2007 Studiedag ‘Wijsgerige aspecten van de poëzie rond 1900 in Nederland’

Een van de doelstellingen van het Obe Postma Selskip is ieder jaar een studiedag te organiseren. Op die studiedagen wordt door deskundigen ingegaan op aspecten van de Postma-studie. Er wordt naar gestreefd zoveel mogelijk afwisseling te brengen en de diverse disciplines die door Obe Postma beoefend zijn successievelijk aan bod te laten komen. Voor de eerste studiedag was gekozen voor een onderwerp dat te maken had met Obe Postma als dichter. In de komende jaren zullen er ook symposia gehouden worden waarop bij voorbeeld de landbouwgeschiedenis of de natuurwetenschappen centraal staan of waarbij onderwerpen als vertalingen of receptie van het werk aan bod komen.

Poëzie en wijsbegeerte
Voor de eerste studiedag, die op 16 november 2007 gehouden werd in het historisch en letterkundig centrum Tresoar te Leeuwarden, was als thema gekozen: ‘Wijsgerige aspecten van de poëzie rond 1900 in Nederland’. Doel was de poëzie van Postma nu eens niet geïsoleerd te beschouwen, maar in samenhang met het werk van een aantal belangrijke Nederlandse dichters uit de tijd waarin Postma begon met het schrijven van gedichten.
Nu het de laatste jaren meer en meer duidelijk is geworden, dat Postma gezien moet worden als een filosofisch dichter, lag het voor de hand eens te kijken naar de wijsgerige aspecten van de poëzie van tijdgenoten. Het was bestuurslid Breuker gelukt om een aantal specialisten bereid te vinden in Leeuwarden te komen spreken over de filosofische invloeden die respectievelijk Verwey, Henriette Roland Holst, Boutens, Leopold en Dèr Mouw hadden ondergaan. Daarnaast zou de organisator van de studiedag dan zelf nog eens op de filosofische aspecten van Postma’s poëzie ingaan. Nog nooit eerder was in Friesland een gezelschap sprekers van een zo hoog wetenschappelijk niveau bijeengebracht om aandacht te besteden aan een Friese dichter in vergelijking met Nederlandse vakbroeders uit een tijdperk, dat in de literatuurgeschiedenis als heel belangrijk wordt beschouwd. Het is de periode rond 1900 waarin de dichters streven naar een eenheid, waarin het persoonlijke of individuele is opgenomen in een groter verband. Voordat de poëzie zich omstreeks 1925 begon te beperken tot de thematiek van eigen lief en leed, had ze vooral rond 1900 een uitgesproken metafysisch karakter.

16 november 2007
Het Obe Postma Selskip werd wat de belangstelling betrof voor dit – naar de mening van het bestuur – alleszins belangwekkende programma enigszins teleurgesteld, maar voorzitter Siebren van der Zwaag kon op 16 november 2007 tegen elven toch een kleine 40 deelnemers aan deze eerste studiedag welkom heten. Onder hen waren er enkelen, die zich nog op het laatste moment hadden aangemeld naar aanleiding van het artikel van Sietse de Vries, dat op 15 november nog in de Leeuwarder Courant was gepubliceerd. De voorzitter maakte van de gelegenheid gebruik om nog eens te vertellen wat het Obe Postma Selskip wil en kan zijn, namelijk een organisatie waarin liefhebbers van het werk van Obe Postma zich verenigen met het doel dat werk beter te leren kennen, het te verspreiden, ervan te genieten en het te bestuderen. Verder bracht hij de welgemeende dank van het Selskip over aan de subsidiënten die deze studiedag mogelijk gemaakt hadden. Voor het symposium en/of de congresbundel waren bijdragen binnengekomen dan wel toegezegd door de Provincie Fryslân, de Boersma-Adema Stichting, de Stichting Woudsend 1816, de Douwe Kalma Stifting, het Tamminga-Piebenga Fûns, het Coöperatiefonds van de Rabobank en het Prins Bernhard Cultuurfonds. Daarna kreeg secretaris Jan Gulmans het woord om uit te leggen hoe hij zijn taak als dagvoorzitter zag. Hij zou de sprekers bij het publiek introduceren en na afloop van telkens twee inleidingen proberen de discussie in goede banen te leiden. Hij waarschuwde de sprekers, dat hij streng zou vasthouden aan het opgestelde tijdschema. Dat laatste bleek moeilijk, omdat het ruim geformuleerde thema aanleiding gaf tot interessante, maar soms wel wat uitvoerige verhandelingen.

Verslag
Omdat de secretaris als dagvoorzitter fungeerde werd zijn verslagleggende taak overgedragen aan bestuurslid Tineke Steenmeijer-Wielenga. Wetende dat de lezingen in extenso gepubliceerd zouden worden in de congresbundel heeft zij zich in het verslag beperkt tot heel korte samenvattingen, met het accent op wat de inleiders over Obe Postma opmerkten.

Verwey
Als eerste spreker kwam dr. Gerlof Verwey naar voren, die vertelde aanvankelijk geaarzeld te hebben de uitnodiging te aanvaarden, omdat het naar zijn mening meer een taak voor de neerlandici is om de poëzie van zijn grootvader te interpreteren. Omdat het hier specifiek ging om wijsgerige aspecten wilde hij toch een poging doen om de levens- en wereldbeschouwelijke achtergrond van denken en dichten van Albert Verwey te verhelderen. Hij situeerde daartoe Verwey in het grotere verband van het Europese nonconformisme en zette uiteen wat de religieus-historische achtergronden geweest kunnen zijn van het spinozisme waarvan in het werk van Verwey de sporen zijn te vinden. De inleider verklaarde, dat hij de betekenis van het religieuze nonconformisme voor Verwey (en dan vooral voor Verwey als dichter) nu als groter inschatte dan hij vroeger gedaan had. Verwey was in zoverre een nonconformistisch denker, dat hij het leven boven de leer stelde en opkwam voor waarden die door de kerk onderdrukt werden. Dat blijkt ook uit diens levenspraxis. Volgens zijn kleinzoon had Albert Verwey wel degelijk een religieuze grondhouding al had hij afscheid genomen van het piëtistisch gekleurde protestantisme van zijn voorvaderen. Zoals bij voorbeeld uit zijn gedicht ‘Bede’ blijkt, kende hij – anders dan Spinoza – wel het gesprek met God in gebed. N.a.v. een opmerking in de discussie na de inleiding verklaarde Gerlof Verwey, dat Albert Verwey zelfstandig tot zijn levensopvatting en -gevoel gekomen was, maar in Spinoza een geestverwant herkend had, toen hij – waarschijnlijk door zijn schoonvader Johannes van Vloten – de wijsgerige opvattingen van de beroemde filosoof uit Rijnsburg had leren kennen.

Henriette Roland Holst
Dr. Odile Heynders zette de filosofische opvattingen van de Franse filosoof E. Levinas in bij het analiseren van De vrouw in het woud (1912) van Henriette Roland Holst om zodoende de filosofische aspecten in het werk van deze dichteres op te laten lichten. De gekozen dichtbundel confronteert ons met vragen over politiek, filosofie en religie. Het individueel dilemma dat in de gedichten wordt beschreven is persoonlijk, maar heeft ook een meer algemene strekking. Odile Heynders acht Levinas een bruikbaar hulpmiddel om het werk van Roland Holst te duiden, omdat hij sterk de nadruk legt op de confrontatie met ‘de anderen’ , waardoor het individu het eigen wezen leert ontdekken. Bij Roland Holst gaat het vaak om de verantwoording van haar levenshouding tegenover de makkers, de arbeiders, de anderen. Het analiseren van de bundel aan de hand van een filosoof is een interessant avontuur, maar uit de discussie na de lezing bleek, dat sommige deelnemers aan het symposium zich afvroegen of er met andere denkbeelden als uitgangspunt, bij voorbeeld het holistisch gedachtengoed of met duiding in meer religieuze zin geen andere uitkomsten gevonden zouden worden bij de interpretatie van deze dichtbundel.

Boutens
Na de lunch kreeg dr. Marco Goud het woord om wat te vertellen over de relatie tussen dichter en wijsgeer bij P.C. Boutens. Volgens hem was Boutens geen wijsgerig dichter in de zin, dat hij bepaald filosofische ideeën uitlegde in zijn poëzie. Boutens stelde de dichtkunst ook hoger dan de wijsbegeerte, maar in zijn werk speelt de filosofie wel een rol. Interessant voor de Postma-studie was, wat Goud vertelde over Boutens opvattingen over Plato. De belangstelling die hij voor de Griekse filosoof had, past in het platonisme van rond 1900. Volgens de spreker gebruikte de dichter Plato als legitimering voor zijn homoseksuele geaardheid. Dat Postma werk van Boutens vertaalde en ook over diens werk dichtte, had volgens Goud een ontroerend receptie-document opgeleverd. Hij zag ook andere overeenkomsten dan de belangstelling voor Plato bij beide. Bij voorbeeld in de liefde voor het land van herkomst, respectievelijk Zeeland en Friesland. Een mooie anekdote is, dat Boutens – geheel in strijd met zijn gewoonte – geen honorarium heeft gevraagd voor de vertalingen die Postma van zijn werk publiceerde.

Leopold
Het aardige van de inleiding van dr. Dick van Halsema was, dat hij begon met de dichtende tijdgenoten Gorter, Verwey en Roland Holst in een verband te zetten en daarbij ook Obe Postma betrok, die immers als student in Amsterdam vanaf 1886 een plaatsgenoot en collega van Gorter was, later min of meer dezelfde tijdschriften volgde als de in het Nederlands dichtende tijdgenoten en zich verdiepte in dezelfde filosofische werken. Volgens Van Halsema zijn de dichters op zoek naar een bestendig alomvattend Leven, dat zich voor wie dat wil ervaren in alles manifesteert. Leopold die in Leiden klassieke talen studeerde, heeft een andere ontwikkelingsgang gehad. Hij probeerde niet om met zijn denken door te stoten naar een wereld van algemeen geldige waarheden van de orde van de filosofie. Als er wat beleden wordt in de vroege poëzie van Leopold zijn het gevoelens van existentiële onmacht en eenzaamheid en niet dus op een filosofisch systeem gebaseerde serene inzichten in de samenhang van alles en allen. Leopold gebruikt voorstellingselementen uit bij voorbeeld de filosofie van Plato om ze, veranderd van karakter en onttrokken aan de bespreekbaarheid die per definitie kenmerk is van de filosofie, deel te laten hebben aan en op te laten gaan in het eigensoortig verband van zijn poëzie. In later werk weeft hij kernelementen van Spinoza’s ethica in zonder een spinozistisch dichter te worden. Toen hij na zich zes jaar lang aan de studie van de filosofie gewijd te hebben, weer ging dichten bleek zijn omgang met de filosofen wel sporen nagelaten te hebben, maar de poëzie en de manier van intertekstueel denken die daarbij past, hebben het gewonnen van de denksystemen van de filosofie met hun aanspraken op waarheid.
Aan het einde van zijn betoog kwam Van Halsema nogmaals terug op de overeenkomsten en verschillen tussen Postma en Leopold wat hun verhouding tot de filosofie betreft. Ze hebben veel gemeen, tot aan sommige bronnen van hun intertekstualiteit toe (Zeller!), maar bij Postma ziet hij meer een ook buiten de poëzie om formuleerbare filosofie van de orde van die van bij voorbeeld Verwey. Leopold transformeert de filosofische premissen en stellingen naar de eigen orde en willekeur van de poëzie.

Postma
Na de thee was de beurt aan dr. Philippus Breuker die Postma neerzette as dichter van de sublieme ervaring. Die ervaring is de beleving van de eenheid van de aardse, concrete werkelijkheid en een hogere, transcendente werkelijkheid. Toen Postma in 1900 begon te dichten, had hij zich meer met psychologie dan met filosofie bezig gehouden. Zijn wijsgerige belangstelling begon in hetzelfde jaar als zijn dichterschap en duurde tot ongeveer 1920. Volgens Breuker is het goed mogelijk dat filosofische aspecten bij Postma niet op de bestudering van de filosofen terug gaan, maar op literaire teksten, bij voorbeeld die van Verwey, Gorter en Boutens, maar ook van Wordsworth en Keats. De inleider noemt ook de invloed die Postma onderging van Nietzsche en diens Zarathustra literair. Dat boek is verbonden met de kern van zijn sublieme aardse ervaring: in het gras liggen op een zonnige middag en je gelukkig voelen in de versmelting van ik en wereld, waarin alle tegenstelling is opgelost. Postma’s belangstelling voor filosofie hangt voor een deel samen met zijn natuurwetenschappelijk onderzoek, maar staat daar deels ook los van. Gestimuleerd werd hij door de hoogleraar filosofie Tjitze de Boer met wie hij bevriend was en door de kring van intellectuelen – onder wie prof. Heymans – die zich in de Wetenschappelijke afdeling van het Groninger Natuurkundig genootschap verenigd hadden. Uit de filosofische studie van Postma spreekt een hartstochtelijke behoefte het wezen der dingen, ook van het denken zelf, te leren kennen. Die behoefte had hem ook in 1886 voor de studie van de natuurkunde doen kiezen. Aan de hand van Postma’s aantekeningen bij zijn bestudering van de filosofen schetste de spreker de ontwikkeling van het denken bij deze dichter om tot de conclusie te komen, dat diens poëzie niet goed te begrijpen is zonder kennis van zijn ontwikkeling in het wijsgerig denken. Bovendien ontleende Postma beelden uit zijn gedichten aan zijn filosofische lectuur, vooral aan Plato. Als kern van Postma’s dichterlijk streven ziet Breuker het uitdrukking geven aan een sublieme ervaring. Bij de ervaring van de eenheid met heel het aardse leven komt in een latere fase van zijn denken de historische ervaring van het één zijn met het eeuwenoude landschap en de mensen die er door de tijden heen gewoond en gewerkt hebben.

