Postma en het wezen der dingen in 1899
Teun Koetsier
Kort na 20 april 1899 maakte Obe Postma de volgende aantekening:
52 - 1 = (5+1) (5-1)
* * * * *
* * * * *
* * * * *
* * * * *
* * * * *
Hieruit blijkt bovenstaande eigenschap algemeen. Ik kan
mij niet voorstellen ooit dieper in het wezen der dingen te zullen
dringen, hoewel ik haar toch nog niet geheel meen te omvatten. Men
moet nu eenmaal langs kronkelwegen de waarheid naderen. Hier ben ik
er in elk geval toch al zeer flink op afgegaan en dichter bij de
laatste oorzaak dan 52 - 1 = 52 - 12 =
(5-1) (5+1) . Maar de laatste oorzaak zal men nooit bereiken.
2 maal 3 = 6
* * *
* * * = * * * * * *
overziet men echter nog beter; men wijkt hoe langer hoe meer van het wezen af.
Het is duidelijk dat Postma hier in een Pythagoreïsche traditie
staat. De Pythagoreeërs ontwikkelden de "leer van even en
oneven". Getallen werden gelegd met behulp van steentjes. Door
de steentjes goed neer te leggen kan men door naar een bijzonder
geval te kijken algemene getaltheoretische waarheden inzien.
Men
legt dus, bijvoorbeeld, de steentjes voor het geval "52 -
1 = (5+1) (5-1)" neer zoals Postma dat heeft gedaan.
Kijkt men goed naar het patroon dat men krijgt dan realiseert men
zich dat inderdaad niet alleen "52 - 1 = (5+1)
(5-1)" waar is maar dat
"n2 - 1 =
(n+1) (n-1)" waar is voor alle getallen n=2,3,4,5,6 etc.
De algemene waarheid die men zo inziet kan men natuurlijk
zien als de oorzaak van alle bijzondere gevallen en ook als het wezen
ervan.
Zo tegen de dingen aankijkend is de laatste
oorzaak der dingen op te vatten als de oorzaak van alles, als het
wezen van alles. Als je in een flits een oneindige rij
wiskundige waarheden kan begrijpen dan begin je te denken dat
het misschien wel mogelijk is om in een flits ALLE
wiskundige waarheden te begrijpen en nog een stap verder zou
zijn om in een flits ALLE WAARHEDEN UEBERHAUPT te begrijpen.
Het
tweede patroon toont de waarheid van 2 keer 3 = 3 keer 2 = 6. Daar
zien we in een flits de commutatieve wet "n keer m = m keer n".
Als Postma dan zegt "men
wijkt hoe langer hoe meer van het wezen af" , dan zou hij kunnen
bedoelen dat de figuren heel verschillend zijn en het inzicht
niet gaat in de richting van EEN alles begrijpelijk makend inzicht.
Hoewel we opstijgen qua abstractie bereiken we niet de eenheid, maar
blijven we in de veelheid hangen.
In mijn eerste
reactie zei ik dat "52 - 1 = (5+1) (5-1)"
geen bellen deed rinkelen. Dat doet het nog steeds niet. Dat betekent
dat het een vrij willekeurig voorbeeld is. Postma had net zo goed een
ander voorbeeld kunnen nemen. Dit vind ik een mooi
voorbeeld:
1+3=4=22
1+3+5=9=32
1+3+5+7=16=42
1+3+5+7+9=25=52
etc.
Dat er altijd een kwadraat
uitkomt kan men inzien door een goed patroon te leggen. Zo dus:
| * * | * * * | * * * * | * * * * * |
| * * | * * * | * * * * | * * * * * |
| * * | * * * | * * * * | * * * * * |
| * * | * * * | * * * * | * * * * * |
| * * | * * * | * * * * | * * * * * |
Het gnomon dat je er omheen legt is steeds het volgende oneven getal.
Noot