Categorie archief: Activiteiten

2009 Studiedag ‘Geschiedenis van het landschapsonderzoek’

Op 20 november 2009 organiseerde het Obe Postma Selskip in het Fries Historisch Centrum Tresoar (Boterhoek 1, 8911 DH) te Leeuwarden een studiedag rond de geschiedenis van het onderzoek van de landschappen in Laag-Nederland. Postma deed bijna een halve eeuw onderzoek naar de historische geografie van Friesland en aangrenzende gebieden, schreef tientallen bijdragen over de landbouwgeschiedenis en het verleden van het cultuurlandschap met als belangrijkste publicatie het in 1934 verschenen De Friesche Kleihoeve.
Op de studiedag werd het werk van Postma tegen het licht gehouden en kwamen de werkzaamheden van tijdgenoten in andere delen van Laag-Nederland en daarmee de geschiedenis van het landschapsonderzoek met name in de periode 1800-1975 aan bod. Sprekers waren Jan Bremer, Egge Knol, Adrie de Kraker, Herman Lambooij, Karel Leenders en Meindert Schroor. Dagvoorzitter was Guus Borger.

Hieronder het programma van de studiedag:

Programma
10.30 Inloop, koffie
10.55 Opening Siebren van der Zwaag, voorzitter Obe Postma Selskip
11.00 Egge Knol, Geschiedenis van kwelders, wierden en dijken. Werk voor natuurwetenschappers.
11.40 Meindert Schroor, Tussen Geologie en Geakunde. Historische geografie van Friesland 1850-1950.
12.20 Discussie
12.30 Lunch
13.30 Herman Lambooij, Het middeleeuwse kaartbeeld van Hollands Noorderkwartier.
14.10 Jan T. Bremer, De genese van de Kop van Noord-Holland en het westelijk Waddengebied.
14.50 Discussie
15.00 Thee/koffie
15.20 Adriaan M.J. de Kraker, Landschapsonderzoek in de Zeeuwse Delta, 1990-2010.
16.00 Karel A.H.W. Leenders, Door de kracht der vloeden, of door ’t toedoen van menschen, verandert of gantsch te niet gegaan.
16.40 Discussie
17.00 Afsluiting en borrel


 

Samenvattingen lezingen OPS-studiedag ‘Geschiedenis van het landschapsonderzoek’

Geschiedenis van kwelders, wierden en dijken. Werk voor natuurwetenschappers – Egge Knol

Archeologie en geschiedenis worden veelal aangezien voor α-studies, maar in Groningerland waren het de natuurwetenschappers, die voor doorbraken zorgden in onze kennis van het verleden van het waddenland. De natuurwetenschappen legt de nadruk op waarnemen en meten, voorafgaande aan interpretaties, en is zo anders opgebouwd als de gewone geschiedwetenschap waar de opbouw van een mooi en helder betoog of verhaal voorop staat. Nog steeds zijn er historici die nooit een archief met data van binnen zien. Het is wellicht de andere en daardoor frisse blik die het succes van de natuurwetenschapper als autodidacte historicus bepaalde. Obe Postma was een gedreven Fries voorbeeld van dit verschijnsel. In zijn Groninger tijd zal hij kennis genomen hebben van de hier genoemde voorbeelden.

De beide medici Rembertus Westerhof (1801-1874) en Gosiwinus Acker Stratingh (1804-1876) zorgden voor een enorme verrijking van de kennis op het gebied van het vroegere landschap, de bewoning van de wierden en de geschiedenis van de dijken. Beide geleerden begonnen als vrienden maar kregen in toenemende mate verschillen van mening. Westerhof wist zijn verhaal het beste te verpakken, kreeg de meeste onderscheidingen en was bijna hoogleraar geworden, maar Acker Stratingh is degene die bij terugblik de grootste verdienste toe komt. Hij publiceerde als eerste een geologische kaart van de provincie Groningen en bleef met zijn argumentatie dichter bij wat nu gezien wordt als werkelijkheid. Westerhof was echter origineler. Met een gloedvol betoog wist hij rechters te overtuigen dat de wadden de oevers van rivieren zijn en niet de oever van de zee. Een grote stap voorwaarts in een langslepend conflict tussen de oevereigenaren en de staat der Nederlanden. Samen met de landmeter en ijker Gerardus Azings Venema (1808-1873) schreef Acker Stratingh een verhandeling over de Dollard. Het is een prachtige synthese van historisch onderzoek en natuurwetenschappelijke waarnemingen. Beide geleerden kregen voor hun werk een eredoctoraat in de natuurwetenschappen van de Groninger Universiteit (1850 en 1864).

In het voetspoor van deze geleerden zorgde de huisarts Folmer voor de studie van menselijke resten uit de wierden, onderzocht de chemicus Van Bemmelen de bodem van ons land en wist uiteindelijk de bioloog Van Giffen het onderzoek van wierden en de Noord-Nederlandse kust internationaal erkend te krijgen. In recente tijd is de invloed van natuurwetenschappers op de studie van de geschiedenis van het kustlandschap niet te onderschatten. De bodemkundigen waren de eersten die het belang van de middeleeuwse veenontginningen voor de ontwikkeling van ons laagland in zagen. De Nederlandse traditie van paleogeografische kaarten draagt sterk bij aan de bewustwording van de ruimtelijke ontwikkeling van ons land.

Tussen Geologie en Geakunde. Historische geografie van Friesland 1850-1950 – Meindert Schroor

Friesland heeft een rijke traditie op het gebied van de landmeetkunde, de cartografie en de landbeschrijving. Een traditie die begint met namen als Gemma Frisius, Viglius, Metius en Freitag en verder langs namen voert als Bernardus Schotanus, Johan Vegelin van Claerbergen en ’s lands eerste gemeentearchivaris, de Leeuwarder Wopke Eekhoff, maar waartoe wij in zekere zin ook vervaardigers van geografische woordenboeken zoals E.M. van Burmania, Abraham Ferwerda, F.W. van Breest Smallenburg en Montanus de Haan Hettema mogen rekenen. De in beide reeksen laatstgenoemden voerden in de jaren 1840 onder meer een vinnige pennenstrijd over het ontstaan van de stad Leeuwarden. Eekhoff’s onderzoekingen en publicaties – denk in dit verband onder meer aan zijn monumentale Nieuwe Atlas van de provincie Friesland (1849-1859), zijn met Bodel Nijenhuis vervaardigde beschrijving van de kaarten van Friesland (1846) en zijn reisgids en provinciebeschrijving (1840, 1864) – staan in de Friese, maar ook de nationale context op eenzame hoogte.

Na Eekhoff werd het stil, althans vanuit het historisch-geografische oogpunt. Dat neemt niet weg dat er veel aandacht besteed werd aan de ontstaansgeschiedenis van Friesland, maar voorlopig veel meer vanuit het perspectief van de natuurwetenschappen. De Leeuwarder apotheker Josephus Joannes Bruinsma (1805-1885), bekend van de in 1840 verschenen Flora Frisica, kan hiervan als een vroege voorganger worden beschouwd. In 1864 schreef hij De natuurlijke gesteldheid van Friesland en publiceerde daarbij een geologische kaart van zijn woongewest. In 1872 volgde een Geneeskundige Plaatsbeschrijving van Friesland. Na het overlijden van Eekhoff en Bruinsma was de geografische geschiedenis van deze provincie een tijdlang met name een zaak van geologen, merendeels van niet-Friese origine. De eerste was Herman van Cappelle (1857-1932) die als leraar plant- en dierkunde aan de middelbare scholen in Sneek in 1888 in de Zuidwesthoek als eerste grondonderzoek door middel van boringen verrichte en als eerste het idee opperde dat er geen sprake was geweest van één ijstijd (het idee van ijsbedekking vanuit Scandinavië werd pas in de jaren 1872-1881 schoorvoetend aanvaard) maar van meerdere glaciaties. Andere namen in dit verband zijn de uit Rotterdam afkomstige geoloog Jan Lorié die eveneens grondboringen verrichtte. In 1916 promoveerde de uit Westernieland afkomstige geoloog Jacob Frederik Steenhuis op een Bijdrage tot de kennis van de diluviale ondergrond van Drente en Friesland. Zes jaar later vatte de uit Huizum afkomstige bioloog Jacob Botke de tot dan toe bekende geologische geschiedenis van Friesland samen in zijn tot tweemaal toe herdrukte publicatie Fen Fryslâns Groun. Botke was ook degene die in 1932 de eerste grietenijgeschiedenis schreef (Dantumadiel) en ongeveer tezelfdertijd het Friese woord Geakunde voor heemkunde introduceerde. Grietenijgeschiedenissen zouden in de jaren zestig en zeventig tot een populair genre uitgroeien in Friesland.

Was bij Botke de invalshoek nog sterk fysisch-geografisch, Postma was de eerste die als wis- en natuurkundige historische bronnen koppelde aan geografische aspecten van Friesland zoals de landindeling en landinrichting, de daarbij behorende maten, het grondgebruik en uiteindelijk ook de ruimtelijke ontwikkeling van dorp en stad. Dat deed hij in een groot aantal publicaties die tussen 1919 en 1962 verschenen. Min of meer in zijn voetspoor kreeg het historisch-geografische onderzoek, dat tot dusverre vooral een geologische inslag had en overigens vooral werd beheerst door landelijke geografische coryfeeën als Anton Albert Beekman, Hendrik Blink en Roelof Schuiling, een grote impuls. Postma kreeg in Friesland zowel qua thematiek maar niet minder als veelschrijver verschillende navolgers zoals Meint Wiegersma, S.J. van der Molen en J.J. Spahr van der Hoek.

Het middeleeuwse kaartbeeld van Hollands Noorderkwartier – Herman Lambooij

De verovering van Westfriesland in 1288 betekende voor graaf Floris V van Holland de vestiging van de landsheerlijkheid ook in het laatste deel van Noorderkwartier, het gebied ten noorden van het IJ. Vanaf dat jaar verschijnen de eerste schriftelijke gegevens over de Westfriese Omringdijk in de grafelijke administratie. Voor de waterschapshistoricus mr. G. de Vries Azn. was dit een geschikt uitgangspunt om in 1864 een reconstructie van Hollands Noorderkwartier in 1288 te ontwerpen, die hij baseerde op de zestiende-eeuwse kaart van Joost Jansz. Beeldsnijder. De Vries’ kaart werd zeer populair. Zijn overwegingen ondervonden echter de nodige kritiek. En zo kwam in 1916 de historisch-geograaf en -kartograaf dr. A.A. Beekman ertoe een nieuwe kaart van Holland’s Noorderkwartier in 1300 te tekenen als onderdeel van zijn 120 vellen tellende Geschiedkundige Atlas van Nederland. Ook zijn kaart werd alom geprezen en wordt nog vaak geciteerd en afgedrukt. Toch bleek ook deze op wezenlijke onderdelen voor verbetering vatbaar. Als resultaat van een diepgaand en multidisciplinair onderzoek werd daarom in 1990 op initiatief van het toenmalige hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier een volledig nieuwe reconstructiekaart van Hollands Noorderkwartier 1350 uitgegeven als onderdeel van de Archeologische Kaart van Nederland. Bij dit onderzoek speelde de historisch geograaf dr. H. Schoorl een grote rol.

De genese van de Kop van Noord-Holland en het westelijk Waddengebied – Jan T. Bremer

De Kop van Noord-Holland, het gebied ten noorden en ten westen van de oude Westfriese Omringdijk (ca. 1250), bestaat behalve uit de voormalige Waddeneilanden Callantsoog en Huisduinen en het oude Zuiderzee eiland Wieringen, grotendeels uit bedijkingen uit de 16e/17e en 19e/20e eeuw. Als gevolg van doorbraken van de zee was dit gebied, evenals het land ten oosten van Texel/Vlieland/Terschelling verdronken. Sedert het midden van de 16e eeuw slaagt de mens erin door middel van bedijkingen gedeelten van de verdronken gebieden op de zee te heroveren. Serieuze pogingen tot integrale geschiedschrijving over de transgressies en bedijkingen zijn pas gedaan sedert de februariramp van 1953. Het was met name dr. h.c. Henk Schoorl (1920-1997) die in zijn magistrale boekwerken ‘Zeshonderd jaar water en land. Bijdragen tot de historische Geo- en Hydrografie van de Kop van Noord-Holland in de periode ca. 1150-1750’ (1973) en het (posthuum verschenen) vervolg ‘De convexe kustboog Texel, Vlieland, Terschelling’ (1999-2001), de veranderingsprocessen
uitvoerig beschreven heeft. In de lezing wordt aan de hand van enkele reconstructiekaarten (Romeinse en Karolingische tijd, late Middeleeuwen enz.) een uiteenzetting gegeven over afbraakproces- en bedijkingen in deze gebieden.

Landschapsonderzoek in de Zeeuwse Delta, 1990-2010 – Adriaan M.J. de Kraker

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van het onderzoek naar de ontwikkeling van het landschap in de Zeeuwse Delta. Hierbij wordt allereerst ingegaan op het onderzoek dat naar aanleiding van de waterschapsconcentraties is uitgevoerd. Het betreft hier waterschapsgeschiedenis met een sterke landschappelijke component. Een afzonderlijke categorie vormt het aantal dissertaties (afgerond en lopend promotie-onderzoek) vanuit zowel de Nederlandse als de Vlaamse universiteiten. Daarnaast is er een onderzoek geweest naar de Zeeuwse landbouwgeschiedenis en zijn enkele studies over afzonderlijke gebieden verschenen. Verder is er grote aandacht geweest voor oude kaarten, vestingwerken en gerelateerde thema’s, waarin het landschap ook een cruciale rol speelt. Ook zijn er vanuit archeologische hoek diverse belangwekkende onderzoeken verricht. Een bijzondere plaats nemen de publicaties in die aandacht besteden aan de overstromingsramp van 1953 met daarnaast andere klimaatshistorisch-gerelateerde studies. Tenslotte is er een categorie divers waarin door zowel de provinciale historische tijdschriften als die van de heem- en oudheidkundige verenigingen delen van de landschapshistorie voor het voetlicht zijn gebracht.

Door de kracht der vloeden, of door ’t toedoen van menschen, verandert of gantsch te niet gegaan – Karel A.H.W. Leenders

Westelijk Noord-Brabant en het aangrenzende deel van Zuid-Holland hebben in de laatste duizend jaar een aantal flink landschappelijke gedaanteveranderingen ondergaan. Een veenlandschap raakte steeds verder overstroomd en doorsneden met grote en kleine getijdengeulen, maar het verlandde ook weer, waarna het grotendeels ingepolderd kon worden. Al vroeg hebben historici zich het hoofd gebroken over de oude topografie van het gebied en nagedacht over de krachten en processen die voor die grote veranderingen verantwoordelijk waren. Dat hoofdbreken gaat nog steeds door want er zijn nog altijd enkele vragen onbeantwoord. Ik zal proberen al dit gepeins te schetsen tot ca 1975.

Reiske 2009: Eagje oer ús lânsdouwen

Ferslach fan it reiske  fan it Obe Postma Selskip, 23 maaie 2009

 reiske2009_007 De hege dyk lâns rûn myn paad
En ‘k eage oer ús lânsdou:
Dêr lei de greide mei ’t bûnte fee
En de reid-omrâne bou.

Ut: OBE POSTMA, DE HEGE DYK LANS (1907)

Jan Gulmans, ferslach

Lykas oare jierren, waard ek dit jier in reiske troch it Obe Postma Selskip organisearre. Op sneon 23 maaie 2009 stiene der sa’n 35 dielnimmers by it NS-stasjon te Ljouwert klear om yn in bus fan de firma Dalstra oan it reiske te beginnen. Dit reiske stie yn it teken fan (feroaringen yn) it Fryske lânskip. De sosjaal-geograaf en histoarikus Meindert Schroor wie oanlutsen om ús tidens de reis it ien en oar te fertellen oer tal fan tema’s oangeande it lânskip. Lees verder Reiske 2009: Eagje oer ús lânsdouwen

OP Rige 3: Emily Dickinson-bondel

Yn novimber 2008 waard in stúdzjedei troch it Obe Postma Selskip organisearre. It tema wie diskear de dichteres Emily Dickinson. Seis sprekkers beljochten ferskate fasetten fan libben en wurk fan har. Fiif fan de seis lêzingen binne opnaam yn it boek ‘Emily Dickinson in leven en dood. Haar liefdes, haar werk en haar nawerking’. Dit boek ferskynde yn juny 2009 by de Friese Pers Boekerij yn de Obe Postma-Rige (no. 3).

Lees verder OP Rige 3: Emily Dickinson-bondel

2008 Studiedag ‘Emily Dickinson’

Datum: 21 november 2008
Plaats: Tresoar te Leeuwarden

Dagvoorzitter is dr Jan Gulmans, secretaris van het Obe Postma Selskip, die kan meedelen dat  professor Philippus Breuker in de nagelaten cahiers van Postma zojuist nog een ongepubliceerde vertaling van Dickinson had gevonden, als dertiende naast de twaalf vertalingen die in de Samle fersen staan afgedrukt. Voor een gehoor van ruim veertig belangstellenden kwamen na de opening door voorzitter Siebren van der Zwaag de volgende sprekers aan het woord: Lees verder 2008 Studiedag ‘Emily Dickinson’

Reiske 2008: Koarnwert en omkriten

It Obe Postma Selskip sjocht it as ien fan syn opjeften elk jier in reiske foar syn leden en oare belangstellenden te organisearjen. Tsjin dy eftergrûn waard op 24 maaie 2008 it twadde reiske hâlden. Dizze kear gyng de reis nei Koarnwert en omkriten. Ek dizze kear hie Philippus Breuker de lieding; hy wie it ek, dy’t yn ‘Wjerklank’( nr. 3, side 8-12) in taljochtsjend artikel skreau ûnder de titel: ‘Wol yn dream oan dy oarden tinke, paadwizer by it reiske nei Koarnwert en omkriten’. In lytse fjirtich minsken kamen der op ta setten.

Lees verder Reiske 2008: Koarnwert en omkriten

2007 Studiedag ‘Wijsgerige aspecten van de poëzie rond 1900 in Nederland’

Een van de doelstellingen van het Obe Postma Selskip is ieder jaar een studiedag te organiseren. Op die studiedagen wordt door deskundigen ingegaan op aspecten van de Postma-studie. Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk afwisseling te brengen en de diverse disciplines die door Obe Postma beoefend zijn successievelijk aan bod te laten komen. Voor de eerste studiedag was gekozen voor een onderwerp dat te maken had met Obe Postma als dichter. In de komende jaren zullen er ook symposia gehouden worden waarop bij voorbeeld de landbouwgeschiedenis of de natuurwetenschappen centraal staan of waarbij onderwerpen als vertalingen of receptie van het werk aan bod komen. Lees verder 2007 Studiedag ‘Wijsgerige aspecten van de poëzie rond 1900 in Nederland’

Inventaris schriften Postma

Fan dizze tekst is gjin oersetting beskikber / Van deze tekst is geen vertaling beschikbaar.

Ta de skriftlike neilittenskip fan Postma hearre mear as achthûndert skriften mei úttreksels fan stúdzjes en ek mei optekeningen fan gedichten op it stuit dat se ûntstienen. Se rinne fan syn skoaltiid oant syn dea. De skriften dy’t (troch dr. J.J. Spahr van der Hoek) yn 1982 op de Fryske Akademy brocht wienen, binne yn 1983 beskreaun troch Philippus Breuker en dêrneffens koartlyn ynventarisearre op Tresoar. Tresoar hat de beskriuwing oanfolle mei de skriften dy’t nei de dea fan Postma op it FLMD kommen wienen. Dat wienen mar in stikmennich. No binne se gearbrocht yn ien samling, de Obe Postma Samling (OPS). Wy tankje Tresoar foar de tastimming om de beskriuwing oer te nimmen. Se is ek te finen op http://www.archieven.nl.

Yn it ynliedend stikje by de skriften Filosofy en psychology stiet in printflater ([1908] moat [1900] wêze) en de skriften Filosofy 5 en 6 kinne op 1902 yn stee fan 1903 set wurde.

Ynventaris skriften (PDF)

Reiske 2007: O Grinzerlân, do fryske gea, hoe leist yn swiidste simmerpracht!

Ympresjes oangeande it Grinslân-reiske

Al rillegau nei de earste gearkomste fan it Obe Postma Selskip yn novimber 2006 te Koarnwert waard dúdlik, dat it Selskip doel hie op in Grinslân-reiske, dat wol sizze in reiske troch Grins en omkriten lâns dy plakken, dy’t yn it wurk fan Obe Postma op likefolle hokker wize omtinken krigen ha. Under lieding fan Philippus Breuker – dy’t yn it earste nûmer fan ‘Wjerklank’ in beskriuwing fan it Grinslân-reiske bean hat – waard de tarieding fan it reiske oanfongen. Op sneon 2 juny fan dit jier wie it safier.

Net minder as 38 minsken hiene harren oanmeld foar it reiske. Om tsien oere stuts de bus fan de firma Dalstra út Surhústerfean ôf. Fia Drachten kamen we – neidat ús foarsitter Siebren van der Zwaag de dielnimmers hertlik wolkom hjitten hie en derop wiisd hie, dat it Selskip sa’n hûndert leden hat – yn it sintrum fan Grins út. Dêr die Breuker ús witten – steande foar it hûs Oude Boteringestraat 21 – dat Postma dêr op keamers wenne hat en dat hy dêr mei syn freon Tjitze de Boer yngeande gesprekken hân hat oer filosofy, skiednis en mooglik ek oer poëzij… It gedicht Yn Grinslân (SF 400, 1962) begjint net tafallich mei: ‘Sa’n fjirtich jier haw ik yn Grinslân tahâlden, Hast de helt fan myn libben haw ik der trochbrocht’. Dy fjirtich jier slane op de perioade 1894 oant 1934, it jier dat Postma mei syn suster nei Ljouwert teach. Wy seagen de âld-HBS, wêr’t Postma dy fjirtich jier learaar west hat. It gedicht Tebinnenbringen fan in âld skoalmaster (SF 398, 1962), dat foardroegen waard yn de bus foar de Rijks-hbs yn de Grutte Krússtrjitte, slacht op dy fase fan syn libbensrin tebek en út dat gedicht, dat krekt as in grut oantal (15) oare gedichten treflik troch Aly van der Mark foardroegen waard, docht bliken, dat hy heel wol by dy grinzer en drintse jonges syn freonen hie. Bygelyks Eije Wiersema út Skouwersyl (1896-1921), waans ‘strieljende laits’ neffens Breuker mooglik ferwiist nei it Platoonske diel hawwen oan it goddelik ljocht.

De lunch waard brûkt yn it Elanderhûs by it Hoarnse Djip. Yn de bus dêrhinne hearden wy Strjitliet (SF 80) en Myn hûs (SF 89) en oan it Hoarnse Djip waarden Romantyk (SF 144) en De Kuier (SF 177) foardroegen… Strjitliet docht tinken oan de Mei fan Gorter; dream en liet befrije. Ut it gedicht sprekt in langst nei frijheid, natuer en Fryske folk. Myn hûs komt werom op de ‘sill’ge pinksterdei’, krekt as yn Pinkstersnein (SF 15, 1901) de dei werop ’t it heechste lok op de dichter saaid is en de himmel iepen gien is. Ek Romantyk docht oan Gorter tinken (yn it griene skimer: de avond aamt nu haar goudgroene licht).

It waar wie ûndertusken prachtich en der wie folop gelegenheid foar de dielnimmers inoar neier kinnen te learen en de Postma-lêserfarings út te wikseljen… Nei de lunch gyng de reis nei Leegkerk. Dêr droech Aly van der Mark uteraard By Leegkerk (SF 146) foar. Breuker gyng yn syn taljochting ûnder mear yn op it feit, dat neffens Postma de siel him útjout yn romte (natuer) en tiid (’t âld geslacht) en, ten twadde, wat de ierde belibje foar Postma ynhâldt. Breuker ferwiisde nei it krekt ferskynde boek fan de skiednisfilosoof Frank Ankersmit oer de sublime histoaryske erfaring. Wy rieden by tsjerke en pleats Gravenburg lâns, fia Dorkwerd mei yn ‘e fierte Oostum, Wierumerschouw en Wierum. ‘Mar haww’ jimm’ ek stien te Oostum, Of te Wierum op’t heechste en de fjilden sjoen wiid om jimm’ hinne’ (Fan it Fryske lân, SF 235). Uteraard gyngen we ek nei Fransum – sjoch it gedicht yn ‘Fan wjerklank en bisinnen’ – en dank sy Breuker syn yngeande taljochting witte we no ûnder mear, wa’t de ‘Dôfhûdige Saksyske âld-man’ is, werfan ’t yn dat gedicht sprake is (Ter Laan). By Wierum waarden noch Sneintemiddei (SF 145) en Pinkster (SF 202) foardroegen.

Op it hôf te Saaksum (by it grêf fan C. O. Jellema) droeg Aly van der Mark it oandwaanlike gedicht De ierde nei (SF 170) foar. Oandwaanlik troch ‘it wiete gers’ dat ús tinken docht oan ‘ik rûn troch ’t gers… ik wie in bern/Gods ierde nei’ út Dei yn desimber (SF 179); mar ek fanwege it ‘oerbyld’ werfan ’t yn dit gedicht sprake is, it oerbyld dat troch Plato lyk steld wurdt oan de Idee. Yn ‘e bus op wei nei Helwerd waard Grutter Fryslân (SF 228) foardroegen, it gedicht mei de ûnferjitlike rigel ‘Mar tichter by sjoch ik in lân, sa uzes lyk as ea ien wie’. Ek de Heliand kaam op it aljemint, wylst ôfsluten waard mei Unlijige snein (SF 206), wat neffens Breuker reminisinsjes hat oan Narrenwijsheid fan Van Schagen.
Preekstoel
In hazze yn Frânsum op ‘e preekstoel
preke oant er der dea by delfoel
lykwols, hy joech it net oer
want nei’t syn wurd yn ’t tsjerkje net mear klonk
wie it syn lichum dat d’ ieuwen troch stonk.

Dy limmerik waard och sa wurdearre en ek dêrom koe de foarsitter tebek sjen op in yn alle opsichten tige slagge dei. Hy tanke Philippus Breuker foar de taljochting en it gedegen kommintaar op de 16 gedichten. Fierders dankte hy ek Aly van der Mark, dy’t fan it Obe Postma Selskip in blomke krige. Siebren van der Zwaag dielde mei, dat dielnimmer dhr. J. Buenk him dy deis opjûn hie as lid; dat wol sizze it hûndertste lid fan it Obe Postma Selskip! Hy kriget ynkoarten in fergees eksimplaar fan de Samle Fersen.

Jan Gulmans, skriuwer Obe Postma Selskip

Foto’s

  • Groningen, Fransum, Saaksum en Helwerd
  • Oude Boteringestraat 21 (tsjinoer Broerstraat): Obe Postma hat hjir in keamer hân. Dêr kaam Tjitze de Boer faak op besite.
  • By it Hoornse Diep
  • Lunch Elanderhus
  • It tsjerkje fan Fransum
  • Yn it tsjerkje fan Fransum-1
  • Yn it tsjerkje fan Fransum-2
  • Yn it tsjerkje fan Fransum-3
  • Preekstoel yn it tsjerkje fan Fransum
  • Aly van der Mark yn de doar fan it tsjerkje fan Fransum
  • It tsjerkje fan Saaksum
  • Op de wierde (terp) fan Helwerd-1
  • Op de wierde (terp) fan Helwerd-2

 

Natuerkundige biblioteek en oantekenskriften fan Obe Postma nei Tresoar

Koartlyn – op tiisdei 9 jannewaris 2007 – waard troch it Obe Postma Selskip de wis- en natuerkundige biblioteek fan Obe Postma oerdroegen oan Tresoar. Ek waard in samling skriften fan Postma troch de Fryske Akademy oan Tresoar oerdroegen. De gearkomst waard hâlden yn de Gysbert Japixseal fan Tresoar.

Bert Looper, direkteur fan Tresoar, iepene de gearkomst. Hy lei klam op it belang fan dizze samling of boekerij foar fierdere stúdzje fan it oeuvre fan Postma. Neidat hy en de foarsitter fan it Obe Postma Selskip, Siebren van der Zwaag, de oerdrachtsoerienkomst tekene hienen, fertelde Doekele Elgersma út Ootmarsum eat oer de eftergrûnen fan de boekerij. It die bliken, dat de samling kommen is fan Doekele’s broer Schelte, krekt as Postma wiskundige. De skriften fan Postma waarden dernei oan Tresoar oanbean troch Reinier Salverda, de direkteur fan de Fryske Akademy. As pièce de resistance fan de middei kaam de theoretysk-fysikus Frans Steenmeijer oan it wurd. De titel fan syn foardracht wie: ‘Iets over de wis- en natuurkundige bibliotheek van Obe Postma’. De lêzing, waard – yn tsjinstelling ta wat de hollânske titel suggerearret – yn it Frysk hâlden en is op it webstee fan it Obe Postma Selskip – dat ûndertusken al 90 leden hat – tagonklik.

De ûndertekening fan de oerdracht

By de ûndertekening fan de oerdracht, fan l. nei r.: Bert Looper, direkteur fan Tresoar, Siebren van der Zwaag, foarsitter fan it Obe Postma Selskip, en Lourens Oldersma, oant foar koart waarnimmend direkteur fan Tresoar en tarieder fan de gearkomste

De wis- en natuerkundige biblioteek fan Postma waard yn 2006 skonken oan it Obe Postma Selskip troch syn bestjoerslid Doekele Elgersma. It Selskip skinkt op syn bar dy boekerij yn eigendom oan Tresoar en hopet dat op dy wize de tagonklikheid fan de boekerij foar stúdzje tanimme sil. Tresoar hat it Selskip garandearre, dat de boeken byinoar stean bliuwe en beskreaun wurde sille as ‘Obe Postma Samling, wis- en natuerkundige biblioteek.’ De boeken wurde ferdield yn fiif skiften: natuerkunde, seefeartkunde, stjerrekunde, wiskunde en (wittenskips-)filosofy.

De oerdroegen boeken wis- en natuerkunde

De oerdroegen boeken wis- en natuerkunde

De neilittenskip fan Postma – eartiids beskreaun troch Philippus Breuker yn De Vrije Fries (1983) – omfettet ek sa’n goed 800 skriften mei oantekens en úttreksels. Dy binne op 9 jannewaris ek oerdroegen oan Tresoar. It eardere Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum (FLMD) hie al in beheind tal skriften. Dy meitsje no, mei de op 9 jannewaris oerdroegen skriften, as ien gehiel diel út fan de grutte kolleksje Postma, dy’t no by en troch Tresoar beheard wurdt.

As ôfslutend ûnderdiel fan dizze feestlike middei, dy’t besocht waard troch sa’n 100 minsken, fierde in muzikaal trio de premiêre út fan “Blank lizze de fiere lannen”, komponearre troch Pieter Bakker fan Skraard nei oanlieding fan it gedicht “Wintermoarn” fan Obe Postma. Ut de reaksjes fan ‘e oanwêzigen die bliken, dat ek dit ûnderdiel tige op priis steld waard, krektlyk as alle oare ûnderdielen fan dizze middei.

Finn M&öricke en Mirjam Lumkeman

Finn Möricke en Mirjam Lumkeman, dy’t “Blank lizze de fiere lannen” fan Pieter Bakker spylje

Jan Gulmans, skriuwer Obe Postma Selskip