Dèr Mouw
De laatste spreker op deze eerste studiedag van het Obe Postma Selskip was dr. Lucien Custers die over filosofie en mystiek in het werk van J.A. dèr Mouw sprak. Die classicus, een studiegenoot van J.H. Leopold, was de enige van de op deze dag behandelde dichters die als professioneel filosoof beschouwd kan worden. Dèr Mouw was een vaste medewerker en ook redacteur van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte. Volgens dr. Custers was hij wel een merkwaardig filosoof, die de wetenschappelijke status van het vak in zijn publicaties ondergroef en tenslotte tot de conclusie kwam, dat langs de weg van de wijsbegeerte geen absolute waarheden te bereiken zijn. Hooguit hielp de filosofie hem om de vragen te stellen die hij later vanuit een mystieke overtuiging, als Brahmaan, in zijn poëzie kon beantwoorden. De studie van de filosofie moest de leraar die met het christelijk geloof gebroken had, helpen aan een bevredigende levensbeschouwing. Aanvankelijk bewonderde Dèr Mouw vooral Kant, later Schopenhauer en diens volgelingen Von Hartmann en Deussen. Hij heeft geen beschouwingen over literatuur geschreven, maar volgde – net zoals Postma – het werk van zijn tijdgenoten in De nieuwe Gids en hij correspondeerde met Frederik van Eeden. Ook het werk van de Franstalige symbolisten, zoals Mallarmé, bestudeerde hij. In zijn filosofische publicaties speelt de literatuur mee. Omstreeks 1910 ruilde hij de filosofie in voor een religieuze overtuiging waaraan hij in dichtvorm uitdrukking geeft. Adwaita was geboren en als dichter is Dèr Mouw bekend gebleven, terwijl volgens de inleider diens filosofische werken zeer de moeite van bestudering waard zijn. De dichter zelf zou zijn wetenschappelijk werk later als een noodzakelijke voorbereiding op zijn dichterschap zijn gaan zien.

Besluit
In zijn afsluitend toespraakje om even na vijven bedankte Siebren van der Zwaag de sprekers voor hun interessante bijdragen en dagvoorzitter Jan Gulmans en medebestuurslid Philippus Breuker voor de leiding en de organisatie van de studiedag. De deelnemers, wier belangstelling hij zeer op prijs zei te stellen, wees hij op de congresbundel die in het voorjaar van 2008 zou verschijnen. Wie alles wat hij die dag gehoord had nog eens rustig zou willen overschouwen zou daar een goed gebruik van kunnen maken. Voor een impressie van de dag kon men terecht op de website van het Obe Postma Selskip waarop de video-opnames die gedurende de dag gemaakt waren door de heer S. S. Osinga te zien zouden zijn. Tot slot bedankte hij Tresoar voor de gastvrijheid en de medewerkers voor de goede verzorging en het smakelijke eten en drinken waaraan men naast al het geestelijk voedsel dat men tot zich had kunnen nemen, wel behoefte had gehad. In de gesprekken in informele sfeer na afloop van het officiële programma van de studiedag werd ook meermalen waardering uitgedrukt voor de organisatie. Er was wel enige kritiek op het wat overladen programma met zes sprekers die stuk voor stuk de volledige aandacht van hun gehoor gevergd hadden. Verschillende deelnemers vertelden blij te zijn later in de congresbundel een en ander nog eens rustig na te kunnen lezen. Het bestuur, dat de kritiek ter harte neemt, kijkt over het geheel genomen met tevredenheid terug op deze eerste studiedag, waarop dankzij de inzet van de sprekers veel belangwekkends naar voren is gebracht over de wijsgerige aspecten van de poëzie in Nederland omstreeks 1900.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *