2008 Studiedag ‘Emily Dickinson’

Datum: 21 november 2008
Plaats: Tresoar te Leeuwarden

Dagvoorzitter is dr Jan Gulmans, secretaris van het Obe Postma Selskip, die kan meedelen dat  professor Philippus Breuker in de nagelaten cahiers van Postma zojuist nog een ongepubliceerde vertaling van Dickinson had gevonden, als dertiende naast de twaalf vertalingen die in de Samle fersen staan afgedrukt. Voor een gehoor van ruim veertig belangstellenden kwamen na de opening door voorzitter Siebren van der Zwaag de volgende sprekers aan het woord:

Marian de Vooght : De ontvangst van Emily Dickinson in Nederland en Vlaanderen, een inleiding over de vestiging van haar roem

Zij wil een ‘reconstructie van de roem bieden’, waarbij allereerst moet worden opgemerkt dat er bij Emily Dickinson (voortaan E.D.) aanvankelijk sprake is van een voortdurende misrepresentatie en mythevorming (de ‘non van Amherst’). De receptie van E.D. kan in een aantal periodes worden verdeeld, waarvan de eerste beheerst wordt door Simon Vestdijk die eerst met een essay in Forum (1932) en eind dertiger jaren met vertalingen de aandacht op haar vestigde. Pas in 1979 kwamen er nieuwe Nederlandse vertalingen, nu vooral van een aantal vrouwen. Het monopolie van Vestdijk gold niet voor de Friese situatie, want in 1940 kwam Obe Postma al met zijn eerste vertalingen. Naast  vertalingen in tijdschriften verscheen een afzonderlijke bundel van Klaas van der Hoek (Wetter wurdt jin leard troch toarst, 1999)  en Twofold, tien verzen in origineel en vertaling, uitgegeven door de Provincie Fryslân in 1982.
Terug naar de vrouwelijke vertalers: Elly de Waard in 1980, daarna Ellen de Zwart , Louise van Santen, in Vlaanderen Lucienne Stassaert en in Zuid-Afrika Elisabeth Eybers. Er ontstaat nu ook een heel ander beeld van E.D.,  met aandacht voor de agressie en de liefde in haar poëzie. Niet voor niets noemt Camille Paglia haar in  Sexual personae ‘Amhert’s Madame de Sade’ !
Belangrijk is daarna Jan Eijkelbooms vertaling uit 1996, de eerste uitgave van de nieuwe uitgeverij Wagner & Van Santen, en in Vlaanderen de vertaling van Ivo van Strijtum bij Lannoo (serie De mooiste van …) in 2002.  Gezaghebbend is tegenwoordig de tweetalige uitgave met commentaar van vertaler Peter Verstegen (Van Oorschot 2005-2007). Hij maakte een definitief einde aan de ‘normalisering’ die zo vaak nog opgeld deed bij het vertalen, waarbij dan de typische hoofdletters midden in de regel en de vele gedachtenstreepjes werden veronachtzaamd.
Er is natuurlijk nog veel meer, te veel op op te noemen, ook op internet en in de muziek.
In de discussie komt nog naar voren dat de receptie in Nederland vergeleken met Duitsland en Frankrijk betrekkelijk vroeg was.

Odile Heynders: ‘Thuis is waar u bent’, een lectuur van Dickinson en Hadewijch

Aanknopend bij het idee van de ‘sublieme historische ervaring’ (Ankersmit)  zoekt Odile Heynders naar de sublieme poetische ervaring  in enkele verzen van E.D. (Where Thou art – that – is Home – / C’ashmere – or Calvary – the same -; en: A Bird came down the Walk- / He did not know I saw – /  He bit an Angleworm in halves / And ate the fellow, raw) en enkele fragmenten van Hadewijch (Vroeger, voor die tijd, wilde ik altijd bij alles wat ik deed weten en vroeg ik me af en zei steeds weer: “Wat is liefde en wie is liefde?”. Daarmee had ik me twee jaar lang beziggehouden; en: Toen kwam hij van het altaar in de gedaante van een kind….). Het ‘sublieme’ impliceert dat het subject zichzelf vergeet.  Gemeenschappelijk is bij beide dichters de religiositeit  of de spiritualiteit. Bij het eerstgenoemde vers van E.D. komt de al eerder genoemde tegenstelling tussen vorm en anti-vorm sterk naar voren,  het tweede is – passend voor een natuurgedicht – meer een ballad. Bij Hadewijch vallen de overgave, het zichzelf vergeten, en de diepe spiritualiteit op.
Tijdens de discussie wordt gewezen op de humor of misschien ironie die ook te vinden is in deze teksten.

Anneke Reitsma: ‘De binnenkamers van het hart – Emily Dickinson (1830-1886) in Amherst’

In haar voordracht richt Anneke Reitsma zich – na een humoristische aanloop via Hans Lodeizens verblijf in Amherst en haar eigen  kampeerpartij daar – vooral op biografische gegevens, fragmenten uit brieven  en een tweetal verzen (Er is een andere lucht, en To fight aloud, is very brave -), om zo E.D. beter te leren kennen. Ze vergelijkt E.D.’s religieuze houding met het – als enige in het gezin – niet afleggen van openbare belijdenis, in  Nederlandse termen.
Temidden van alle gewapende strijd zegt E.D. dat juist de innerlijke strijd het belangrijkste is. Uit haar brieven blijkt  E.D.’s diepe verbondenheid met anderen duidelijk. Maar als ze zegt ‘Mijn zaak is lief te hebben !’  is die liefde breder dan één op één. In het gedicht over de tuin (Er is een andere Lucht)  komt weer de bij voor, het diertje  dat ook in de cultuurhistorische traditie verbonden is met de poëzie.

