 1952 daarvoor had gekregen. Verder voorbeelden van Postma zijn wijze van werken: naast een foto van veldwerk met Spahr, Postma zijn eigen exemplaar van het ‘Register van den Aanbreng 1511’ met aantekeningen in handschrift, losse notities en in fijn ingetekend kaartje van de percelen in Koarnwert en de buurtschappen daarbij, gebruikt voor een vroege historische publicatie ‘Een Fries dorp in 1546’. Tineke Steenmeijer had ‘De Friesche Kleihoeve’ open gelegd bij het Foarwurd, omdat dat zo’n mooie tekst is over het verschil in wijze van zien tussen een dichter en een wetenschappelijk onderzoeker, over de impressie van het landschap, over wat wel de ‘historische sensatie’ wordt genoemd (Johan Huizinga, Frank Ankersmit). Ook het gedicht ‘Fan âlde tiden’ van 1912 was in de uitstalling opgenomen, volgens Philippus Breuker het eerste gedicht waarin het denken over de geschiedenis als proces en als studie-object manifest wordt.

II. T. J. de Boer en J. Huizinga

Belangrijke invloed op het overgaan van Postma op historisch onderzoek heeft zijn vriend Tjitse Jitses de Boer uit Wurdum gehad, die hem schreef, dat de studie der geschiedenis minder abstract is vergeleken met natuurweten-schappelijk onderzoek. Van hem (de Boer) lagen naast een foto en twee brieven de artikelen ‘De Friesche Grond in 1511’ en ‘De Friesche Kleiboer’ uit de bundel ‘Historische Avonden’ in de vitrine. Daarbij een brief van Postma aan Wumkes, waarin hij, bij de aanbieding van ‘Een Fries dorp in 1546’ , zichzelf een dilettant noemt op het vlak van het historisch onderzoek. Ook Johan Huizinga had invloed op Postma. In de vitrine bij een foto zijn artikel ‘Hoe verloren de Groninger Ommelanden hun oorspronkelijk Fries karakter?’ met aantekeningen van Postma in één van zijn oudste schriften over geschiedenis, een brief van Postma aan Huizinga met kritische opmerkingen en een verwijzing naar zijn eigen eerste historische publicatie.

III. Regionale geschiedschrijving

Hier is volstaan met de namen van een aantal historici van wie publicaties getoond zijn: A.E. van Giffen (overdruk van Postma zijn artikel voor de huldebundel) , P.C.J.A. Boeles, Douwe Kalma, J.T. de Jager en J. Botke (met foto). In een interview in Frysk en Frij noemde Postma de laatste en I.H. Gosses als kennis die hem geïnspireerd heeft bij zijn studie van de geschiedenis. Beide woonden in Groningen in de Herman Colleniusstraat, waar Postma en zijn zuster ook sinds 1921 gehuisvest waren.

IV. I.H. Gosses

Op aanwijzing van Hanno Brand was deze vitrine ingericht met de belangrijkste publicaties van prof. Gosses en een artikel van Hans Mol over hem uit Fryslân (met foto).

V. G.A. Wumkes

Van Wumkes waren, naast foto’s en persoonlijke documenten (zoals een huldigingsalbum bij zijn 80ste verjaardag), ook de belangrijkste publicaties op historisch vlak uitgestald: ‘Bodders yn de Fryske striid’ (met uitgeverscontract), ‘Paden fen Fryslân’ en ‘Stads- en Dorpskroniek van Friesland’. Zijn rol als dominee bleek uit zijn boek over het Friese Réveil. De Bijbelvertaling was te zien via de foto van Wumkes en E.B. Folkertsma, druk aan het werk met dat grote project. Wumkes is vaker dan één keer gehuldigd; naast het al genoemde album met handtekeningen, lag in de vitrine de Earebondel en verder zijn autobiografie ‘Nei sawntich jier’.

In het voorjaar van 2013 verschijnen de lezingen, voorzien van een redactionele inleiding, in boekvorm en wel in de Obe Postma Rige.

Geslaagde studiedag over ‘Postma en de natuurwetenschap’

Op vrijdag 25 november organiseerde het Obe Postma Selskip voor de vijfde keer op rij een studiedag. Dit keer was het thema ‘Zekerheden in waarnemingen. Natuurwetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland rond 1900′.

Een keur van acht sprekers behandelde tal van aspecten over de natuurkunde rond 1900. Prof. Dr. George Huitema en Dr. Jan Guichelaar, de twee die het meest intensief zich met de voorbereiding van deze studiedag en de parallel lopende tentoonstelling in Tresoar hebben beziggehouden, kunnen met voldoening terugkijken op hun arbeid. Dat deden ook de rond zeventig toehoorders.

Onderstaand een foto-impressie van deze geslaagde dag. Deze impressie is gemaakt door Frens Jan Rumph en George Huitema. In april verschijnt het boek, waarin alle bijdragen nog een keer nagelezen kunnen worden.

Klik voor foto’s hier

 

Studiedag ‘Geschiedenis van het landschapsonderzoek’

Op 20 november 2009 organiseerde het Obe Postma Selskip in het Fries Historisch Centrum Tresoar (Boterhoek 1, 8911 DH) te Leeuwarden een studiedag rond de geschiedenis van het onderzoek van de landschappen in Laag-Nederland. Postma deed bijna een halve eeuw onderzoek naar de historische geografie van Friesland en aangrenzende gebieden, schreef tientallen bijdragen over de landbouwgeschiedenis en het verleden van het cultuurlandschap met als belangrijkste publicatie het in 1934 verschenen De Friesche Kleihoeve.
Op de studiedag werd het werk van Postma tegen het licht gehouden en kwamen de werkzaamheden van tijdgenoten in andere delen van Laag-Nederland en daarmee de geschiedenis van het landschapsonderzoek met name in de periode 1800-1975 aan bod. Sprekers waren Jan Bremer, Egge Knol, Adrie de Kraker, Herman Lambooij, Karel Leenders en Meindert Schroor. Dagvoorzitter was Guus Borger.

Hieronder het programma van de studiedag:

Programma
10.30 Inloop, koffie
10.55 Opening Siebren van der Zwaag, voorzitter Obe Postma Selskip
11.00 Egge Knol, Geschiedenis van kwelders, wierden en dijken. Werk voor natuurwetenschappers.
11.40 Meindert Schroor, Tussen Geologie en Geakunde. Historische geografie van Friesland 1850-1950.
12.20 Discussie
12.30 Lunch
13.30 Herman Lambooij, Het middeleeuwse kaartbeeld van Hollands Noorderkwartier.
14.10 Jan T. Bremer, De genese van de Kop van Noord-Holland en het westelijk Waddengebied.
14.50 Discussie
15.00 Thee/koffie
15.20 Adriaan M.J. de Kraker, Landschapsonderzoek in de Zeeuwse Delta, 1990-2010.
16.00 Karel A.H.W. Leenders, Door de kracht der vloeden, of door ’t toedoen van menschen, verandert of gantsch te niet gegaan.
16.40 Discussie
17.00 Afsluiting en borrel


 

Samenvattingen lezingen OPS-studiedag ‘Geschiedenis van het landschapsonderzoek’

Geschiedenis van kwelders, wierden en dijken. Werk voor natuurwetenschappers – Egge Knol

Archeologie en geschiedenis worden veelal aangezien voor α-studies, maar in Groningerland waren het de natuurwetenschappers, die voor doorbraken zorgden in onze kennis van het verleden van het waddenland. De natuurwetenschappen legt de nadruk op waarnemen en meten, voorafgaande aan interpretaties, en is zo anders opgebouwd als de gewone geschiedwetenschap waar de opbouw van een mooi en helder betoog of verhaal voorop staat. Nog steeds zijn er historici die nooit een archief met data van binnen zien. Het is wellicht de andere en daardoor frisse blik die het succes van de natuurwetenschapper als autodidacte historicus bepaalde. Obe Postma was een gedreven Fries voorbeeld van dit verschijnsel. In zijn Groninger tijd zal hij kennis genomen hebben van de hier genoemde voorbeelden.

De beide medici Rembertus Westerhof (1801-1874) en Gosiwinus Acker Stratingh (1804-1876) zorgden voor een enorme verrijking van de kennis op het gebied van het vroegere landschap, de bewoning van de wierden en de geschiedenis van de dijken. Beide geleerden begonnen als vrienden maar kregen in toenemende mate verschillen van mening. Westerhof wist zijn verhaal het beste te verpakken, kreeg de meeste onderscheidingen en was bijna hoogleraar geworden, maar Acker Stratingh is degene die bij terugblik de grootste verdienste toe komt. Hij publiceerde als eerste een geologische kaart van de provincie Groningen en bleef met zijn argumentatie dichter bij wat nu gezien wordt als werkelijkheid. Westerhof was echter origineler. Met een gloedvol betoog wist hij rechters te overtuigen dat de wadden de oevers van rivieren zijn en niet de oever van de zee. Een grote stap voorwaarts in een langslepend conflict tussen de oevereigenaren en de staat der Nederlanden. Samen met de landmeter en ijker Gerardus Azings Venema (1808-1873) schreef Acker Stratingh een verhandeling over de Dollard. Het is een prachtige synthese van historisch onderzoek en natuurwetenschappelijke waarnemingen. Beide geleerden kregen voor hun werk een eredoctoraat in de natuurwetenschappen van de Groninger Universiteit (1850 en 1864).

In het voetspoor van deze geleerden zorgde de huisarts Folmer voor de studie van menselijke resten uit de wierden, onderzocht de chemicus Van Bemmelen de bodem van ons land en wist uiteindelijk de bioloog Van Giffen het onderzoek van wierden en de Noord-Nederlandse kust internationaal erkend te krijgen. In recente tijd is de invloed van natuurwetenschappers op de studie van de geschiedenis van het kustlandschap niet te onderschatten. De bodemkundigen waren de eersten die het belang van de middeleeuwse veenontginningen voor de ontwikkeling van ons laagland in zagen. De Nederlandse traditie van paleogeografische kaarten draagt sterk bij aan de bewustwording van de ruimtelijke ontwikkeling van ons land.

Tussen Geologie en Geakunde. Historische geografie van Friesland 1850-1950 – Meindert Schroor

Friesland heeft een rijke traditie op het gebied van de landmeetkunde, de cartografie en de landbeschrijving. Een traditie die begint met namen als Gemma Frisius, Viglius, Metius en Freitag en verder langs namen voert als Bernardus Schotanus, Johan Vegelin van Claerbergen en ’s lands eerste gemeentearchivaris, de Leeuwarder Wopke Eekhoff, maar waartoe wij in zekere zin ook vervaardigers van geografische woordenboeken zoals E.M. van Burmania, Abraham Ferwerda, F.W. van Breest Smallenburg en Montanus de Haan Hettema mogen rekenen. De in beide reeksen laatstgenoemden voerden in de jaren 1840 onder meer een vinnige pennenstrijd over het ontstaan van de stad Leeuwarden. Eekhoff’s onderzoekingen en publicaties – denk in dit verband onder meer aan zijn monumentale Nieuwe Atlas van de provincie Friesland (1849-1859), zijn met Bodel Nijenhuis vervaardigde beschrijving van de kaarten van Friesland (1846) en zijn reisgids en provinciebeschrijving (1840, 1864) – staan in de Friese, maar ook de nationale context op eenzame hoogte.

Na Eekhoff werd het stil, althans vanuit het historisch-geografische oogpunt. Dat neemt niet weg dat er veel aandacht besteed werd aan de ontstaansgeschiedenis van Friesland, maar voorlopig veel meer vanuit het perspectief van de natuurwetenschappen. De Leeuwarder apotheker Josephus Joannes Bruinsma (1805-1885), bekend van de in 1840 verschenen Flora Frisica, kan hiervan als een vroege voorganger worden beschouwd. In 1864 schreef hij De natuurlijke gesteldheid van Friesland en publiceerde daarbij een geologische kaart van zijn woongewest. In 1872 volgde een Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Friesland. Na het overlijden van Eekhoff en Bruinsma was de geografische geschiedenis van deze provincie een tijdlang met name een zaak van geologen, merendeels van niet-Friese origine. De eerste was Herman van Cappelle (1857-1932) die als leraar plant- en dierkunde aan de middelbare scholen in Sneek in 1888 in de Zuidwesthoek als eerste grondonderzoek door middel van boringen verrichte en als eerste het idee opperde dat er geen sprake was geweest van één ijstijd (het idee van ijsbedekking vanuit Scandinavië werd pas in de jaren 1872-1881 schoorvoetend aanvaard) maar van meerdere glaciaties. Andere namen in dit verband zijn de uit Rotterdam afkomstige geoloog Jan Lorié die eveneens grondboringen verrichtte. In 1916 promoveerde de uit Westernieland afkomstige geoloog Jacob Frederik Steenhuis op een Bijdrage tot de kennis van de diluviale ondergrond van Drente en Friesland. Zes jaar later vatte de uit Huizum afkomstige bioloog Jacob Botke de tot dan toe bekende geologische geschiedenis van Friesland samen in zijn tot tweemaal toe herdrukte publicatie Fen Fryslâns Groun. Botke was ook degene die in 1932 de eerste grietenijgeschiedenis schreef (Dantumadiel) en ongeveer tezelfdertijd het Friese woord Geakunde voor heemkunde introduceerde. Grietenijgeschiedenissen zouden in de jaren zestig en zeventig tot een populair genre uitgroeien in Friesland.

Was bij Botke de invalshoek nog sterk fysisch-geografisch, Postma was de eerste die als wis- en natuurkundige historische bronnen koppelde aan geografische aspecten van Friesland zoals de landindeling en landinrichting, de daarbij behorende maten, het grondgebruik en uiteindelijk ook de ruimtelijke ontwikkeling van dorp en stad. Dat deed hij in een groot aantal publicaties die tussen 1919 en 1962 verschenen. Min of meer in zijn voetspoor kreeg het historisch-geografische onderzoek, dat tot dusverre vooral een geologische inslag had en overigens vooral werd beheerst door landelijke geografische coryfeeën als Anton Albert Beekman, Hendrik Blink en Roelof Schuiling, een grote impuls. Postma kreeg in Friesland zowel qua thematiek maar niet minder als veelschrijver verschillende navolgers zoals Meint Wiegersma, S.J. van der Molen en J.J. Spahr van der Hoek.

Het middeleeuwse kaartbeeld van Hollands Noorderkwartier – Herman Lambooij

De verovering van Westfriesland in 1288 betekende voor graaf Floris V van Holland de vestiging van de landsheerlijkheid ook in het laatste deel van Noorderkwartier, het gebied ten noorden van het IJ. Vanaf dat jaar verschijnen de eerste schriftelijke gegevens over de Westfriese Omringdijk in de grafelijke administratie. Voor de waterschapshistoricus mr. G. de Vries Azn. was dit een geschikt uitgangspunt om in 1864 een reconstructie van Hollands Noorderkwartier in 1288 te ontwerpen, die hij baseerde op de zestiende-eeuwse kaart van Joost Jansz. Beeldsnijder. De Vries’ kaart werd zeer populair. Zijn overwegingen ondervonden echter de nodige kritiek. En zo kwam in 1916 de historisch-geograaf en -kartograaf dr. A.A. Beekman ertoe een nieuwe kaart van Holland’s Noorderkwartier in 1300 te tekenen als onderdeel van zijn 120 vellen tellende Geschiedkundige Atlas van Nederland. Ook zijn kaart werd alom geprezen en wordt nog vaak geciteerd en afgedrukt. Toch bleek ook deze op wezenlijke onderdelen voor verbetering vatbaar. Als resultaat van een diepgaand en multidisciplinair onderzoek werd daarom in 1990 op initiatief van het toenmalige hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier een volledig nieuwe reconstructiekaart van Hollands Noorderkwartier 1350 uitgegeven als onderdeel van de Archeologische Kaart van Nederland. Bij dit onderzoek speelde de historisch geograaf dr. H. Schoorl een grote rol.

De genese van de Kop van Noord-Holland en het westelijk Waddengebied – Jan T. Bremer

De Kop van Noord-Holland, het gebied ten noorden en ten westen van de oude Westfriese Omringdijk (ca. 1250), bestaat behalve uit de voormalige Waddeneilanden Callantsoog en Huisduinen en het oude Zuiderzee eiland Wieringen, grotendeels uit bedijkingen uit de 16e/17e en 19e/20e eeuw. Als gevolg van doorbraken van de zee was dit gebied, evenals het land ten oosten van Texel/Vlieland/Terschelling verdronken. Sedert het midden van de 16e eeuw slaagt de mens erin door middel van bedijkingen gedeelten van de verdronken gebieden op de zee te heroveren. Serieuze pogingen tot integrale geschiedschrijving over de transgressies en bedijkingen zijn pas gedaan sedert de februariramp van 1953. Het was met name dr. h.c. Henk Schoorl (1920-1997) die in zijn magistrale boekwerken ‘Zeshonderd jaar water en land. Bijdragen tot de historische Geo- en Hydrografie van de Kop van Noord-Holland in de periode ca. 1150-1750’ (1973) en het (posthuum verschenen) vervolg ‘De convexe kustboog Texel, Vlieland, Terschelling’ (1999-2001), de veranderingsprocessen
uitvoerig beschreven heeft. In de lezing wordt aan de hand van enkele reconstructiekaarten (Romeinse en Karolingische tijd, late Middeleeuwen enz.) een uiteenzetting gegeven over afbraakproces- en bedijkingen in deze gebieden.

Landschapsonderzoek in de Zeeuwse Delta, 1990-2010 – Adriaan M.J. de Kraker

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van het onderzoek naar de ontwikkeling van het landschap in de Zeeuwse Delta. Hierbij wordt allereerst ingegaan op het onderzoek dat naar aanleiding van de waterschapsconcentraties is uitgevoerd. Het betreft hier waterschapsgeschiedenis met een sterke landschappelijke component. Een afzonderlijke categorie vormt het aantal dissertaties (afgerond en lopend promotie-onderzoek) vanuit zowel de Nederlandse als de Vlaamse universiteiten. Daarnaast is er een onderzoek geweest naar de Zeeuwse landbouwgeschiedenis en zijn enkele studies over afzonderlijke gebieden verschenen. Verder is er grote aandacht geweest voor oude kaarten, vestingwerken en gerelateerde thema’s, waarin het landschap ook een cruciale rol speelt. Ook zijn er vanuit archeologische hoek diverse belangwekkende onderzoeken verricht. Een bijzondere plaats nemen de publicaties in die aandacht besteden aan de overstromingsramp van 1953 met daarnaast andere klimaatshistorisch-gerelateerde studies. Tenslotte is er een categorie divers waarin door zowel de provinciale historische tijdschriften als die van de heem- en oudheidkundige verenigingen delen van de landschapshistorie voor het voetlicht zijn gebracht.

Door de kracht der vloeden, of door ’t toedoen van menschen, verandert of gantsch te niet gegaan – Karel A.H.W. Leenders

Westelijk Noord-Brabant en het aangrenzende deel van Zuid-Holland hebben in de laatste duizend jaar een aantal flink landschappelijke gedaanteveranderingen ondergaan. Een veenlandschap raakte steeds verder overstroomd en doorsneden met grote en kleine getijdengeulen, maar het verlandde ook weer, waarna het grotendeels ingepolderd kon worden. Al vroeg hebben historici zich het hoofd gebroken over de oude topografie van het gebied en nagedacht over de krachten en processen die voor die grote veranderingen verantwoordelijk waren. Dat hoofdbreken gaat nog steeds door want er zijn nog altijd enkele vragen onbeantwoord. Ik zal proberen al dit gepeins te schetsen tot ca 1975.

Kort verslag Studiedag ‘Emily Dickinson’ van het Obe Postma Selskip

Datum: 21 november 2008
Plaats: Tresoar te Leeuwarden

Dagvoorzitter is dr Jan Gulmans, secretaris van het Obe Postma Selskip, die kan meedelen dat  professor Philippus Breuker in de nagelaten cahiers van Postma zojuist nog een ongepubliceerde vertaling van Dickinson had gevonden, als dertiende naast de twaalf vertalingen die in de Samle fersen staan afgedrukt. Voor een gehoor van ruim veertig belangstellenden kwamen na de opening door voorzitter Siebren van der Zwaag de volgende sprekers aan het woord: Lees verder Kort verslag Studiedag ‘Emily Dickinson’ van het Obe Postma Selskip

Geslaagde eerste studiedag

Een van de doelstellingen van het Obe Postma Selskip is ieder jaar een studiedag te organiseren. Op die studiedagen wordt door deskundigen ingegaan op aspecten van de Postma-studie. Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk afwisseling te brengen en de diverse disciplines die door Obe Postma beoefend zijn successievelijk aan bod te laten komen. Voor de eerste studiedag was gekozen voor een onderwerp dat te maken had met Obe Postma als dichter. In de komende jaren zullen er ook symposia gehouden worden waarop bij voorbeeld de landbouwgeschiedenis of de natuurwetenschappen centraal staan of waarbij onderwerpen als vertalingen of receptie van het werk aan bod komen. Lees verder Geslaagde eerste studiedag