Peter Verstegen:’De mannen van Emily Dickinson’

Verstegen begint met een schets van het milieu waarin E.D. opgroeide. Ze had een normale jeugd, ging korte tijd  naar de universiteit en nam volop deel aan het sociale leven. Haar vader was boer, zakenman en lid van het Congres. Haar grootvader had Amherst College opgericht, haar vader was administrateur ervan.
Typisch voor het Puriteinse milieu waren de ‘awakenings’, een soort persoonlijke bekering, waaraan zijzelf uiteindelijk geen deel had.
Ze kwam met verschillende mannen in contact, van wie het vaak moeilijk te bepalen is wat ze precies voor E.D. betekenden. Zo ontmoette ze in 1855 Charles Wadsworth, een predikant, op wie ze zeer gesteld raakte. Hij verhuisde echter  in 1862 naar San Francisco, wat uiteraard het contact bemoeilijkte en practisch tot briefwisseling beperkte.
Aan het eind van de vijftiger jaren maakte E.D. ook kennis met Samuel Bowles, eigenaar en hoofd-redacteur van de Springfield Republican, waarin vervolgens ook enkele van haar verzen verschenen.
In 1862 stuurde E.D. enkele verzen naar de criticus Thomas Higginson, die beginnende schrijvers aangemoedigd had, met de vraag ‘Are you too deeply occupied to say if my Verse is alive ?’ Er ontspon zich met hem een intensieve briefwisseling tot aan  haar dood.
Omstreeks de jaren zestig concipieerde E.D. ook de geheimzinnige brieven aan de ‘Master’, waarover nog steeds wordt gespeculeerd. Naarmate ze zich later meer terugtrok uit het sociale leven, schreef ze meer brieven, soms mystiek van aard. Bijna de helft van de brieven stamt uit de laatste twintig jaar van haar leven.

Harry Bekkering: ‘Vestdijks poëticale visie op de poëzie van Emily Dickinson’

Naar Vestdijks romans is veel onderzoek gedaan, over zijn essays en gedichten veel minder. In zijn essay uit 1932 over E.D. in Forum (later opgenoemen in Lier en lancet) probeert  Vestdijk ook voor zichzelf een plaats te bepalen in het literaire debat van zijn tijd, waarin Ter Braak en Du Perron  zo’n grote rol speelden.  Misschien dacht Vestdijk wel dat de bezwaren tegen E.D. dezelfde waren als die tegen hem? Vestdijk onderscheidt tussen twee dichterstypen, in de eerste plaats het intentionele type, duister, ontoegankelijk (het gaat om de poëtische intentie), bijvoorbeeld E.D.;  in de tweede plaats het klanktype, met grotere toegankelijkheid (Walt Whitman bijvoorbeeld).
De poëtische intentie draagt de vorm reeds in zich. Het gaat daarbij om de beelden, de plastiek, meer dan ritme, etc. Vestdijk waardeert ‘poëtische poëzie’ , waarin het scheppingsproces als het ware aanwezig is. Moderne poëzie is poëzie die ons nog levend aandoet, zoals die van E.D. Typisch modern is het probleem van de authenticiteit, waarbij het gaat tegen de ‘acteurs’.
In het debat over ‘vorm of literaire vent’ lijkt Vestdijk zo toch aarzelend voor de  visie van Ter Braak en Du Perron, voor de ‘vent’, te kiezen.
In de discussie merkt Verstegen op dat Vestdijk in zijn vertalingen E.D. wilde verbeteren, dus de vorm was voor hem wel degelijk van belang

Albertina Soepboer : ‘Derfoar moat ik nei de bijen fan Emily Dickinson ta’, oer Postma en Emily Dickinson

Postma is waarschijnlijk door Vestdijks vertalingen van  E.D. op haar geattendeerd. Postma wil – overigens net als Soepboer – als dichter en vertaler in gesprek zijn met de poëzie.  Van E.D. trokken hem – niet verbazingwekkend – vooral de natuurgedichten, waarbij die over de bijen nog weer zijn voorkeur hadden. In zes van de twaalf vertaalde gedichten van E.D. in zijn Samle fersen komen bijen voor. Daarmee staat ook Postma in de lange traditie vanaf de culturen in de vroege oudheid en de klassieke oudheid (Vergilius vierde boek van de Georgica/Het Boerenbedrijf, over de bijen !) betreffende de bij, die al eerder ter sprake is gekomen. Bijen verwijzen ook naar liefde, dronkenschap en dood. (zie Postma’s Augustussnein: It is sa stil; in blêdsje dat ferweecht / In bij dy’t rûnfljocht is al wat fergiet).

Ter gelegenheid van  de studiedag waren in de studiezaal van Tresoar een aantal vitrines ingericht met daarin materiaal betreffende Emily Dickinson, uitgaven van haar werk, de Nederlandse en Friese vertalingen, met van de Friese ook publicaties uit tijdschriften, dit alles  met bijzondere aandacht voor Obe Postma als vertaler, in handschrift en druk. De gastheer,  directeur Bert Looper van Tresoar, lichtte de tentoonstelling kort toe. Bij binnenkomst in het gebouw waren de bezoekers al verwelkomd met fraaie dia’s van Frans Leenders over Emily Dickinson, die ook voor de deelnemers waren geprint.
Als intermezzo droegen de dichters Willem Abma, Eric Hoekstra en Harmen Wind – met een toelichting – hun vertalingen voor, die gepubliceerd waren in de op 2 november j.l. gepresenteerde bundel Omt ik foar Dea net stilstean koe : Trettjinris / Because I could not stop for Death, terwijl ook Postma’s versie werd voorgelezen.
 De lezingen zullen behoudens toestemming van de sprekers net als vorig jaar in een congresbundel gepubliceerd worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *